E.H. De la Croix, 29 maart 1917

Mijn dierbaren,

Het nieuws dat na de vrijlating van onze geachte heer burgemeester Aloïs Boeye op de 6de februari laatstleden ook de heer burgemeester Joseph ’s Heeren van onze naburige parochie Melsele door de Duitse bezetter is vrijgelaten, heeft mij pas gisteren bereikt. De heer ’s Heeren zou al vrij zijn sinds eind februari, na twee maanden gevangenschap omdat hij niet in staat bleek de geëiste hoeveelheid aardappelen aan de vijand te leveren. Hij kreeg er nog een persoonlijke boete van 1.879 frank bovenop. Blijkbaar moet ook de gemeente Melsele zelf een boete ophoesten: 1.300 frank omwille van een breuk in de draden van de telefoonverbinding en een breuk in de ondergrondse elektrische leidingen. Ze zuigen ons uit, onze bezetters …

Wijds zicht op de Dorpsstraat in Melsele (thans Sint-Elisabethstraat). Verder links in de straat staat de herenwoning van Jozef s’Heeren, burgemeester van Melsele van 1908 tot 1923. De burgerwoning wordt gekenmerkt door een extra verdieping en een witte gevel. Vandaag is er een restaurant gevestigd, genaamd s’ Heerenhuis (Gemeentearchief Beveren)

gravin Maria – 21 maart 1917

 

Mijn lieve René,

Duizend maal dank voor je lange brief van 1 maart die ik niet eerder heb kunnen beantwoorden omwille van de voorbereidingen van het feest van de heilige Jozef.Dit jaar heb ik de hele organisatie op mij moeten nemen. Mijnheer Simons is hier niet langer om me te helpen. Enfin, het belangrijkste is dat ondanks alles, het feest goed is verlopen en dat je oom tevreden was.

Om een pakje naar ons te versturen, gebruik je bij voorkeur het adres van de chauffeur van de Eerwaarde Deken van Ieper, die hier heel dichtbij woont. Hier heb je zijn adres:

Mr. Remi Halsberghe
militair chauffeur van Mgr. Debrousser
Vogeltje – Poperinge

Volgens mij zal je pakje op deze manier ongehinderd kunnen arriveren en de jonge man in kwestie zal het zonder verwijl bij ons komen afleveren.

Benoit heeft ons een kort briefje gestuurd uit het ziekenhuis van Eu, maar ook daarop heb ik nog niet kunnen antwoorden; de arme jongen heeft het wel erg zwaar te verduren gehad onder die zware weefselontsteking!
Je foto en je brief zijn al geruime tijd naar België vertrokken, maar ik heb van tante Marie-Thérèse nog geen reactie ontvangen – uiteraard in de veronderstelling dat onze vermaledijde brieven niet getorpedeerd zijn!
Tante Phina heeft je ongetwijfeld op de hoogte gebracht van de geboorte van haar zevende zoon? We zijn gelukkig dat het zo goed gaat met haar, evenals met de kleine Emmanuel.

Ik houd ermee op, mijn lieve René. In afwachting van je nabije komst omhels ik je met heel mijn hart.

Je tante Maria – met veel haast –

Remi, 13 maart 1917

Dag Cécile,

ik wil je even laten weten dat ik niet langer in dat kamp ben waar ik je in mijn vorige brief over geschreven heb – ik hoop dat je die brief gekregen hebt. Ik ben overgeplaatst en ben, samen met een andere jongen van mijn leeftijd, toegewezen aan een boerderij. Al met al is dat een geluk, denk ik; ik had het heel wat erger kunnen treffen. Het ziet er hier goed uit en de boer en de boerin lijken op het eerste gezicht mee te vallen. Toen we hier toekwamen, een uur geleden, kregen we meteen een stuk brood en wat soep. Waterige soep, dat wel, maar het is beter dan niks. Nu hebben we een half uur om ons te installeren op onze kamer – een stuk van de hooizolder; straks beginnen we te werken. Ook Ward lijkt mee te vallen – dat is de jongen die samen met mij naar hier gekomen is; ik hoop dat we vrienden kunnen worden. Ik moet afsluiten nu, Cécile, maar ik beloof je dat ik je zal schrijven zo vaak als ik kan. Als jij mij zou willen schrijven: het adres staat op de achterkant. Het zou me heel blij maken nieuws van je te ontvangen, meer dan je je kunt inbeelden.

Je trouwe vriend Remi

Cécile, 6 maart 1917

Mijn lieve, lieve Remi,

tegen beter weten in schrijf ik je deze brief. Hij zal je nooit bereiken; ik heb immers geen adres om hem naar toe te sturen. Als bij wonder heb ik jouw brief wél ontvangen. Gisterenavond; opeens lag hij onder de deurmat. Je hebt geen idee hoe ik heb zitten huilen, de hele avond lang, en deze ochtend samen met Marie. Sinds je weg bent, ga ik dagelijks bij haar langs. Ze is altijd zo vriendelijk, en wat kan ze me goed opbeuren, al knijpt haar maag ook samen als ze aan jou denkt. We zouden er alles voor geven om te weten hoe het nu met je gaat en waar je bent. Laat je ons zo snel mogelijk je verblijfplaats weten, dan kunnen we je pakketten opsturen, dat mag, daar hebben we al naar geïnformeerd. Je ziet, we zijn je niet vergeten, Remi, en dat zullen we niet gauw doen ook. Nu je er niet meer bent, ben ik pas echt gaan beseffen wat ik voor je voel. Ik zie je graag, Remi. En Marie ook, op haar manier. Daarom laten we je niet aan je lot over, denk dat maar niet. Alles wat in ons bereik ligt, zullen we doen voor jou. En jij moet sterk zijn, en de moed niet laten zakken. Doe het voor ons, maar ook en vooral voor jezelf. En kom dan alsjeblieft heel gauw, maar vooral gezond en wel, bij me terug.

Je Cécile

Gravin Maria, 20 februari 1917

Mijn lieve René

Gisteren ontving ik een brief van tante Phina uit Folkestone en aangezien ik verwacht dat jij zeer binnenkort het kamp verlaat om naar Criel te vertrekken, breng ik je nog snel op de hoogte van de laatste nieuwsjes uit Engeland. Voor zover ze die niet zelf heeft geschreven, uiteraard.
Je lieve broer Ben ligt in het ziekenhuis van Eu, al sinds 5 februari. Ben jij hiervan op de hoogte? Hij is geopereerd, maar het is onduidelijk waaraan. Tante Phina en ikzelf maken ons zorgen over zijn toestand, hoewel hij nergens over klaagt. Hopelijk herstelt hij snel, en gunt de legerleiding hem daarvoor voldoende tijd. Als hij zin heeft, mag hij zowel hier, in de Lovie, als in Folkestone bij tante Phina komen herstellen.
Florimond wil nog steeds naar het front vertrekken in het voorjaar, maar zijn vader heeft nog geen beslissing genomen. Bij ons lijkt het er op dat Raymond toch eerst zijn humaniora wil afwerken. Laat ons hopen!
Tante Phina heeft in Folkestone twee maal bezoek gekregen van vader Dierickx van Scheut. Ze heeft zelfs aangeboden hem te assisteren bij een retraite voor dames.

Zo, hiermee ben je weer bijgepraat. Breng je me op de hoogte wanneer je meer informatie hebt over de toestand van Benoit?
Lieve René, de hele familie bidt voor je veiligheid en die van Benoit. Ik omhels je duizendmaal, en je krijgt evenveel zoenen van je oom en neven en nichten.

Veel liefs
tante Maria

Remi, 13 februari 1917

Liefste Cécile,

uit de grond van mijn hart hoop ik dat deze brief je bereikt, al besef ik dat de kans daarop eerder klein is. Ik schrijf het, omringd door ik weet niet hoeveel andere mannen en jongens, in een kamp ergens in Duitsland. Ze hebben me opgepakt, Cécile. Hoe ik ook protesteerde en volhield dat ik als knecht werkte voor je oom Henri, het bracht niks op. Ze luisterden niet eens. Ze stampten ons gewoon in een ijskoude veewagon en daar gingen we. Drie dagen en nachten duurde de treinreis. Onderweg stopten ze ons af en toe iets te eten of te drinken toe, maar voor de rest was het behelpen. We hadden geen emmer voor onze behoeften, geen stro om op te slapen, niks om ons te verwarmen. Je kunt je voorstellen hoe sommigen eraan toe waren toen we eindelijk uit die wagon mochten. Over mij moet je je geen zorgen maken; ik kan tegen een stootje en de gedachte aan jou houdt me overeind. Waar ik ben, weet ik niet. Ergens in Duitsland, ja. Ik hoor zeggen dat ze ons gaan sorteren en dat we dan verspreid gaan worden. Gelukkig kan ik van een van de mannen hier een velletje papier en een stompje potlood gebruiken. Er wordt gezegd dat ze onze brieven zullen versturen. Ik hoop het maar, Cécile. Hopelijk bereiken deze woorden jou in Beveren, waar mijn hart is achtergebleven.

Jouw Remi

E.H. De la Croix, 9 februari 1917

Waarde lezers,
De prille dag heeft – eindelijk – goed nieuws gebracht en misschien wel een sprankeltje hoop: onze geachte burgemeester, die enkele dagen geleden door de Duitsers in Sint-Niklaas was gevangen gezet, is weer op vrije voeten. Hij is gisteren gezond en wel teruggekeerd naar Haasdonk. Voorwaardelijk, wel te verstaan. Hij dient nog te verschijnen voor de Duitse militaire rechtbank in Antwerpen. Laat ons bidden dat hij daar geheel en al zal worden vrijgesproken. Ik houd u op de hoogte.

 

E.H. De la Croix, 5 februari 1917

Dierbare lezers,

Gisteren, zondag 4 februari, werd onze achtbare burgemeester de heer Aloïs Boey, door de Duitsers opgepakt in Haasdonk. Ze hebben hem weggevoerd hem naar Sint-Niklaas, waar hij werd opgesloten in de gevangenis. De reden, vraagt u me? Daarover bestaat niet de minste twijfel: zijn vaderlandsliefde.

Eens te meer zijn mijn parochianen in shock…

Cécile, 30 januari 1917

Eléonore,

ik ben bang. Voor Remi. Het was al enkele dagen geleden dat ik hem nog had gezien of gehoord, en daarom ben ik vanochtend naar Marie gegaan. Eerst durfde ik niet goed; ik weet dat hij betrokken is bij brievensmokkel en ik wilde niks in de war sturen of hem door mijn vragen in gevaar brengen. Maar van die onzekerheid kneep mijn hart zo samen. Was hij opgepakt omwille van die smokkel? Was hij ondergedoken? Of was hij net als zoveel andere jonge mannen zonder pardon de trein opgezet en weggevoerd om voor de Duitsers te gaan werken? Maar hij had toch werk? Om van die onzekerheid af te geraken ben ik dus naar Marie gegaan. En zij vertelde het me: Remi is opgepakt en weggevoerd. “Maar hij had toch werk?” riep ik uit. Ook hij was er gerust in toen ze hem opriepen, zei Marie. Maar na de verplichte aanmelding is hij niet naar huis gekomen. Nonkel Henri is naar hem gaan informeren bij de moffen, maar die stuurden hem wandelen. Ondertussen zijn er drie dagen voorbijgegaan en in al die tijd heeft niemand ook maar iets van hem gehoord. Waar is hij toch? En hoe is hij eraan toe? Wanneer zie ik hem terug? Zie ik hem ooit terug? Liet hij maar iets weten! Nu pas besef ik wat families met een soldaat aan het front moeten doormaken. Aan niks anders kan ik nog denken, alleen aan hem. Het maakt de vreselijke kou deze winter nog eens zoveel kouder. Eén klein teken van leven, meer wens ik mezelf niet toe op dit ogenblik. Maar laat dat dan in godsnaam vlug gebeuren, voor ook mijn hart helemaal verkilt.

Cécile

E.H. De la Croix, 23 januari 1917

Nu heeft ook de gemeente Vrasene een geldboete opgelegd gekregen van de Duitsers. Meer zelfs, de gemeente heeft er twee gekregen. Maar liefst 6.500 mark omdat niet alle opgeëiste jonge mannen zich hebben aangemeld – en naar men vermoed gevlucht zijn. De tweede boete bedraagt 4.000 mark, opgelegd omdat de telefoondraden op het grondgebied van Vrasene zijn weggehaald. Het gerucht loopt echter dat de Duitsers ze zelf hebben doorgesneden: daar zouden ooggetuigen van zijn. Hoe meer sabotagedaden ze in de schoenen van de gewone burger kunnen schuiven, hoe meer huiszoekingen ze kunnen doen en hoe meer geldboetes ze kunnen opleggen. Daar zit een plan achter, wat denkt u daarvan?
Ondertussen maken ze het de gewone burger bijna onmogelijk nog te communiceren met de buitenwereld: wie een briefkaart wil versturen, mag er niet meer dan 10 regels op schrijven. Een brief mag hoogstens vier blaadjes bevatten, op elk blad mogen niet meer dan 10 regels geschreven staan. Een dringende brief moet in telegramstijl opgesteld zijn. Brieven met dubbele omslagen zijn verboden evenals dicht gekleefde omslagen. Wie deze richtlijnen overtreedt, mag geen brieven meer versturen noch ontvangen. Maar wees gerust waarde lezer, mijn informatie komt niet tot bij mij in geschreven vorm. Hoe dat verloopt, kan ik u echter nog niet vertellen. Later misschien, als die Duitsers eindelijk verslagen zullen zijn en ons dierbaar vaderland weer vrij!