Cécile, 22 oktober 1918

“Tommy kommt”, zeggen ze, en ze maken dat ze wegkomen. Tommy zou Brugge al bevrijd hebben, en Gent. Kunnen we dat geloven? Er zijn redelijk wat luchtaanvallen, dat wel. En chaos is er ook. Af en aan lopen ze. Ze laden karren vol met huisraad en kleren, paperassen steken ze in brand. Je zou het Casino en de Kommandantur in de Zandstraat moeten zien, en Cortewalle – zwijnenstallen zijn het geworden, een echt schande is het. En ze proberen het nog wel, hoor, ons schrik aan te jagen. Ze hangen plakkaten uit met de waarschuwing dat wie met de Belgische vlag rondloopt zes maanden gevangenis riskeert en boetes tot 20 000 Mark. Maar niemand kijkt ernaar. Of is er nog van onder de indruk. Ze grommen nog, maar ze bijten niet meer. Daar hebben ze de kracht niet meer voor. Zelfs hun eigen manschappen gehoorzamen niet meer. Alle respect voor officiersinsignes en andere uiterlijke kenmerken van gezag is verdwenen.

‘Dit zint me niet’, zegt mama – het is een van de weinige dingen die ze nog zegt.

Waar is ze bang voor? Hebben we nog iets te verliezen? Alles wat waarde had in ons leven is verdwenen. Zelfs Jozef Van Hul, die zo getalenteerde jongeman die ik bij onze mentor Piet Staut heb mogen leren kennen – waar is die tijd gebleven? – komt nooit meer terug. Het stond in de krant, dat hij gesneuveld is bij Diksmuide, al een maand geleden ondertussen. Ik blijf er maar aan denken. Net als aan al de rest.

En toch zeg ik: ‘Het komt wel in orde, mama.’ En ik aai haar hand, haar hoofd, net alsof de rollen zijn omgedraaid en ik de moeder ben geworden en zij mijn kind.

Frans Struyf, 3 oktober 1918

Gedurende drie dagen blijven wij in onze trein logeren. Tijdens onze dienst komt een Duits vliegtuig, heimelijk onder een Franse vlag verdoken, één van onzer luchtballonnen uit het luchtruim schieten. De ballon vat vuur en onze observatie-soldaten zijn verplicht zich in alle haast uit de nacelle te werpen en zich met hun parachute zachtjes te laten neerdalen. Gelukkig is daar onze vliegheld [Willy] Coppens! Hij stijgt met zijn vliegtuig op en maakt jacht op de duitschen roofvolgel, welke hij weldra dodelijk gewond op de aarde doet neerpletsen. Dan vertrekt onze aas naar de Duitse linie en neemt weerwraak door twee, drie Duitse ballons te vernietigen. Triomfantelijk keert Coppens terug van zijn luchtgevecht.

Willy Coppens ) was de vliegenier met de meeste Belgische overwinningen op zijn naam. Zijn specialisatie lag in de vernietiging van vijandige observatieballonnen. Hij was dan ook zeer populair onder de gewone Belgische soldaten.

Jozef Van Hul (13 februari 1894 – 29 september 1918)

Komende zaterdag, 29 september, zal het honderd jaar geleden zijn dat Jozef Van Hul, een beloftevolle kunstenaar uit Melsele, sneuvelde aan het front tijdens het grote bevrijdingsoffensief van het Belgische, Britse en Franse leger (zomer/najaar 1918). Hij werd 24 jaar.

Jozef Van Hul werd geboren op 13 februari 1894 in Melsele. Hij was het eerste kind van Carolus Ludovicus Van Hul, eierkoopman, en Joanna de Coninck. Het jonge gezin woonde in de Grote Baan in Melsele; in oktober 1895 verhuisde de familie naar een nieuw gebouwd huis op de hoek van de huidige Farnèselaan en de Grote Baan.

School liep Jefke – zoals Jozef werd genoemd omdat hij nogal klein van gestalte was – bij de Broeders in Sint-Niklaas. Zijn vrije tijd bracht hij graag door bij Piet Staut, de kunstschilder en fotograaf uit Beveren, die ook schilder- en tekenlessen gaf. Hij maakte er niet alleen vrienden voor het leven – Louise Van Goey, de dochter van zijn overbuurman brouwer Louis Van Goey, en Theo Bogaerts uit Sint-Niklaas – maar vatte er ook het idee op om, net als zijn mentor en leraar, kunstschilder te worden.

In 1909 schreef Jozef zich in aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Samen met zijn vriend Theo Bogaerts spoorde hij dagelijks naar de Scheldestad. Hij was toen 15 jaar. Dat Jozef talent had, werd al snel duidelijk. Vanaf zijn eerste jaar behaalde hij meerdere eerste prijzen, en ook bij zijn afstuderen in 1914 kreeg hij een eerste prijs voor zijn stillevens.

Of hij aanwezig was bij de prijsuitreiking op 12 juli 1914 valt te betwijfelen. Op 16 mei was Jozef opgeroepen voor zijn legerdienst; hij moest zich melden in Sint-Niklaas voor een medisch onderzoek. Hij werd geschikt bevonden en op 3 juli 1914 werd hij ingedeeld bij het 13e Linieregiment.

Op 4 augustus 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit. Eind augustus werden Jozef en zijn regiment naar het frontgebied gestuurd. Op 14 oktober hergroepeerde het leger zich in de Westhoek.

Aan het front bleef Jozef tekenen en schilderen in zijn vrije momenten. Aan teken- en schildergerief geraakte hij via Louise Van Goey, die ondertussen getrouwd was met Eduard Hernould en tijdens de oorlog in Engeland verbleef (Ealing, Londen). Zij stuurde hem regelmatig spullen op. Zo kon hij deelnemen aan de tentoonstelling Kunst op den IJzer, die op 1 september openging in Nieuwpoort. Jozef viel er op met zijn “hoekige, karaktervolle koppen” in houtskool en zijn aquarellen vol kleur. Een uitloper van deze tentoonstelling was de kunstenaarskring Kunst aan den IJzer, die werd opgericht in oktober 1916 door o.a. Maria Elisabeth Belpaire en Louisa Duyckers. Jozef trad toe tot deze vereniging. In 1917 volgden twee nieuwe tentoonstellingen, eerst in De Panne, later dat jaar in Le Havre.

In het voorjaar van 1918 werd Jozef ziek. Hij werd opgenomen in het ziekenhuis met een zware bronchitis, eerst in Calais, later in Angerville. Van eind april tot eind mei verbleef hij met ziekteverlof in Epernay-sur-Marne om te herstellen van zijn ziekte. Daardoor kon hij niet persoonlijk aanwezig zijn op een nieuwe tentoonstelling, die van 27 april tot eind mei liep in De Panne, en waar hij een viertal schetsen in olieverf voor had ingestuurd. Met de verkoop van die werken wilde hij nieuw teken- en schildermateriaal aanschaffen; blijkbaar verliep de toevoer uit Engeland moeilijker of was die helemaal stilgevallen.

In de zomer van 1918 was Jozef terug aan het front. Het Belgische, Britse en Franse leger begonnen toen aan een tweede groot, gezamenlijk offensief om de Duitse linies te doorbreken. Op 28 september 1918 vertrok Jozef met een zending naar een vooruitgeschoven post. Hij zou er nooit van terugkeren. Er wordt aangenomen dat hij sneuvelde aan het Blankaartsmeer in Diksmuide op 29 september 1918, nu zaterdag dus honderd jaar geleden.

Op woensdag 12 maart 1919 werd in Melsele een lijkdienst voor Jozef gehouden. In 2000 besliste de Plaatselijke Cultuurraad van Melsele om een straat naar hem te vernoemen. De Jozef Van Hulstraat is een zijstraat van de Kalishoekstraat. Onlangs nog stond hij op de longlist om verkozen te worden tot Beverse erfgoedheld. Zo zal zijn naam blijven voortleven in ons geheugen.

(gebaseerd op het artikel Jozef Van Hul (1894-1918), kunstschilder, gestorven voor het vaderland van Freddy Buys, eerder verschenen in het Land van Beveren, jaargang 46, 2003)

Remi, 10 september 1918

Marie kwam weer met nieuws aanzetten. Ergens tussen Vrasene, Meerdonk en Sint-Gillis-Waas zou een Duitse spion of veldwachter vermoord zijn. Een aantal gijzelaars wordt voor een dag of tien gevangengezet in Sint-Gillis, tot de dader gevonden is. Ik vond het maar een raar verhaal, om eerlijk te zijn. En ook Marie gaf toe dat het allemaal nogal warrig was.
Maar dit wist ze heel zeker: de geallieerden zijn een tegenaanval begonnen aan het IJzerfront en behalen succes na succes. En dat zou wel eens waar kunnen zijn. Normaal gezien gaan volgende week de scholen weer open, maar er wordt gefluisterd dat ze nog iets langer gesloten zullen blijven om ingericht te worden als noodhospitalen om de gewonden van het front op te vangen. Duitse gewonden dus. En de verse Duitse troepen die westwaarts trekken – en dat zijn er best wel wat de laatste tijd – zien er allesbehalve gelukkig en goedgemoed uit als ze hier ’s avonds toekomen en ’s morgens weer vertrekken. Het is eerder of ze naar de slachtbank gevoerd worden; die indruk wekken ze.
Zouden dit dan echt de laatste stuiptrekkingen zijn? Het is nog te vroeg om al te juichen. Het tij kan snel keren. En ook laatste stuiptrekkingen kunnen lang duren en pijnlijk zijn.

Cécile, 3 september 1918

Wie hier aan de deur stond? Remi. Met een boeketje brandnetels. ‘Daar kun je lekkere soep van maken’, zei hij. ‘Of thee van trekken. Dat sterkt aan.’ En wat deed ik? Ik nam ze aan, prikte me en begon te huilen. Als een kleuter. Om de brandnetels. Omdat je daar van aansterkt. Omdat ze prikken en omdat dat zo jeukt. Omdat Remi daar stond. Ik lachte door mijn tranen heen; tenminste, dat probeerde ik. ‘Wij hebben er genoeg’, zei hij. ‘En ik dacht…’ Dat wij er geen hadden? Onze tuin staat er vol mee! Dat wilde ik uitroepen, maar ik deed het niet. Natuurlijk niet. Ik was zo blij. Maar ook dat zei ik niet. Kon ik niet. Met al die tranen. Ook al voelde ik zo’n drang opkomen om te lachen. ‘Ik ben ziek geweest’, zei ik zonder dat hij daarnaar had gevraagd. ‘Maar ik kom er wel bovenop. Dank je wel.’ En mijn dankjewel was gemeend. Dat ik niet vroeg hoe het met hem ging, kwam omdat ik daar de kans niet toe kreeg. Hij werd van het voetpad afgelopen door een voorbijtrekkende patrouille en ik smeet vlug de deur dicht. Dat gestamp met die laarzen, ik krijg het er altijd zo koud van. En toen ze voorbij waren en ik de deur weer opendeed, was Remi niet meer te zien.

Het is trouwens maar een boeltje daarbuiten. Die patrouille waar ik het net over had, dat is maar een uitzondering. Het merendeel van de tijd lijkt het of er geen orde meer is. Of elke vorm van discipline opgelost lijkt te zijn. Duitse soldaten die niet meer van het voetpad afgaan als er een officier voorbijkomt, die niet meer groeten of salueren, of bevelen gewoon in de wind slaan. En die officieren dan maar van hun tak maken. Het haalt niks uit. Ik zie het gebeuren vanachter mijn raam. Het speelt zich gewoon af hier op de stoep. Wat dat gaat brengen weet ik niet. Maar lang kan het zo niet voortduren.

Cécile, 27 augustus 1918

Ik weet nu ook wat het is. De Spaanse. Braken, hoesten, hoge koorts, pijn over je hele lichaam. Het overviel me zomaar. Alsof ze met een hamer op mijn kop sloegen. Het ene moment trek ik netels uit in de tuin, het andere moment hang ik als een uitgewrongen theedoek over het tuinhekje. Je had mama moeten zien toen ze me daar zag hangen. Ze was in alle staten. Ik was nog zo bang geweest voor haar, dat zij ziek zou worden, maar nee, zij was het die mij naar bed moest brengen en me dagenlang moest verzorgen. Veel weet ik er nochtans niet van. Ze was er, dat weet ik. Naast al dat andere. Een dag of vier heeft het geduurd, toen kon ik opeens mijn hoofd weer oprichten. Huilen dat mama deed. Was ik gestorven, ze had niet harder kunnen huilen, geloof ik. En toen ging het elke dag wat beter. Kalmpjes aan. Nog steeds. Waarom zou ik me ook haasten? Waarvoor? Het is niet zo dat er een leven op me wacht. Dus kalmpjes aan. Zo houden we het al vier jaar vol.

Remi, 20 augustus 1918

De vader van Cécile is gestorven. Een paar weken geleden al; ik ben naar de begrafenis geweest. Ik heb Cécile daar gezien. Ik heb haar niet gesproken of de hand geschud, dat niet. Maar ik heb wel de hele tijd naar haar gekeken. En nu kan ik het beeld van Cécile in die zwarte kleren en met dat ingevallen gezicht en haar trieste ogen niet van me afzetten. Ze zag er zo verloren uit. Ik had zo’n zin om mijn arm rond haar schouders te slaan en haar te zeggen: kop op, we moeten voort, ze mogen ons niet klein krijgen. Maar op zo’n moment, als je je vader begraaft, zijn dat holle woorden natuurlijk. Maar zijn ze dat nu ook nog? Zouden ze nu wel op een geschikt moment komen? Hoe kom ik dat te weten? Ze laat zich niet zien. Hoe dikwijls ik ook voorbij haar huis loop, ik zie haar nooit. Haar moeder ook niet. Het lijkt wel of die twee zich opsluiten achter hun gevel. Ik begrijp dat wel, maar toch. Ik zou haar zo graag nog eens spreken. Gewoon in het voorbijgaan, een korte groet, hoe gaat het met je, en dan zien hoe ze reageert. Zou ze wel gezien hebben dat ik op de begrafenis was? Misschien moet ik een van deze dagen toch gewoon eens aanbellen. Net als vroeger, voor dit alles begon, een boeketje bloemen afgeven. Of nee, gewoon iets praktisch; er groeien allang geen bloemen meer in mijn hof. Ja, misschien doe ik dat wel. Misschien.

Frans Struyf, 10 augustus 1918

Bijna elke nacht zien wij recht voor ons de Kemmelberg in vuur en vlam staan. Op een avond, wij willen net onze soep drinken, worden wij weer duchtig gebombardeerd door het geschut met brandende obussen. Een obus valt op de koer van ons kantonnement en we zijn verplicht om het bos in te vluchten. Het is al laat want het bos is pikdonker. Daar zijn de vliegers weer, klaar om aan te vallen. Door de duisternis kunnen we het gevaar moeilijk oriënteren. Een bom valt, en het bos licht op als een kerstboom. Een tweede en derde bom volgen snel en verblinden ons. Waar wij ook vluchten, we zien geen steek voor onze voeten. Mijn arme makkers vluchten langs alle kanten. Een vierde bom valt. Al kruipend maak ik mij uit de voeten. Ik moet al ver zijn geraakt, mijn knieën doen pijn van het stoten tegen stenen en wortels. Op de blinde tast leg ik mijn rechterhand op het ijskoude gelaat van een dode strijdmakker, terwijl ik mijn linker vast klauw in een boel van slijm en vet, waarschijnlijk de ingewanden van een daar liggend lijk. Meer dood dan levend, verander ik van richting en kruis mijn handen af aan het gras. Nauwelijks enige meters verder gekropen viel ik plots in een diepe put ol water.  Ik durfde mij niet meer bewegen en bleef meer dan een uur geruisloos zitten, met het water tot aan de knieën, wachtend tot de laatste Duitse vliegtuigen verdwenen. Ik doe mijn ogen dicht en al wenend denk ik aan mijn vrouw en kinderen. Oef! Eindelijk, geen geluid meer. Ik steek opgelucht een lucifer aan en stel vast dat ik in een loopgraaf ben terechtgekomen. Deze verdedigingsgracht loopt al kronkelend door het bos. Ik volg de loopgraaf, niet wetende waar ik mij juist bevind. Ik besluit dus maar om in de loopgracht te blijven tot het aanbreken van een nieuwe ochtend. Ik wring de pijpen van mijn broek uit en zet mij goed en veilig, wachtend tot de ochtend komt. Eens ochtend, zet ik mijn tocht verder. Om 6 uur hoor ik in de verte een klaroen blazen. Aan het geluid hoor ik dat een Belgische soldaat het muziekstuk bespeelt. Ik spoed me dus nog wat meer. Na een tijdje zie ik voor mij een verharde weg oprijzen en niet veel later bereik ik opnieuw mijn standplaats. Ik trek nieuwe kleren aan en doe me tegoed aan een warme tas koffie terwijl mijn makkers vrolijk lachen wanneer ik hen mijn nachtelijk avontuur toevertrouw.

Cécile, 30 juli 1918

Hier zitten we dan. Mama en ik. Alleen. Gisteren hebben we papa begraven. Het was een sobere plechtigheid. Weinig volk ook. Remi, die was er. Ergens achteraan volgde hij de dienst, maar hij is ons niet persoonlijk komen condoleren. Het geeft niet. Ik apprecieer het echt dat hij de moeite deed om er te zijn. Je moet niet te veel vragen van de mensen.

Hoe het is gebeurd? De Spaanse griep, waarschijnlijk. Hij was sowieso sterk verzwakt door iets verkeerd te eten, dat is zeker. En dan ben je natuurlijk vatbaar voor van alles. Overal had hij pijn. Zijn hoofd, zijn borst, zijn hals, zijn buik, zijn benen – alles deed pijn. En die koorts… Tot 40° ging hij. Hij was niet de enige. Overal vielen mensen ziek, met bosjes gingen ze neer, de scholen sloten zelfs. Maar de meesten waren er vanaf na een dag of drie. Papa niet. Hij kreeg er een longontsteking bovenop. En daar herstelde hij niet meer van. ‘De Spaanse,’ zeggen de mensen. Ik zou het eerder de Duivelse noemen.

Nu maar hopen dat mama, die hem de hele tijd verzorgd heeft, het niet krijgt. Of ik heb straks helemaal niemand meer.

Remi, 16 juli 1918

Wat er daarnet op mijn hoofd viel! Een portret van de koning en de koningin! Niet één portret, maar tientallen. Het regende Alberts en Elizabethen. Om ons te herinneren aan de nationale feestdag die eraan komt natuurlijk. De kinderen waren door het dolle heen. Zoiets fleurt een dag toch op, nietwaar. En daarvoor doen ze het natuurlijk. Het gebeurt de laatste tijd wel meer. Dan komt er zo’n vliegmachine over het dorp – Britten, altijd Britten – en dan dwarrelt er van alles naar beneden. Een portret, of een pamflet. En dan voel je je hart toch wel even opspringen. ‘Ze denken aan ons’, gaat er dan door je heen. ‘Ze zijn ons niet vergeten.’ En dan kun je er weer even tegen.

Het geeft niet dat zo’n portret of pamflet in Duitse handen valt. Niet echt. Ze weten toch dat het gebeurt. En wat kunnen ze er nog tegen beginnen als het al door de lucht zweeft of op de grond ligt? Niet veel, hè. En daarbij: het is niet meer wat het geweest is. Dit verhaal hoorde ik gisteren vertellen – of het waar is, weet ik niet, maar het zou best kunnen: er kwamen gendarmen aan een huis om het te doorzoeken; de inwoners zouden iets van koper achtergehouden hebben. Maar de twee soldaten, die daar ingekwartierd waren, beletten de gendarmen om hun werk te doen. Zonder een vinger uit te kunnen steken moesten de gendarmen uiteindelijk afdruipen. Zo zie je maar. Ook de Duitsers zijn het beu. De gewone soldaten dan toch. Die willen na vier jaar ook naar huis. Die willen ook weer een gewoon leven. Wie wil dat nu niet? De Kaiser misschien. Maar die telt hier niet meer mee, wat denkt hij wel!