Gravin Maria, 1 december 1916

Mijn lieve René,

Ik besef dat je lang op mijn antwoord hebt moeten wachten en wil me verontschuldigen dat ik je niet eerder heb geschreven! Je weet hoe mijn dagen gevuld zijn! Ze zijn veel te kort, als je het mij vraagt. En mijn correspondentie blijft heel omvangrijk!
Dank je wel voor alle nieuwtjes die je me hebt gestuurd. Je doet me daarmee een groot plezier.
Weet je al dat ik met Alix naar Lourdes ben geweest voor twaalf dagen? In oorlogstijd is het een lange en vermoeiende reis, maar ons verblijf daar heeft ons dat helemaal doen vergeten! Het weer was schitterend en een aantal dagen zelfs heet. De natuur zag er even frisgroen uit als in september. Ik heb veel troost en dankbaarheid gevonden in dat heilige oord, waar iedereen zo ingetogen en intensief bidt! Alle Belgische soldaten die daar vertoefden – en het waren er heel veel – maakten indruk met hun uniform en hun vroomheid. Het klopt wat ze zeggen: het zijn de besten die je daar aantreft.

Heb ik je al verteld dat we bezoek hebben gekregen van onze Koning? Hij heeft een volledige dag op de Lovie doorgebracht. Hij was ontzettend vriendelijk voor ons, interesseerde zich voor het leven hier, bedankte ons voor de gastvrijheid waarmee we hare majesteit de koningin hebben ontvangen en feliciteerde ons met onze moed. ‘Ik hoop’, zo voegde hij eraan toe, ‘dat u hier ook in de toekomst in alle veiligheid kunt verblijven’ en hij wenste ons en de kinderen alle geluk toe.
Toen hij het portret van je grootvader in het salon zag staan, sprak hij met zeer veel lof over hem en vertelde hij dat hij hem zeer goed had gekend.

Jij bent vast en zeker nog niet op de hoogte van het feit dat Raymond, Joseph en Gérard nu in het College van St-Bertin in St-Omer verblijven? Raymond doet de retorica en Joseph zit in de poësis. De school heeft veel leerlingen (375) en alle leerkrachten zijn zeer vriendelijk. Het instituut was gesloten sinds het begin van de oorlog, maar de bisschop heeft het in oktober opnieuw geopend. Van zodra ik hiervan op de hoogte was, heb ik hen ingeschreven. Versailles is ver en moeilijk bereikbaar als gevolg van alle problemen met de paspoorten. Ze voelen zich alle drie gelukkig in St-Bertin en hun leerkrachten zijn voorlopig zeer tevreden.
Bezorg je mij het adres van Benoit van zodra je dat te pakken krijgt? Ik zou hem graag uitnodigen om enkele dagen bij ons door te brengen.
Je oom en je neven en nichten laten me je groeten en ikzelf omhels je met al mijn liefde,

Tante Maria

Eerwaarde De la Croix, 28 november 1916

Het wegvoeren van jonge mannen blijft maar doorgaan. Officieel zegt de bezetter dat hij alleen werklozen wegbrengt om achter het front of in Duitsland te gaan werken, maar iedereen weet dat de lijn tussen werklozen en (tijdelijk) werkenden zeer dun is. Ook Kieldrecht ontsnapte de afgelopen weken niet aan de opeisingen van werklozen. Die werden naar Sint-Gillis getransporteerd om vandaar te vertrekken naar het Duitse front. Dat was teveel voor Kieldrecht! Een groot aantal jongelingen vertrok ’s nachts bij laag tij langs Doel en Ouden Doel via de Schelde en kwam – gelukkig! – in Holland aan. Ze vreesden noch het water, noch de kogel. In Nederland wilden ze het Belgisch leger vervoegen. Pas op maandagochtend ontdekten de Barbaren de vlucht. Uit Kieldrecht en Doel zijn alles samen wel 200 mannen gevlucht, zo vertelt men. Onmiddellijk moesten alle achtergebleven weerbare mannen voor het gemeentehuis verzamelen om naar Sint-Gillis te vertrekken. Een eerloze Duitse soldaat wandelde met een vriendelijke grijns op het gelaat langs de rijen: ‘Wees gerust, heb geen angst, ’t is alleen maar voor controle’. De bevolking van Kieldrecht was er getuige van hoe de jongens vertrokken, omringd door soldaten met geladen geweren. Voor zover ik heb vernomen, is nog niemand teruggekeerd.

Cécile, 21 november 1916

Dag Eléonore,

het spijt me, ik had in mijn vorige brief niet mogen uitvallen tegen jou en alle vluchtelingen in Engeland. Natuurlijk hebben jullie het ook niet gemakkelijk. Met verbazing las ik wat je schreef over al die Belgen die er in de oorlogsindustrie werken, ook vrouwen, om bommen en granaten te maken voor het Belgische leger, en hoe ze ziek en zelfs geel worden van de stoffen die gebruikt worden in die munitiefabrieken. Ook van dat Belgische dorp Elisabethville bij Birtley (Noord-Engeland) wist ik niks – daar wonen dus zo’n 7000 Belgen, zowel vluchtelingen als afgekeurde soldaten, in een aparte, houten barakkenstad, en zij werken er in een projectielenfabriek, opgericht door een Waalse industrieel. Dit vond ik wel wrang: de Belgische wetgeving is er van kracht en er wordt betaald met Belgisch geld – dat is heel wat meer dan wij kunnen zeggen! En jij gaat dus geregeld winkelen op Richmond Road, in de Londense wijk East Twickenham: daar staat het vol Belgische winkels. Ook al voor Belgen die werken in een munitiefabriek – hoe noemde je het, Pelabon Works? Ja, ik heb je brief goed bestudeerd, wat zou je willen. Het klinkt zo vrij allemaal; je hebt er echt geen idee van hoeveel geluk jullie in Engeland hebben. Je zou de taferelen moeten zien die zich hier afspelen als de Duitsers onze jongens en mannen oppakken en wegvoeren om voor hen te gaan werken – want daar zijn ze mee begonnen, je kunt het je niet voorstellen. Hopelijk laten ze Remi met rust, ik mag er niet aan denken…

Cécile

 

Gravin Maria, 14 november 1916

Mijn lieve René,

Heb jij ook een brief van tante Phina ontvangen? Ze schrijft me dat oom Charles de documenten voor het verlof van Benoit in Engeland heeft geregeld. Hij heeft haar een lange brief geschreven vanuit Eu, maar vermoedelijk is hij daar nu al vertrokken. Het is niet duidelijk wanneer hij in Folkestone zal arriveren.

In Folkestone is het verschrikkelijk slecht weer. De kinderen hebben er bijna allemaal griep. Niet te verwonderen, want er waart blijkbaar een echte epidemie door de stad.

Oom Charles heeft een positie gevonden bij het Belgisch Consulaat en is zeer tevreden. Om van tante Phina niet te spreken! Blijkbaar vertrekken dezer dagen veel Belgen uit Folkestone. De gemeenschap van uitwijkelingen krimpt er zienderogen.

Florimond smeedt plannen om zich volgende lente bij het leger te vervoegen. Raymond heeft ons verzekerd dat hij eerst zijn humaniora zal afwerken, wat hij ook naar Florimond heeft geschreven. Hij heeft de retorica achter de rug en wil nu in juli zijn baccalaureaat halen.

Ik ben gehaast, ik zal je volgende keer een langere brief schrijven.
Ik omhels je duizendmaal en stuur je kussen en groeten van je oom en alle kinderen.

Je liefhebbende
tante Maria

Remi, 7 november 1916

Het is waar, Stan. Ze roepen mannen op en verplichten hen om voor hen te werken.ca_object_representations_media_66726_lowresdownload Een paar weken geleden hing er een affiche uit, met een oproep voor alle onderstandstrekkers van Sint-Gillis, Vrasene, De Klinge, Meerdonk, Verrebroek en Kieldrecht om zich op 25 oktober om 11 u aan het station van Sint-Gillis-Waas aan te melden, klaar voor een “reis”. Ze zouden weggevoerd worden om voor de Duitsers aan de spoorwegen in het Etappengebied te gaan werken. Op die affiche stond dat een vrije arbeider 40 pfennig per uur zou gaan verdienen, een geschoolde ambachtsman 60 pfennig per uur. Per dag wordt er van hun loon wel 1,50 Mark afgetrokken voor hun eten: 250 gram vlees, 750 gram brood en groenten per dag. Voor een dak boven hun hoofd en een gevulde strozak wordt kosteloos gezorgd. Om de zoveel tijd mogen ze op zondag naar huis komen; ook die reis wordt betaald. Toch gul van de moffen, niet? Wie weigert te vertrekken, krijgt volgende straffen: 3 jaar gevangenis en tot 10.000 Mark boete.

Je kunt je de verbijstering voorstellen. En ook wat de gevolgen zijn. Ik moest meteen aan Fabrice denken; ik heb hem niet meer gezien. Het kan goed zijn dat hij bij de groep werkweigeraars zat die de volgende dag (de 26e) al opgepakt werd en onder gewapende escorte naar Sint-Gillis-Waas werd overgebracht. Ik zie hem nog niet zomaar vertrekken! Of misschien is hij net als veel anderen naar Holland gevlucht, via Doel en Ouden Doel.

Waar dit gaat eindigen, Stan? Ik weet het niet. Soms vrees ik dat dit alleen nog maar een begin is en dat ze binnenkort ook hier jongens en mannen komen opeisen.

En wat ze van plan zijn hier een eindje verderop, daar waar vroeger de Belgische linies lagen, weet ik ook al niet. Maar ook daar is iets op til, Stan. En veel goeds zal het wel niet zijn.

E.H. De la Croix, 31 oktober 1916

Wat er in de Duitsers gevaren is, ik weet het niet. Van overal bereiken me berichten over jonge mannen die worden opgepakt en weggevoerd naar Duitsland. Ze moeten er gedwongen gaan werken in de oorlogsindustrie. Kwatongen zeggen dat de bezetter daarmee één van zijn meest prangende problemen oplost: die weggevoerden kunnen het niet meer in hun hoofd halen om alsnog te proberen het Belgisch leger te bereiken om zich onder het commando te plaatsen van onze geliefde koning Albert.

In Vrasene is vorige week een eerste groep mannen weggebracht naar Sint-Gillis, blijkbaar met geweld en mishandelingen. Een jonge moeder, in verwachting van haar zevende kind, die zichzelf ineens helemaal alleen zag staan om voor haar kinderen de kost te winnen, ging in de trein wanhopig op zoek naar haar man. Haar herhaalde smeekbeden vielen bij de Duitsers in dovenmansoren. Toen de andere opgeëisten zich bij haar aansloten, liet een Duitse geneesheer zich vermurwen en stelde men de arme opgeëiste in vrijheid.

De bezetter heeft in Vrasene voortdurend werklieden opgevorderd om aan de versterkingen te werken, ze worden er gruwelijk gepijnigd en verplicht te werken tegen hun eigen landgenoten en broeders. Ik verneem dat verscheidene van hen op de vlucht slaan of zich proberen te verbergen, al is het maar om één dag te kunnen ontsnappen aan hun beulen.

Cécile, 24 oktober 1916

Dag Eléonore,

het is met jaloezie dat ik je brief gelezen heb. Wat een leven hebben jullie daar in Engeland als je dat vergelijkt met hoe wij hier elke dag moeten zien door te komen. Jullie gaan waar je wilt, doen wat je wilt, eten wat je wilt, denken en zeggen wat je wilt, lezen wat je wilt. En de Britse soldaten, die kunnen gewoon op verlof komen, of als ze gewond geraken, thuis gaan herstellen. Daar moeten onze jongens en mannen niet aan denken! Die kunnen zelfs geen brief sturen.

Maar goed, ik wil niet verbitterd doen. Als ik de kans had om in Engeland te verblijven, deed ik het ook. Maar ik geraak zelfs amper in Antwerpen. Gelukkig heb ik Remi. Wat een lieve jongen is dat toch.

Laatst vertelde hij me dat er hier wat verderop van alles aan de hand is. Het is te zeggen: al in juli eisten de Duitsers alle ongebruikte spoorwegstaven op en moesten de boeren hun prikkeldraad inleveren. Eén draad mochten ze houden om weiland met koeien af te rasteren. En nog in juli is Sint-Niklaas overgegaan van het Etappengebiet naar het Gouvernementsgebiet. Ook dat moet iets te betekenen hebben, volgens Remi. En al die opeisingen van werklozen ook. Maar wat precies is ons nog niet duidelijk. Jij daar, in Engeland, die kranten kunt lezen die niet gecontroleerd worden door de moffen, weet jij soms meer? Laat het me dan maar snel weten.

Je zus Cécile

E.H. De la Croix, 17 oktober 1916

Een bijzonder bericht is mij ter ore gekomen: naar het schijnt proberen hoe langer hoe meer Duitse soldaten de Nederlandse grens te overschrijden om zo aan het juk van hun eigen leger te ontsnappen. Het fort Sint-Marie te Kallo is bezet door de Duitse marine die toezicht uitoefent over de scheepvaart op de Schelde. Ergens vorige week is, naar men vertelt, in de vroege ochtend een sloepje met zeven Duitse matrozen van dit fort de Schelde afgevaren. Het vaartuig liep echter vast ter hoogte van Nieuw Namen, net voorbij de Nederlandse grens. Enkele boeren die hun akkers in de Hedwigepolder aan het bewerken waren, zagen het gebeuren en verwittigden de Nederlandse grenswachters. Die kwamen snel ter plaatse en haalden het sloepje naar de wal. De Duitse matrozen verklaarden uit koers te zijn geslagen door de mist. Toen zij echter de keuze kregen om ofwel terug te keren naar België ofwel geïnterneerd te worden in Nederland, kozen ze voor internering. Alleman is ervan overtuigd dat zij met opzet hun koers waren verloren. Wat denkt u ervan, waarde lezer?

Gravin Maria, 10 oktober 1916

Mijn lieve René

Ik ontving net een brief van tante Phina uit Folkestone. Ze heeft het erg druk waardoor ze haar correspondentie af en toe noodgedwongen verwaarloost. Ze stuurt me vooral nieuws over je verlof in Engeland. De hele familie was zo gelukkig omdat je vooraleer je naar Londen vertrok enkele dagen – veel te kort – bij hen hebt doorgebracht. Blijkbaar heb je in Londen verlenging van je verlof gekregen, zodat je er langer dan voorzien bent kunnen blijven. Je hebt je tijd er vast en zeker goed weten te gebruiken. Ben je ondertussen al terug in Auvours? Stiekem zijn we allebei gelukkig dat je deze maand nog niet naar het front kunt vertrekken. We hopen dat je nog een tijdje in Auvours zult moeten blijven. Egoïstisch van ons, dat is juist, want je zult je ongetwijfeld veel gelukkiger voelen aan het front. Maar wij vrezen voor je veiligheid daar, dat begrijp je wel.

Gérard is vorige week uit Folkestone vertrokken en is ondertussen weer thuis: hij was zo opgetogen ons terug te zien! Blijkbaar denken oom Charles en tante Phina er ernstig over na om naar de Lovie te komen. Ze zouden zonder veel moeilijkheden aan de nodige toelatingen kunnen geraken. Wat een vreugde zou dat zijn: elkaar terugzien na drie lange jaren van scheiding! In ieder geval zien ze er erg tegen op om een derde winter op vreemde grond door te brengen.

Tante Phina maakt zich ook zorgen over Benoit: hij laat niets van zich horen… Evenmin heeft ze nieuws uit het vaderland, het leven moet er zeer moeilijk zijn. Zelf probeer ik berichten te verzenden via tante Madeleine, misschien lukt dat wel.

Ik omhels je met al mijn liefde en stuur je eveneens vele zoenen van je oom en nichten en neven.

Je liefhebbende

Tante Maria