Remi, 29 maart 1918

Het heeft even geduurd, maar ik ben er eindelijk weer bovenop. Wat een ellende, de griep van dit jaar. Maar ik heb geluk. Er sterven er heel wat. Oude mensen, jonge kinderen. Elke dag hoor je wel van iemand. Er kunnen heel wat namen geschrapt worden op de lijsten die sinds kort verplicht aan elke gevel uit moeten hangen, met de inwoners van het huis erop vermeld. Het is echt triestig om te zien. Maar verbazen doet het niet. We zijn vel over been, we hebben te weinig te eten, we hebben bijna niks meer om ons mee te verwarmen, er zijn zo goed als geen medicijnen, en de winter blijft maar duren. Er is nochtans voedsel – voor wie het kan betalen. De zwarte markt bloeit, de smokkelaars doen gouden zaken. Die worden allemaal rijk! Je zou de danszalen moeten zien die als paddenstoelen overal uit de grond schieten; je mag niet denken aan het geld dat daar verbrast wordt. Maar het is er ook gevaarlijker op geworden. Marie is bang geworden, zij houdt het voorlopig voor bekeken. Dat komt niet alleen door de afrekeningen tussen de smokkelaars onderling, maar ook door de steeds strengere straffen die de Duitsers uitspreken, ook al doen sommigen van hen gewoon mee met de smokkelaars, zoals onlangs nog is gebleken in De Klinge. En dat is wellicht wijs van haar, of haar naam verschijnt binnenkort ook op zo’n plakkaat met de mededeling dat ze verdreven is van het grondgebied – al is dat nog een milde straf, voor hetzelfde geld krijg je een kogel door je kop. En wat zou ik dan moeten beginnen?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s