Daniel Frans Struyf

Historisch personage

Frans Struyf, 22 maart 1918

Sedert drie maanden al ben ik in 10e compagnie en ik moet zeggen, ik ben het reeds goed gewoon geraakt. De korporaals hebben hier ’s avonds wachtdienst maar zijn telkens om de dag vrij. Vandaag is het mijn beurt om de wacht op te trekken. De nacht is zeer donker en in de verte hoor ik het geronk van een Duits vliegtuig. Mijn makkers hebben het ook gehoord en nemen de vlucht naar de dichtstbijzijnde abri. Wanneer het Duitse jachtvliegtuig net boven onze hoofden scheert, bolt er op de steenweg een auto voorbij waarvan de twee voorste lichten grote stralen licht over de weg wierpen. Wij roepen de onverlaat om onmiddellijk zijn lichten te doven maar het is al te laat! Op hetzelfde ogenblik valt er een bom, juist op de barak van de voermannen. Ik meet onmiddellijk de schade op. Eén man gekwetst en drie Franse soldaten gedood. Deze laatsten hadden de auto met een barricade tot stilstand gebracht maar waren zelf door de explosie omgekomen. De chauffeur van de auto is als bij wonder ongedeerd gebleven maar verlaat verward zijn voertuig. Meer dan een uur blijft hij radeloos bij zijn wagen staan. Daarna vertrekt hij in volle spoed verder, maar ditmaal zonder zijn lichten aan te steken.

Dit is eigenlijk een groot laadstation, waar trams voorbijkomen. Die trams hebben wagons die eruit zien als treinwagons. De grote barakken links zijn de garages van het Militaire Hoofdkwartier. Soldaten bewaken de talrijke gestalde motoren, houden zich bezig met de auto’s waar op de achterruit de letters GQC geverfd staan (Groot Militair Hoofdkwartier) en soldaten bedienen de spoorwissels. Alle opschriften zijn uiteraard in het Frans, de voertaal in het leger.

Frans Struyf, 1 februari 1918

Ik krijg het bevel om mij bij de 10e compagnie te voegen, die zich in Oost-Vleteren bevind. Daar krijg ik de opdracht om te gaan werken dicht bij de Engelse loopgraven. De volgende dag verhuizen we opnieuw met onze nieuwe compagnie. Hier en daar moeten wij schuilplaatsen in beton optrekken. Ons nieuwe logement is zeer dicht bij de Kemmelberg gelegen. Dagelijks worden we gebombardeerd. Dan moeten we ons in de bossen gaan verstoppen

Honderd houwitsers voor een varken

Ik [korporaal Frans Struyf] word bruusk uit mijn slaap gewekt, een schildwacht slaat alarm. Er zijn Duitsers gesignaleerd! Morrend verlaat ik mijn ondergrondse schuilplaats om te zien wat er gaande is. Ik tuur in de verte maar zie of hoor niets. Vals alarm dus, …

Ik begeef me terug naar de schildwacht en doe mijn beklag. Toch merk ik dat de wacht er niet gerust op is. Hij houdt zijn ogen onafgewend op de puinen van een stukgeschoten boerderij die zich, op enkele honderden meters afstand, in het niemandsland bevindt.

Struyf: “Waarom sla je alarm?”

Schildwacht: “Ik heb beweging gezien daar bij die boerderij”

Struyf: “En waarom schiet je dan niet?”

Schildwacht: “Stel dat het de arme boer is, die zich schuilhoudt in zijn verwoeste boerderij? Ik wil toch geen onschuldige slachtoffers maken.”

Plots zien wij beiden een schim tussen de ingestorte muren bewegen.

“Zie! Daar is het spook nu weer”, zucht de schildwacht. Maar vooraleer ik de schildwacht van een antwoord kan dienen, suizen de kogels rakelings over mijn hoofd. De vijand is wakker geworden! Ook wij reageren met een gepast vuursalvo. Plots wordt het stil, het geluid verstomt …  In de puinen verroert zich niets meer. Geen gerucht, geen gekreun. Alles wordt weer kalm en rustig en gans misnoegd hervatten wij onze rust.

Bij het ochtendgloren zie ik opnieuw de schim die ons de nacht tevoren zo heeft beziggehouden. Maar deze keer zie ik duidelijk waar het om gaat. Nee het is geen Duitser, ook geen Belgische soldaat of boer, ook geen spook – nee het is … vrienden lach niet – een varken! Het arme dier, zwerft, door den honger gekweld, rond in het puin op zoek naar eten.

Na deze geruststelling haast ik mij naar mijn twee kompanen Jef en Maurits om hen mijn plan kenbaar te maken. Ik wil het varken stelen en vraag hun hulp. Zij zijn erom bereid dus licht ik de schildwacht in. Ik vraag hem om een waakzaam oog te houden op de Duitse linie, doch niet te schieten, wat hij ook moge horen of zien.

Onhoorbaar sluipen wij de loopgracht uit en wagen ons in het vlakke veld. De Duitsers schijnen niets te bemerken en blijven rustig. Spoedig zijn wij tot bij de puinen gekomen. Wij treden de boerderij binnen. Niets te horen, en niets te zien. Mijn vrienden willen de terugtocht aanvangen, wanneer ik plots het gesnork van een varken hoor dat mijn gezellen doet opschrikken.

‘Janverdekke’, roept Maurits, ‘is dat nu dien vervloekten Duitscher, het spook, de schim die u niet slapen liet!

‘Wel Maurits, beter zulk een varken dan Duitschers niet waar?, antwoord ik. Maar wat gaan we nu doen? We gaan dit beestje hier toch niet voor de moffen achterlaten? Daarop neemt  Maurits het initiatief en ontvouwt zijn plan.

Maurits: “Korporaal, kom geef mij uwe bajonnet maar, daar zal ik het ook wel mede klaar spinnen! Zoo! Help mij nu maar het varken vangen. Hier korporaal, eene sterke touw, ik zal deze oude baal over het dier zijn kop trekken en het beletten te schreeuwen. Gij, gij bindt stevig een der pooten en vooruit er mede naar de slachtbank!”

Zo gezegd, zo gedaan. Het varken snuffelt en snorkt om zich heen maar telkens wij het willen grijpen, springt het weg. Tot eindelijk Maurits het beest te pakken krijgt. Het bajonet blikt in het ochtendschemer en verdwijnt met een krachtige stoot in de keel van het dier. Een scherp geluid ontsnapt het varken en weergalmd tegen de kale muren van de boerderij. Plots klinken geweerschoten en het fluiten van houwitsers.

Jongen met varken en biggen. Deze foto is vermoedelijk genomen op een boerderij in Haasdonk ergens rond de Eerste Wereldoorlog (collectie HHKLVB, fotograaf Kamiel Van de Velde)

Het dier wil maar niet zwijgen en het zweet breekt ons uit. Twintig, dertig bommen klieven door de lucht en ontploffen met wild geraas op de boerderij!

Maurits maakt er snel een einde aan. Hij hakt en kerft, en snijdt het dier in stukken zonder te letten op het gevaar. Het regent bommen en granaten. Op vijf meter afstand spat een bom uiteen. Het schroot vliegt ons rakelings voorbij. Niemand raakt gewond maar het is tijd dat we de benen nemen. Wij verzamelen de beste stukken vlees en binden ze op onze rug. Daarna kruipen we op handen en knieën terug naar onze loopgracht, waar wij triomfantelijk worden onthaald.

Alles is uiteindelijk zonder erg afgelopen. We krijgen wel een stevige uitbrander van onze officieren maar deze is al gauw vergeten.

Weldra ligt het lekkere varkensvlees te braden. De aangename geur die de lucht vervult doet onze makkers watertanden en we lachen nu – smakelijk – om het afschrikkende spook van vorige nacht! Jongens, wat was dat lekker!

Frans Struyf, 28 augustus 1917

Het was 5 uur ’s ochtends. Normaal verlaat ik gemakkelijk mijn bed maar vandaag heb ik zoveel goesting om te blijven liggen. Ik moet me haasten om niet te laat aan de statie aan te komen om de wacht te wisselen. Ik kleedde mij aan en sprong op mijn fiets en vertrok direct naar mijn wachtpost, zonder zelfs mijn koffie gedronken te hebben. Ik was misschien 500 meter voorbij het geniepark toen ik een houwitser fluitend hoorde afkomen en achter mij ontploffen. Was de bom ingeslagen op het park? Ik zie een grijze wolk de hoogte inklimmen. Ik haast me terug het park binnen waar een schrikwekkend schouwspel me opwacht. Met angstige blik speur ik de omgeving af naar de plaats waar de obus gevallen is. Mijn God, hier is een ramp gebeurd! Ik werp mijn fiets in de kant en spring de wacht binnen. Alles is verwoest en vol bloed. Juist boven mijn bed is de obus binnengedrongen, mijn kleren zijn helemaal gescheurd, mijn zakuurwerk is door de explosie tegen de plaasteren muur geknald en wijst 5 uur en 10 minuten aan. Mijn bed ligt verbrijzeld, met steen en stof bedekt. Mijn kopkussen lijkt zelfs op een kaas met gaten; ik tel meer dan veertig stukjes schroot.
Ik ben helemaal uit mijn lood geslagen. Dat merkt ook mijn luitenant, die komt aangesneld en mij omhelsd met de woorden: “Struyf, Struyf, wij dachten dat gij er ook bij waart en hebben u overal gezocht.” Hij neemt me mee naar de barak bij de keuken waar twee van mijn mannen uitgestrekt op de grond liggen, in een plas van bloed. De ene was de wachter die mij nog net uit mijn bed had gehaald en pas in zijn bed was gekropen. De andere was door het schroot in de rug getroffen terwijl hij zich onder zijn bed had willen verstoppen. Een derde was zeer ernstig verwond maar werd nog naar de ziekenboeg vervoerd. Ik kon mijn tranen niet bedwingen. Toen de luitenant dit zag, sprak hij: ‘Ehwel Struy, nu moet ik tog ook gaan geloven dat gij eenen gelukkigen bewaarengel hebt’.

Daniël Frans Struyf, 3 juli 1917

Duits neergeschoten vliegtuig op vliegveld Houtem. Militairen scharen zich rond het wrak van een Duits Aviatik C1 vliegtuig. Naast het wrak zien we een Renault-wagen met het kenteken en opschrift van de Genietroepen.

Duits vliegtuig neergehaald

Gedurende verschillende weken is alles weer rustig en kalm. Eén enkel feit te na gelaten: onlangs haalde onze artilleristen een Duits vliegtuig uit de lucht en kwam op een driehonderd meter van de hoeve waar we verbleven in de weide terecht. Wij liepen er onmiddellijk naar toe om de Duitsers te vangen die wij uit het vliegtuig zagen stappen. Intussen trakteerden zij ons op revolverschoten en probeerden de gestrande vliegeniers om hun vliegtuig in brand te steken. Net op de moment toen wij ons eindelijk van hen meester maakten, vond er een gigantische explosie plaats, onmiddellijk gevolgd door een tweede. Meteen begrepen wij wat er gaande was. Het vliegtuig was geladen met bommen en deze waren in de vlammen ontploft! Twee van onze makkers waren door het exploderende schroot gedood en verschillende anderen raakten gewond. Bekomen van de shock wierpen de soldaten zich op de Duitsers om hun woede te koelen. En waren er geen officieren op dat moment tussenbeide gekomen, dan zouden de piloten door de woedende menigte soldaten verscheurd en gelyncht zijn geweest. Door de tussenkomt van de officieren werden de gekwetste Duitse vliegeniers echter gevangengenomen en weggevoerd.

 

 

 

Daniël Frans Struyf, 10 mei 1917

Gasaanval

Rond 11 uur ’s avonds beginnen de Duitsers opnieuw het park, de steenweg en de spoorweg te beschieten, waardoor wij genoodzaakt zijn om een schuilplek op te zoeken. Het artillerievuur duurt deze keer niet te lang en na een half uur kunnen wij opnieuw de wacht optrekken. Mijn mannen gaan slapen en ik zet mij terug aan het graveren. Ik heb nog wachtdienst tot 3 uur en op die manier kan ik de tijd doden. Rond half twee ’s nachts hoor ik langs alle kanten de klaroenen blazen. Ik spring naar buiten om te zien wat er gebeurt. Het geschal van de trompetten luidt gasalarm. Die vuile Duitsers sturen ons stikgassen toe, de lafaards! In de tranchées vliegen de vuurpijlen heen en weer om het aankomende gevaar bekend te maken. Ik ga terug naar binnen om mijn gasmasker te halen en wek mijn slapende kameraden. Reeds op dat moment word ik de scherpe geur van het mosterdgas gewaar. Wanneer ik mijn masker weer even afzet, krijg ik brandende steken in mijn keel. Ik zet meteen mijn masker terug op en kom terug op adem. Gedurende meer dan een uur moeten wij ons masker ophouden. Daarna komt het sein dat we onze maskers mogen afzetten. Op het front zelf heeft het verstikkende mosterdgas verschrikkelijk werk aangericht. De ene na de andere soldaat wordt met auto’s van het Rode Kruis afgevoerd naar het veldhospitaal. Wat een gemeen wapen, dat stikgas.

 

Daniël Frans Struyf, 10 april 1917

Bombardement

Het is vandaag zondag. Onze compagnie [die zich in Veurne bevindt] wordt bijgestaan door een strafcompagnie van veroordeelde soldaten die ons helpt om 15 wagons met stenen en hout te lossen. Iedereen werkt goed door zodat we tegen ‘s middags vrij hebben om een wandeling te maken. Rond 10 uur komen enkele Duitse vliegtuigen aangevlogen, een twaalftal geloof ik. De meeste arbeiders hebben de benen genomen en zijn naar hun schuilplaats gevlucht. Het geniepark is als een echte mierennest, vol beweging, wat natuurlijk de aandacht van de Duitse vliegeniers trekt. Een bom valt juist op een houten barak en de planken worden met een geweldige kracht weggeslagen. Gelukkig is de barak op het moment van de impact leeg en verlaten. Langs alle kanten lopen soldaten weg, twee of drie bommen ploffen neer. Nu moeten ook de moedigsten onder ons eraan geloven. Iedereen vlucht het park uit, behalve ik. Als korporaal van de wacht kan ik uiteraard niet aan mijn belangrijke plicht verzaken, dus zoek ik schutting en leg mij plat op mijn buik onder een wagon . Hier hou ik me meer dan een half uur verscholen. De vijandige vliegtuigen worden fel beschoten door onze artillerie en kiezen uiteindelijk het hazenpad. De dreiging is eindelijk voorbij.

Daniël Frans Struyf, 26 september 1916

Hoe zou het mijn gezin vergaan? Stellen mijn lieftallige kinderen het goed? Mijn beminde echtgenote en mijn schatten van kinderen moeten het nu al meer dan twee jaar zonder mijn aanwezigheid stellen. Zouden ze me nog herkennen, of niet? Ik blijf mezelf deze kwellende vragen stellen, opnieuw en opnieuw. Zwartgallige gedachten spoken door mijn hoofd. Die onzekerheid over hun lot knaagt aan me, het is verschrikkelijk! Via verschillende frontblaadjes sijpelen druppelsgewijs flarden van nieuws binnen over het moeilijke leven in het bezette België, over de slechte en onrechtvaardige behandeling van de bevolking door de Duitse bezettingsmacht, over de nijpende voedseltekorten. De berichten over de situatie in ons dorp Burcht stellen me weinig gerust maar het sterkt me in de overtuiging om vol te houden, om deze verdomde oorlog uit te zitten en te blijven vechten tot de laatste snik tegen den vermaledijde Duits. Wij zullen zegevieren en ik zal mijn gezin terug zien en in mijn armen sluiten. Enkel deze gedachte houdt me overeind.

Duitse jachtpatrouille, ingekwartierd in Burcht en Zwijndrecht. Collectie Guido Hullebroeck

Duitse jachtpatrouille, ingekwartierd in Burcht en Zwijndrecht. Collectie Guido Hullebroeck

Organisatie van volkssoep in Burcht. Collectie Guido Hullebroeck

Organisatie van volkssoep in Burcht. Collectie Guido Hullebroeck

 

Juwelier bakt gendarme een poets

Eerder in zijn dagboek beschreef frontsoldaat Struyf op 27 februari 1915  hoe hij en zijn strijdmakkers van de 1ste Compagnie Hulptroepen der Genie in een smidse nabij Hoogstade-Linde de verveling probeerden te verdrijven door ringen te maken uit koperen vijf cent franken. Het idee hadden ze gehaald bij de Franse poilus, die de fraai bewerkte ringen tegen geld of in ruil voor voedsel of rookwaar trachtten aan de man te brengen … en met succes.

Frans Struyf redigeerde naast zijn dagboek ook nog een meer prozaïsch geschreven bundel met kortverhalen, zesentwintig in totaal, die inhoudelijk nauw aansluiten bij zijn dagboekervaringen. Eén van de novelles die hij schetst, draagt de titel ‘de soldaat-juwelier’ en verhaalt hoe een vriend van Struyf een soldaat van de Gendarmerie in de luren legt.

Deze vriend-juwelier zint op wraak omdat de militaire politie, de Gendarmerie, hem eerder een stuk loopgravenkunstwerk (Trench Art) heeft afgepakt. Hij begint aan een nieuw kunstwerk, een prachtige doosje, waarbij vier Duitse houwitserkoppen als poten dienen. Hij verstopte het doosje heimelijk onder zijn strozak en werkte ‘s avonds bij het flauwe schijnsel van een nachtlampje onvermoeibaar verder aan zijn ‘fabricaat’. Het doosje was een echt huzarenwerk, kunstig met bloemen gegraveerd. Op de bodem lagen een sigarettenkoker, een solferdoosje en een prachtige obuskop waar men lucifers in kon steken. Het deksel van het bewaardoosje sloot zeer vernuftig met twee puntige haakjes in een springslot. Nadat de rookwarendoos volledig was afgewerkt, liet de maker het kunstwerk achteloos aan het voeteinde van zijn bed liggen. Op dat moment kwam een  gendarme binnen die het kunstwerk opmerkte. Betrapt! De vriend-juwelier probeerde het op een akkoordje te gooien. De politieman kreeg het kleinood, in ruil voor stilzwijgen. De gretige ‘pakkeman’ ging in op het aanbod, hij nam de doos aan en stak zijn hand in het ‘kofferken’. Hij greep naar de prachtig versierde obuskop om hem van dichtbij te bewonderen en plots … weerklonk een pijnlijke kreet doorheen de barak. Het deksel bevatte immers een geheim veermechanisme waardoor, ééns de politieman naar de kop greep, dichtsloeg en de puntige haakjes van het slot zich in de hand van de inhalige politie-soldaat boorden. De barak daverde onder het gelach en gehoon van de soldaten. Helemaal aangedaan door dit voorval, verloor de gefopte soldaat meteen zijn arrogantie en verliet hij al vloekend en vol schaamte de barak. De fopdoos werd niet in beslag genomen en de juwelier-grappenmaker werd niet langer lastiggevallen door soldaten. De slimme grap had zijn gewenste effect bereikt.

Onderschrift: De soldaat juwelier! Een kreet, vol pijnlijke verrassing, ontsnapte de lippen van den gefopten pakkeman!

Onderschrift: De soldaat juwelier! Een kreet, vol pijnlijke verrassing, ontsnapte de lippen van den gefopten pakkeman!