Auteur: Cécile Borgelioen

Cécile, 3 september 1918

Wie hier aan de deur stond? Remi. Met een boeketje brandnetels. ‘Daar kun je lekkere soep van maken’, zei hij. ‘Of thee van trekken. Dat sterkt aan.’ En wat deed ik? Ik nam ze aan, prikte me en begon te huilen. Als een kleuter. Om de brandnetels. Omdat je daar van aansterkt. Omdat ze prikken en omdat dat zo jeukt. Omdat Remi daar stond. Ik lachte door mijn tranen heen; tenminste, dat probeerde ik. ‘Wij hebben er genoeg’, zei hij. ‘En ik dacht…’ Dat wij er geen hadden? Onze tuin staat er vol mee! Dat wilde ik uitroepen, maar ik deed het niet. Natuurlijk niet. Ik was zo blij. Maar ook dat zei ik niet. Kon ik niet. Met al die tranen. Ook al voelde ik zo’n drang opkomen om te lachen. ‘Ik ben ziek geweest’, zei ik zonder dat hij daarnaar had gevraagd. ‘Maar ik kom er wel bovenop. Dank je wel.’ En mijn dankjewel was gemeend. Dat ik niet vroeg hoe het met hem ging, kwam omdat ik daar de kans niet toe kreeg. Hij werd van het voetpad afgelopen door een voorbijtrekkende patrouille en ik smeet vlug de deur dicht. Dat gestamp met die laarzen, ik krijg het er altijd zo koud van. En toen ze voorbij waren en ik de deur weer opendeed, was Remi niet meer te zien.

Het is trouwens maar een boeltje daarbuiten. Die patrouille waar ik het net over had, dat is maar een uitzondering. Het merendeel van de tijd lijkt het of er geen orde meer is. Of elke vorm van discipline opgelost lijkt te zijn. Duitse soldaten die niet meer van het voetpad afgaan als er een officier voorbijkomt, die niet meer groeten of salueren, of bevelen gewoon in de wind slaan. En die officieren dan maar van hun tak maken. Het haalt niks uit. Ik zie het gebeuren vanachter mijn raam. Het speelt zich gewoon af hier op de stoep. Wat dat gaat brengen weet ik niet. Maar lang kan het zo niet voortduren.

Cécile, 27 augustus 1918

Ik weet nu ook wat het is. De Spaanse. Braken, hoesten, hoge koorts, pijn over je hele lichaam. Het overviel me zomaar. Alsof ze met een hamer op mijn kop sloegen. Het ene moment trek ik netels uit in de tuin, het andere moment hang ik als een uitgewrongen theedoek over het tuinhekje. Je had mama moeten zien toen ze me daar zag hangen. Ze was in alle staten. Ik was nog zo bang geweest voor haar, dat zij ziek zou worden, maar nee, zij was het die mij naar bed moest brengen en me dagenlang moest verzorgen. Veel weet ik er nochtans niet van. Ze was er, dat weet ik. Naast al dat andere. Een dag of vier heeft het geduurd, toen kon ik opeens mijn hoofd weer oprichten. Huilen dat mama deed. Was ik gestorven, ze had niet harder kunnen huilen, geloof ik. En toen ging het elke dag wat beter. Kalmpjes aan. Nog steeds. Waarom zou ik me ook haasten? Waarvoor? Het is niet zo dat er een leven op me wacht. Dus kalmpjes aan. Zo houden we het al vier jaar vol.

Cécile, 30 juli 1918

Hier zitten we dan. Mama en ik. Alleen. Gisteren hebben we papa begraven. Het was een sobere plechtigheid. Weinig volk ook. Remi, die was er. Ergens achteraan volgde hij de dienst, maar hij is ons niet persoonlijk komen condoleren. Het geeft niet. Ik apprecieer het echt dat hij de moeite deed om er te zijn. Je moet niet te veel vragen van de mensen.

Hoe het is gebeurd? De Spaanse griep, waarschijnlijk. Hij was sowieso sterk verzwakt door iets verkeerd te eten, dat is zeker. En dan ben je natuurlijk vatbaar voor van alles. Overal had hij pijn. Zijn hoofd, zijn borst, zijn hals, zijn buik, zijn benen – alles deed pijn. En die koorts… Tot 40° ging hij. Hij was niet de enige. Overal vielen mensen ziek, met bosjes gingen ze neer, de scholen sloten zelfs. Maar de meesten waren er vanaf na een dag of drie. Papa niet. Hij kreeg er een longontsteking bovenop. En daar herstelde hij niet meer van. ‘De Spaanse,’ zeggen de mensen. Ik zou het eerder de Duivelse noemen.

Nu maar hopen dat mama, die hem de hele tijd verzorgd heeft, het niet krijgt. Of ik heb straks helemaal niemand meer.

Cécile, 2 juli 1918

Papa is heel erg ziek. Hij moet iets verkeerds gegeten hebben. Je weet tegenwoordig niet meer welk eten je nog kunt vertrouwen. Water mengen ze met kalk om het dan te verkopen als melk. In het brood zit zaagsel. Of het is gemaakt van maïs of bonen; je kunt het geen dag houden en het is niet te eten. Vlees is er amper. En ook aardappelen stellen niet veel meer voor vandaag de dag. Dus wat zou je willen? Ook ik heb mijn maag en darmen voelen samenknijpen, maar ik ben er gelukkig niet ziek van geworden. Maar papa… Je zou hem moeten zien. Hij lijkt niet eens meer op zijn portret van vier jaar geleden, zo bleek en mager is hij geworden. Mama is er niet veel beter aan toe, maar al met al houdt zij zich sterk. Op deze vier jaar zijn ze twintig jaar ouder geworden!

Maar gelukkig hebben we nog een tuin. En die staat vol brandnetels. Op openbare plaatsen en wegen laten de Duitsers alle netels opvorderen, maar zolang ze niets van de netels in onze tuin afweten, blijven ze er met hun tengels vanaf en kunnen wij er soep van koken. Misschien sterkt papa er wat van aan. Laten we het hopen.

Cécile, 4 juni 1918

Het is hier in het dorp een komen en gaan. Er valt echt niet meer naast te kijken: de troepen worden veel sneller afgewisseld dan vroeger. Scholen en andere openbare gebouwen worden er voor opgevorderd. Het is soms echt wel een zenuwachtig gedoe daarbuiten. Niet dat ik daar veel van merk, ik vertoon me amper op straat, maar ik voel het gewoon door de muren van het huis komen. Voortdurend vertrekken er troepen. Voortdurend komen er nieuwe toe. Ze blijven een paar dagen en gaan weer verder. Naar het front? Is daar dan echt een groot offensief aan de gang? En in wiens voordeel valt het uit? Wij horen natuurlijk maar één van de partijen. En volgens de Duitsers gaat alles prima! En wie zou nu twijfelen aan hun woord?

Met ons gaat het wel. Dezelfde sleur van altijd. Weet je? Soms kan het me niet veel meer schelen wie deze oorlog wint. Zolang deze verveling maar stopt. Maar ik weet dat je zoiets beter niet zegt. En daarom zwijg ik maar.

Cécile, 7 mei 1918

Onze gasten zijn vertrokken. Weer alleen met ons drieën thuis. Het is een opluchting, en toch voelt het ook leeg aan. Of is het de leegte in mezelf die ik voel?

Niet alleen onze gasten zijn vertrokken. Ik heb de indruk dat de troepen veel sneller worden afgewisseld dan vroeger. Wat zou dat willen zeggen? Dat de Duitsers de controle aan het verliezen zijn? Dat er aan het front van alles aan de gang is? Er wordt veel gefluisterd, maar het fijne weet niemand ervan.

Toch blijven ze hun best doen. Vorige week nog maar, met een affiche over de cafés en danszalen en hun sluitingsuur.

Gelukkig is er geen mond- en klauwzeer meer.

Soms staat er ook heuglijk nieuws op zulke affiches.

Cécile, 9 april 1918

Bordjes controleren. Dat moet hij gaan doen. Nu het een beetje naar lente begint te ruiken, moet hij bordjes gaan controleren. Alles om de opmetingen door de landmeters te vergemakkelijken! En het is nog niet eens 15 april. Hij moet erom lachen. “Ik wist niet dat je zo graag met mij naar de kreek wilt,” zei hij. Ik kon het niet uitstaan. Hij probeerde zelfs mijn hand te grijpen. Maar dat had hij gedacht. Ik rukte me los, en liep weg. “Ik wil naar de kreek,” mompelde ik gesmoord. “Dat klopt. Maar niet per se met jou. Ik wil hier gewoon het huis uit. Ik stik hier!” Dat laatste had ik willen uitroepen, maar ik deed het niet. Onder alle omstandigheden moet je jezelf onder controle kunnen houden. Zeker met Duitsers in de buurt. Hoe hoffelijk ze zich ook voordoen. Dat hij zich maar niks in het hoofd haalt. En dat hij maar gauw bordjes gaat controleren. Over vijf dagen is het 15 april, en dan moet elke boer in orde zijn. Stel je voor wat een ramp het zou zijn als dat niet het geval is.

Cécile, 20 maart 1918

“Geen denken aan!”

Papa. Om de nieuwe bekendmaking die uithing.

Dat ze nog maar twee weken geleden voor de zoveelste keer alle paarden opeisten, tot daar aan toe. Dat ze nagenoeg diezelfde dag uithingen dat ook machines, stoomketels, armaturen, transmissiën, liften, goederenperrons, schrijfmachines, enzovoort, én alle toebehoren, in beslag zullen worden genomen, deert hem niet. Dat de weinige fabrieken die nog draaien, zullen stilvallen, is niet zijn zaak. Dat boeren hun veld met de hand moeten omploegen en hun oogst eigenhandig moeten vervoeren, maakt hem niks uit.

“Ieder zijn kruis. Maar van mijn tabak blijven ze af!”

Niet dat ik onder de indruk was. Uiteindelijk doet hij toch wat ze hem opdragen. Zo zijn we allemaal geworden: binnensmonds vloeken en tieren we, maar als het erop aankomt persen we een glimlach op onze lippen en buigen we het hoofd. We knielen zelfs als het moet. Alles om geen aanstoot te geven. En zodra ze uit het zicht verdwenen zijn, springen we overeind, vloeken en tieren we opnieuw, en proberen we op alle mogelijke manieren om hier iets te ritselen en daar iets achterover te drukken. Het is een sport geworden. Een verzetje.

Mijn verzetje is er nog niet van gekomen. Het weer blijft guur en grauw. Maar de lente zal komen, hoe dan ook. En dan wenkt de kreek van Kieldrecht. Misschien kijk ik er wel naar uit. Misschien wel.

Cécile, 5 maart 1918

Charmant zijn ze wel, die Duitsers. Ze doen alleszins hun best. De jongste van het stel dat hier ingekwartierd is toch. Het was in de keuken, ik sneed een homp van het oudbakken brood om te roosteren. Of ik zin had om mee op uitstap te gaan? Niet per se vandaag, maar morgen misschien, of… Waarheen dan, vroeg ik, voorwendend om totaal niet geïnteresseerd te zijn, maar enkel beleefd. Koel, afstandelijk en beleefd, zoals ik dat altijd doe. Naar de kreek in Kieldrecht, was het antwoord, en toen stopte hij deze postkaart in mijn handen. Het zou er heel schoon zijn, voegde hij eraan toe in zijn Vlaams met Duits haar op, het deed hem wat denken aan waar hij vandaan kwam. En met mij erbij kon het niet anders dan nog schoner worden. Ik deed maar of ik dat laatste niet gehoord had, en of ik de blik in zijn ogen en de grijns rond zijn mond niet zag. Het is daar schoon, beaamde ik, maar het waait er ook heel hard. Hij begreep niet wat ik wilde zeggen. Met die gure wind die er nog steeds staat, doen we er alleen maar een fleuris op, zei ik. Dat begreep hij ook al nietmaar ik was niet van plan om het hem uit te leggen. Nu niet, zei ik daarom, nog steeds heel beleefd, koel en afstandelijk, misschien als het echt lente wordt. Hem zomaar afwimpelen durfde ik niet, zomaar toehappen ook niet. Zo simpel is het allemaal niet meer. Dat is goed, zei hij toen – teleurstelling die omslaat in hoop, het is zoiets zots om te zien. Want met een schone glimlach voegde hij eraan toe: Belofte maakt schuld, ik houd je eraan. Ik wilde nog protesteren, zeggen dat ik niks officieel beloofd had, maar hij had zich al omgedraaid en was de keuken uit voor ik er erg in had. En toen stond ik daar, met in mijn ene hand dat brood waarmee je een man kon doodslaan en in mijn andere hand die postkaart. En het enige waar ik aan kon denken was: een uitje naar de kreek in Kieldrecht begot. Waarom ook niet?

Cécile, 12 februari 1918

Ik leef vanachter het raam. Het is te zeggen: binnen de beslotenheid van ons huis doe ik iets wat lijkt op leven, maar het echte leven, dat speelt zich af op straat. Ik houd het allemaal in het oog: wie er voorbijkomt, wie met wie praat, hoelang het duurt voor iemand weer langs het raam passeert, wat die persoon bij zich heeft, wat voor kleren en schoeisel hij of zij draagt: een omgekeerde mantel of net wat bijeengeraapte vodden, klompen of schoenen met houten zolen – soms overtrokken met oud leer of stof, soms ook niet. Zo zag ik twee dagen geleden de jongemannen voorbijtrekken voor de verplichte aanmelding in het gemeentehuis. Ik zag hun bedrukte gezichten, de onrust in hun ogen en in hun lijf, hun moeders die achter hen aan stiefelden en die de schrik om het lot van hun zonen niet van hun gezicht konden houden. Enkele weken geleden zag ik dan weer iedereen langs komen zeulen met kolen – die werden verkocht in de Statiestraat. Met lege handen togen ze naar het dorp; dolgelukkig keerden ze naar huis terug met een handjevol zwarte brokken. En daarna zag ik zowat het hele dorp passeren met zijn koperen en bronzen moorkens, kandelaars, asbakken, weet ik veel. Die moesten ingeleverd worden in de gendarmerie in de Nieuwe Doelstraat. Grimmige gezichten hoorden daarbij, maar ook opvallend veel gezichten zonder uitdrukking. Tenzij onverschilligheid. Of is het verslagenheid? Als ik in de spiegel kijk, stel ik vast dat mijn gezicht ook geen uitdrukking meer heeft. Tenzij onverschilligheid. Of noem het verslagenheid. Wat maakt het uit? Het is wat het is, denk ik maar. Zo is het leven nu eenmaal.