Cécile, 19 juni 1917

Remi, waar ben je? Ben je overgeplaatst? Ben je nog op je boerderij? Laat me snel iets weten, want deze onzekerheid is een marteling. Het is het zoveelste bewijs dat ze nog erger zijn dan een zotte wind, die Duitsers; ze veranderen van gedachten van het ene moment op het andere. Wat vind je bijvoorbeeld hiervan: opeens is het verboden om Duitse soldaten boter en eieren te verkopen. Een landbouwer die weigert om die zaken te verkopen aan een mof, is dus opeens NIET meer strafbaar. Hij is strafbaar als hij wél boter en eieren verkoopt. Wie kan daar nu nog aan uit?! Het is een idee van de heer Mühler, die zo te zien Prasse vervangen heeft. Nog zo’n geniaal idee: persoonlijke bezittingen van gesneuvelde soldaten van het Duitsvijandelijke leger (het Belgische dus) moeten ingeleverd worden bij de Etappenkommandantur. Het gaat om medailles, soldatenboekjes, andere persoonlijke nalatenschappen, zaken die de achtergebleven familie net zoveel troost bieden. Gemeen, noem ik dat. Ook de boetes zijn hardvochtig: 3000 Mark en tot 3 maanden gevangenisstraf. Voor wat troost. Voor wat balsem op de wonde. En dan verschieten ze ervan dat we hen niet groeten met onze breedste glimlach als zij met hun laarzen voorbij komen dreunen. Mijn breedste glimlach bewaar ik voor jou, Remi. Voor het moment dat we elkaar weerzien. Door mijn tranen heen zal ik zo breed lachen als mijn mond me toestaat. Laat dat moment vlug aanbreken. Meer verlang ik niet.

Remi, 5 juni 1917

Mijn liefste Cécile,

heel erg bedankt voor het postpakket dat je me hebt gestuurd. Het is me in goede staat overhandigd en wat erin zit, zal zeker van pas komen. Alleen al de gedachte dat die worst en die pot gelei en dat hemd door jouw handen zijn aangeraakt, vervult me met een gevoel van geluk. Ik wou dat ik jou meer kon sturen dan een postkaart om je mijn dankbaarheid en mijn liefde te tonen.

Ik ben hier nu zo’n maand of vier en ondertussen ken ik al wat Duits. Zo heb ik kunnen opvangen dat ik waarschijnlijk niet zo heel erg lang meer op deze boerderij zal verblijven. Als ik het goed heb begrepen word ik binnenkort overgeplaatst. De boer maakte zich kwaad toen hij het nieuws vernam, maar of dat wat zal uithalen, valt te betwijfelen. En mij zullen ze ook niet om mijn mening vragen. Als het dus even duurt voor je weer van me hoort, wanhoop dan niet, mijn liefste, en denk niet meteen het ergste. Zodra ik meer weet, breng ik je op de hoogte. Nu moet ik je laten, maar niet zonder je eerst in gedachten omhelsd te hebben.

Remi

 

Cécile, 22 mei 1917

Liefste Remi,

de mooie meimaand is al flink gezet, maar vrolijk of zonnig voel ik me nog steeds niet. Ik mis je. Ik zou zo graag met je door het dorp wandelen, en de paden naar de velden inslaan. Ik zou je zo graag horen pochen over hoe schoon Hof ter Saksen er bij staat, en je ideeën aanhoren over hoe jij het zou aanpakken om het park er op zijn best te doen uitzien. Ik hoop dat je op die boerderij je hart kunt ophalen aan al wat de natuur aan moois te bieden heeft; hopelijk put je daar troost uit, want van de mensen moeten we niet veel meer verwachten. Ik vind het erg dat ik dat moet zeggen, en ik vind het ook erg dat ik het niet kan, troost putten uit het schoons dat er wel nog is. Komt het omdat jij niet bij me bent, of komt het omdat hier nooit iets verandert? Prasse, de Oberstleutnant en Kommandant van de Kommandantur van Lokeren, is als een donkere onweerswolk op een zonnige meidag. Hoe die zich weert! Nu was het weer omdat op verschillende affiches en bekendmakingen zijn naam doorgehaald wordt – best grappig eigenlijk, maar ons heertje is zo op zijn lange tenen getrapt dat hij “ook de betere elementen van de bevolking” op hun plicht wijst om te helpen om de dader(s) van zo’n schandalig gedrag op te sporen. Worden er geen daders gevonden, dan zal de hele gemeente gestraft worden. Ik ben al bang wat hij gaat verzinnen als hij te weten komt dat niet alle herbergen hun klok aangepast hebben aan het door hem opgelegde zomeruur. Dat is op 16 april ingegaan en zal duren tot 17 september, en alle openbare klokken, dus ook die in gemeentehuizen en op kerktorens en in herbergen, moeten het Duitse zomeruur aangeven. Ik hoef je niet te vertellen dat niet iedereen die regel volgt. Maar wat me misschien nog het droevigst van al stemt, is dat ook wij niet helemaal vrijuit gaan. Zo zijn er twee mannen veroordeeld – twee Belgen – die zogezegd volle melk leverden aan de melkerij; nu blijkt dat die melk vermengd was met magere melk en zelfs met water. Maar het kan ook erger: naar het schijnt zijn er die er niet voor terugdeinzen om kalk door water te mengen, zodat het melk lijkt. Als ik zoiets hoor, zie ik die arme doetjes hier in het dorp voor me, en hoe blij ze zijn als ik hen een beker melk aanreik. Soms moet ik me er echt toe forceren om in de mensheid te blijven geloven, Remi. Het helpt als ik dan aan jou denk. Houd je goed, daar ver van me vandaan. En vergeet me niet.

Altijd de jouwe,

Cécile

Daniël Frans Struyf, 10 mei 1917

Gasaanval

Rond 11 uur ’s avonds beginnen de Duitsers opnieuw het park, de steenweg en de spoorweg te beschieten, waardoor wij genoodzaakt zijn om een schuilplek op te zoeken. Het artillerievuur duurt deze keer niet te lang en na een half uur kunnen wij opnieuw de wacht optrekken. Mijn mannen gaan slapen en ik zet mij terug aan het graveren. Ik heb nog wachtdienst tot 3 uur en op die manier kan ik de tijd doden. Rond half twee ’s nachts hoor ik langs alle kanten de klaroenen blazen. Ik spring naar buiten om te zien wat er gebeurt. Het geschal van de trompetten luidt gasalarm. Die vuile Duitsers sturen ons stikgassen toe, de lafaards! In de tranchées vliegen de vuurpijlen heen en weer om het aankomende gevaar bekend te maken. Ik ga terug naar binnen om mijn gasmasker te halen en wek mijn slapende kameraden. Reeds op dat moment word ik de scherpe geur van het mosterdgas gewaar. Wanneer ik mijn masker weer even afzet, krijg ik brandende steken in mijn keel. Ik zet meteen mijn masker terug op en kom terug op adem. Gedurende meer dan een uur moeten wij ons masker ophouden. Daarna komt het sein dat we onze maskers mogen afzetten. Op het front zelf heeft het verstikkende mosterdgas verschrikkelijk werk aangericht. De ene na de andere soldaat wordt met auto’s van het Rode Kruis afgevoerd naar het veldhospitaal. Wat een gemeen wapen, dat stikgas.

 

De gasaanval op de Lovie (Nachten van Cortewalle 2015)

Een scène uit de Nachten van Cortewalle, 2015. Commandant Van Tilt (rol Hugo Piqueur) alarmeert de slapende kasteelbewoners. (Foto Gerry Smet)

Een scène uit de Nachten van Cortewalle, 2015. Eén van de dienstmeisjes (rol Greet Mathys) is onwel geworden door de gasaanval. (Foto Gerry Smet)

Gravin Maria, 25 april 1917

Mijn lieve René,

Duizendmaal dank voor je brief van 17 april die me heel veel plezier zou gedaan hebben, indien je niet vertrek had aangekondigd … Ik hoop in ieder geval dat de gebeurtenissen je snel naar onze buurt brengen.
Commandant van Tilt zal je een laisser passer bezorgen na 1 mei: er is een absoluut verbod afgekondigd om voor die datum doorgangsbewijzen uit te schrijven.
Afgelopen zondag hebben de gendarmes de bossen en de velden uitgekamd, of beter ze hadden opdracht gekregen ze uit te kammen, om iedereen aan te houden die zich op kleine wegen en wegels bevond … Desondanks hebben wij hopen Belgische soldaten gezien op weg naar Pop(eringe) … Belachelijk! Het is alsof men een heilige schrik heeft om in een gevecht betrokken te geraken…
Benoit heeft me een brief geschreven waarin hij vertelt dat hij geen toelating krijgt om naar Folkestone te vertrekken. Ik heb hem uitgenodigd om enkele dagen hierheen te komen. Me dunkt dat hem dat goed zal doen… tenminste als hij hier niet in een gasaanval terechtkomt zoals vorige zondag! Het hele huis stond in rep en roer. Gegil, gekrijs, heren die alarm sloegen … in nachtgewaad. Drie dienstmeisjes die nog in de keuken waren, zijn ernstig getroffen, met zwaar braken tot gevolg. Een van hen ligt nog steeds ziek te bed. Een twintigtal soldaten ligt in het ziekenhuis. De generaal is van plan iedereen een gasmasker te geven en zal demonstreren hoe we dat dienen te gebruiken. En dat is geen grap!
Zeg aan je vriend Mr. Van Pée dat het ons veel plezier heeft gedaan hem te ontmoeten: hij is zeer charmant. Wij bewaren de beste herinneringen aan hem.
Mijn lieve René, tot heel binnenkort hoop ik. Laat me je in afwachting omhelzen.

Je toegewijde tante Maria

P.S. De kleine François doet me heel erg lachen: hij wil absoluut een van mijn kleine zakdoekjes hebben. Op die manier heeft hij een aandenken aan mama wanneer ze naar de oorlog vertrekt! Wat denk jij van dat idee?

Remi, 17 april 1917

Mijn liefste Cécile,

ik kan je niet genoeg bedanken voor je postkaart met zoveel lieve groeten van jou en Marie. Je hebt er geen idee van hoe zo’n simpele kaart me de kracht geeft om door te zetten en van mijn tijd hier in Duitsland het beste te maken. Ook ik heb je een postkaart gestuurd, gisteren. Ik kon niet anders dan goed nieuws op de achterkant schrijven, omdat ik weet dat de censuur mee leest. Het gaat ook goed met me, gezien de omstandigheden, maar natuurlijk zou ik veel liever in Beveren zijn, bij jou. We moeten hard werken op de boerderij en daar zit ik niet mee, het geeft me minder gelegenheid om te piekeren. De boer en boerin zijn correct tegen ons. De boer heeft maar één arm – de andere heeft hij moeten achterlaten in een lazaret aan het front nabij Ieper. Ook hun zonen zijn aan het front, de ene in de streek rond Verdun, de andere in het grensgebied tussen Oostenrijk en Italië. Soms bekijkt de boerin ons met een blik alsof dat onze schuld is, maar meestal gaat ze ons uit de weg. Je zou er versteld van staan, Cécile, als je zag welk gebrek de Duitsers lijden. Ik heb het over de gewone mensen, de mensen zoals jij en ik, die deze oorlog ook niet willen. Ik denk dat ze het hier met nog minder moeten stellen dan jullie in bezet België; daar is het Komiteit actief en al die andere liefdadigheidsinstellingen. Hier niet. En ook hier eist het leger van alles op. Begrijp me niet verkeerd, Cécile, het is geen medelijden dat ik voel voor Duitsland. Maar gemakkelijk hebben zij het ook niet, dat is alles wat ik wil zeggen. En ook hier missen ze hun jongens en staan ze elke dag doodsangsten voor hen uit. De mannen die deze oorlog wel hebben gewild en nu van geen wijken willen weten, zullen heel wat uit te leggen hebben als dit allemaal achter de rug is. Maar hoor mij nu! In plaats van je te zeggen hoeveel ik van je hou, klets ik maar wat uit mijn nek. En deze brief zal je toch nooit lezen. Maar ik beloof je: zodra ik kan, stuur ik je een nieuwe kaart, mijn liefste. Vol ongeduld wacht ik ondertussen op nieuws van jou.

Daniël Frans Struyf, 10 april 1917

Bombardement

Het is vandaag zondag. Onze compagnie [die zich in Veurne bevindt] wordt bijgestaan door een strafcompagnie van veroordeelde soldaten die ons helpt om 15 wagons met stenen en hout te lossen. Iedereen werkt goed door zodat we tegen ‘s middags vrij hebben om een wandeling te maken. Rond 10 uur komen enkele Duitse vliegtuigen aangevlogen, een twaalftal geloof ik. De meeste arbeiders hebben de benen genomen en zijn naar hun schuilplaats gevlucht. Het geniepark is als een echte mierennest, vol beweging, wat natuurlijk de aandacht van de Duitse vliegeniers trekt. Een bom valt juist op een houten barak en de planken worden met een geweldige kracht weggeslagen. Gelukkig is de barak op het moment van de impact leeg en verlaten. Langs alle kanten lopen soldaten weg, twee of drie bommen ploffen neer. Nu moeten ook de moedigsten onder ons eraan geloven. Iedereen vlucht het park uit, behalve ik. Als korporaal van de wacht kan ik uiteraard niet aan mijn belangrijke plicht verzaken, dus zoek ik schutting en leg mij plat op mijn buik onder een wagon . Hier hou ik me meer dan een half uur verscholen. De vijandige vliegtuigen worden fel beschoten door onze artillerie en kiezen uiteindelijk het hazenpad. De dreiging is eindelijk voorbij.

Cécile, 3 april 1917

Mijn lieve Remi,

ik ben zo blij dat het goed met je gaat. Ik weet wel dat je niet kunt schrijven wat je echt wilt, maar ik dwing me ertoe om te geloven dat wat je op je postkaart schreef ook echt zo is. Zo houd ik deze ongerustheid vol, mijn liefste; maar ooit komt hier een einde aan, ook dat wil ik zo graag geloven. Ik heb je net nog een postkaart gestuurd, een officiële. Ik bedacht dat we een geheimtaal hadden moeten afspreken, zodat we vrijuit konden schrijven wat we wilden. Zo zou ik je verteld hebben dat onze nieuwe Oberstleutnant en Kommandant van de Kommandantur Lokeren, de zeer doorluchtige heer Prasse, bekend heeft gemaakt dat hij het nachtlawaai meer dan beu is. Volgens hem gedraagt een deel van de bevolking zich na zonsondergang bijzonder luidruchtig, en als dat roepen en schreeuwen zo blijft doorgaan, dreigt hij ermee te verordenen dat niemand zich nog na zeven uur ’s avonds buitenshuis mag begeven. Ook heeft hij beslist dat opgeëiste burgerarbeiders maar één postkaart per week mogen schrijven of ontvangen. Het moet een postkaart van tien centiem zijn. Het gemeentebestuur moet ze verzamelen en één keer per week doorsturen naar de Etappenkommandantur, die ze op haar beurt zal verzenden, als er een duidelijk adres bij staat. Dat ze de postkaarten eerst aandachtig zullen bestuderen voor ze die doorzenden, stond er niet bij die bekendmaking, maar dat is ook niet nodig, dat weet iedereen. En heb je al gehoord dat er tegenwoordig aan elk huis een lijst moet hangen met alle bewoners van het huis? Je ziet, Remi: ze hebben hun kuren nog niet verleerd. Ik hoop dat het in Duitsland anders is, en dat ze jou er goed behandelen. Kon ik maar naar je toe. Maar weet dat ik met elke kaart die ik stuur een stukje van mijn hart mee zend, Remi. Ook nu weer.

Je Cécile

E.H. De la Croix, 29 maart 1917

Mijn dierbaren,

Het nieuws dat na de vrijlating van onze geachte heer burgemeester Aloïs Boeye op de 6de februari laatstleden ook de heer burgemeester Joseph ’s Heeren van onze naburige parochie Melsele door de Duitse bezetter is vrijgelaten, heeft mij pas gisteren bereikt. De heer ’s Heeren zou al vrij zijn sinds eind februari, na twee maanden gevangenschap omdat hij niet in staat bleek de geëiste hoeveelheid aardappelen aan de vijand te leveren. Hij kreeg er nog een persoonlijke boete van 1.879 frank bovenop. Blijkbaar moet ook de gemeente Melsele zelf een boete ophoesten: 1.300 frank omwille van een breuk in de draden van de telefoonverbinding en een breuk in de ondergrondse elektrische leidingen. Ze zuigen ons uit, onze bezetters …

Wijds zicht op de Dorpsstraat in Melsele (thans Sint-Elisabethstraat). Verder links in de straat staat de herenwoning van Jozef s’Heeren, burgemeester van Melsele van 1908 tot 1923. De burgerwoning wordt gekenmerkt door een extra verdieping en een witte gevel. Vandaag is er een restaurant gevestigd, genaamd s’ Heerenhuis (Gemeentearchief Beveren)