E.H. De la Croix, 22 augustus 1916

Mijn parochie zindert van verontwaardiging. Leo Elewaut, een vaderlandslievende jongeman uit een gerespecteerde familie van alhier, is drie dagen geleden omwille van zijn overtuiging en zijn liefde voor onze koning en ons land, naar Duitsland weggevoerd. Hij is de zoon van de betreurde Theofiel Elewaut, onze plaatselijke geneesheer die in de eerste maanden van deze vermaledijde oorlog zijn echtgenote volgde tot bij Onze Lieve Heer. Leo is de jongste zoon van het gezin, werkelijk een voorbeeldige student. Al mijn parochianen bidden voor zijn veilige terugkeer. Wie weet wanneer en in welke gezondheidstoestand we hem hier in Haasdonk zullen terugzien. Zullen we hem ooit nog terugzien?

Cécile, 15 augustus 1916

Dag Eléonore,

mama had geen schoner cadeau voor moederdag kunnen krijgen dan jouw brief! En wij die dachten dat jij achter het front verbleef, in Proven bij gravin Maria. Nu blijkt dat je in Engeland woont, bij een vriendin van gravin Maria, als gouvernante voor haar kinderen. Jij in Engeland, het is toch even wennen. Hoe is het leven daar? Merk je daar veel van de oorlog? En zijn er veel andere Belgen? Hoe kwam het eigenlijk dat je wegging bij gravin Maria? Wilde je dat zelf? O, ik hoop zo dat deze brief met al mijn vragen snel in Engeland geraakt, en dat jij me snel antwoordt. Morgen ga ik naar Remi om hem deze brief te geven.

Over Remi gesproken, vorige week zei hij me dat hij schone plekjes kende om te gaan wandelen. En dat hij me met veel plezier zou meenemen om ze me te leren kennen. Ja, Remi. Altijd rond de pot draaien, altijd zo verlegen en beduusd, en nu zo zeker van zichzelf. Hij is erg veranderd, weet je. In de positieve zin. Wat zou jij doen, ingaan op zijn uitnodiging? Als dank voor alles wat hij al voor ons heeft gedaan zou het niet misstaan, denk ik. En eigenlijk wil ik het ook wel, eens weg uit het dorp. Ik speel wel met de kinderen in het park van Ter Gaever, maar dat is toch niet hetzelfde. Alleen: wat zullen mama en papa ervan zeggen? Of moet ik het verzwijgen voor hen? Maar hoe speel ik dat dan klaar? Ik bedenk wel iets, in een volgende brief laat ik het je weten.

See you soon (zoals ze in Engeland zeggen) and take care!

Een warme omhelzing van je altijd toegewijde zus Cécile

 

Remi, 8 augustus 1916

Ze zijn ons park aan het afbreken, Stan. 77749_ca_object_representations_media_37797_preview430Met het kasteel valt het nog mee, ook al lopen die pinhelmen er in en uit of het daar allemaal van hen is. Maar wat ze met het park aan het doen zijn… het is onherkenbaar. Duitsers op de trappen van kasteel Hof ter SaksenBomen gerooid, smalspoor aangelegd, loodsen gebouwd – het ziet er niet uit. En ik maar tegen Cécile zeggen dat ik schone plekjes kende, dat ik haar wel eens wilde meenemen als ze er behoefte aan had om eens buiten het dorp te zijn. “Je voelt je er niet zo verstikt,” zei ik, en zo is het ook, al moet je goed uitkijken waar je loopt. Het kwam omdat ze zei dat het dorp haar soms zo beklemde; vroeger ging ze in augustus altijd op reis, maar nu kon dat niet meer en ze miste het. Vandaar dat ik over de veldwegels en de holle paden begon. Hoe zij reageerde? Op haar manier. “Ik zal erover nadenken,” zei ze. Niet afkerig, maar toch wat terughoudend en uit de hoogte. Misschien heb ik het wat te direct gezegd; misschien moet je met zulke meisjes omzichtiger te werk gaan. Nou ja, het is gebeurd, en de klok kan ik niet terugdraaien. Anders deed ik het meteen! Dan ging ik terug naar – pakweg – mei 1914; toen was alles nog normaal. Je hebt de groeten van ons moeder; vorige week ben ik bij haar langsgegaan. Gezien de omstandigheden gaat het goed met haar. Ook Gust stelt het wel. En jij? Zolang geleden weeral dat ik nog van je gehoord heb.

Gravin Maria, 3 augustus 1916

De prinsen Sixtus en Xavier van Bourbon-Parma in het uniform van het Belgisch leger, flankeren koningin Elisabeth. Bron: belgiëroyalist.blogspot.be

De prinsen Sixtus en Xavier van Bourbon-Parma in het uniform van het Belgisch leger, flankeren koningin Elisabeth. Bron: belgiëroyalist.blogspot.be

Mijn lieve René

Onze brieven hebben elkaar gekruist. Ik vermoed dat jij mijn brief ongeveer op hetzelfde ogenblik hebt ontvangen als ik de jouwe.
Ik ben zo blij dat je je hebt geamuseerd tijdens je verblijf bij ons. Je lieve woorden maken me erg gelukkig. Je kunt me geen groter plezier doen dan naar de Lovie terug te keren wanneer je daar aan toe bent. Wij ontvangen je altijd met het grootste genoegen.

Onze collegestudenten zijn thuis sinds zaterdag en hebben hun plaats tussen hun broers en zussen weer ingenomen! Gérard is zondag naar Engeland vertrokken. Hij zou nu in Bembridge op het eiland Wight moeten zijn. Hij is helemaal alleen ingescheept en leek opgetogen eindelijk te kunnen bewijzen dat hij een grote jongen is! De P.v.W.(1) is afscheid komen nemen en heeft ons bij diverse gelegenheden op het hart gedrukt hoezeer het hem speet ons te moeten verlaten. Hij heeft me beloofd me zijn portret te sturen. De prinsen van Bourbon-Parma hebben enkele dagen voor het vertrek van de P.v.W. hun opwachting gemaakt en het vieruurtje met ons gegeten. Ik heb hen aan de P.v.W. voorgesteld.
Je ziet dat we hier bekend volk over de vloer krijgen!
De nieuwe generaal is charmant en komt geregeld op bezoek.
Waar is Benoit? Stuur je me zijn adres, zodat ik hem kan schrijven?

Je oom en je neven en nichten laten je duizendmaal groeten en ikzelf omhels je met al mijn liefde.
Je liefhebbende tante
Maria

(1) P.v.W: de prins van Wales

Cécile, 25 juli 1916

Dag zus,

en het leven gaat maar door zonder enig vooruitzicht op verbetering. Twee jaar geleden maakte ik me nog klaar om op reis te vertrekken, nu zoek ik manieren om de dag door te komen. De scholen zijn gesloten; alleen bij de wezen van de nonnen kan ik nog iets gaan doen. Die wonen nu in kasteel Ter Gaever, tussen de Kallobaan en de Kasteeldreef, heb ik dat al niet verteld?

De weeskinderen die tijdens de Eerste Wereldoorlog op het domein van kasteel ter Gaever werden opgevangen, poseren met speeltuigen in het park. Archief de Bergeyck, collectie John Buyse

De weeskinderen die tijdens de Eerste Wereldoorlog op het domein van kasteel ter Gaever werden opgevangen, poseren met speeltuigen in het park. Archief de Bergeyck, collectie John Buyse

Ik ga er spelletjes spelen met de kinderen, of wat voorlezen. Nooit gedacht dat ik dat nog zou doen!opeisingen 23 juli 1916

Wat ik je ook nog wil vertellen: ze hebben weer iets nieuws uitgevonden om ons te pesten. Alle “beweeglijke en onbeweeglijke” huishoud- en gebruiksvoorwerpen die koper, nikkel of tin bevatten, messing, brons, spinsbek, kunstzilver of alpaca worden inbeslaggenomen en afgehaald. Vrijgesteld zijn kerkelijke voorwerpen, armaturen van de waterleiding, van gas en de centrale verwarming, badverwarmers, deurklinken en venstergrendels, onbeweeglijk gemonteerde verlichtingstoestellen en gemonteerde meubelbeslagen (ik verzin het niet, ik schrijf het gewoon over!) en voorwerpen die een geschiedkundige of kunstzinnige waarde hebben. Ze worden niet zomaar gestolen, onze spullen, er is een prijs bepaald per kilo; en onmisbare gebruiksvoorwerpen (zoals kookketels, wasketels, braad- en kookpannen, kandelaars, badkuipen en pompen) kunnen tegen betaling door andere worden vervangen – al moet je kunnen aantonen waarom ze vervangen zo nodig is, en dat moet gemeld worden bij de Orts-(Etappen-)kommandantur. Wie voorwerpen achterhoudt, riskeert een gevangenisstraf tot vijf jaar en een geldboete tot 10 000 Mark. Zo sprak hertog Albrecht von Württemberg twee dagen geleden.

En dan mogen wij niet zuchten…

Cécile

 

Eerwaarde De la Croix, 18 juli 1916

De voedselbevoorrading wordt voortdurend moeilijker. Mijn gelovigen lijden steeds meer honger. Ze ondervinden hoe langer hoe meer problemen om hun kinderen en onze ouderlingen te voeden. Ook in andere parochies wordt de toestand onhoudbaar. Blijkbaar is zelfs de burgemeester van Hulst gealarmeerd. Op welke manier is me niet duidelijk. In elk geval – zo wordt toch verteld als de Duitsers niet in de buurt zijn – heeft de burgervader van Hulst zich in het gezelschap van enkele bakkers naar de grensovergang bij Kapellebrug begeven om met enkele Wase burgemeesters en de bezetter te onderhandelen over de levering van brood aan het Waasland. De verschillende partijen zouden tot een akkoord zijn gekomen: de Hulsterse bakkers mogen brood leveren aan de parochies van het Land van Waas. Afwachten of ook mijn arme parochianen van die neuwe regeling zullen kunnen meegenieten.

Gravin Maria, 14 Juli 1916

Mijn lieve René

Hoe is je terugreis verlopen? Goed mag ik hopen? Wij waren zo gelukkig om je enkele dagen in ons midden te hebben, terwijl we nu betreuren dat die fijne dagen zo snel om waren.
Je hebt ongetwijfeld al vernomen dat de bombardementen op Poperinge maandagavond opnieuw zijn begonnen. Ze zijn de afgelopen dagen zeer gewelddadig geweest en ze houden maar niet op… voor geen ogenblik. Ik hoor die dodelijke granaten fluiten tot hier, achter mijn schrijftafel …
Maandag waren de kinderen net naar Poperinge vertrokken, maar ze zijn er niet aangekomen. Mademoiselle, Lilly, Linette en Gitta hadden net de stadsrand bereikt toen de aanval begon. Ze zijn onmiddellijk teruggekeerd. Mijnheer Simons en Baudouin Montens bevonden zich in het gevaarlijkste gedeelte van de stad, maar hebben het niet nodig geacht in een kelder te gaan schuilen. Helaas zijn er zoals steeds veel slachtoffers te betreuren, deze keer echter relatief weinig burgers.

Raymond en Joseph hebben me geschreven dat ze de 27ste naar huis komen. Ze zitten nu middenin de examenperiode en hebben geen tijd om aan hun correspondentie te werken. Gelukkig is Raymond hersteld van zijn ziekte maar hij vervloekt die drie weken die hij in het ziekenhuis heeft doorgebracht. Hij heeft er kostbare (studie)tijd verloren.

Baudouin Montens heeft ons het bezoek aangekondigd van twee hoge gasten die verbonden zijn aan de Belgische artillerie. Blijkbaar gaat het over de twee prinsen van Bourbon-Parma (1) die de P.v.W. (2) willen ontmoeten. Ik heb me laten vertellen dat ze heel charmant én bescheiden zijn.

Edward, de jonge prins van Wales, achter het front.

Edward, de jonge prins van Wales, achter het front.

Ik moet mijn brief afronden, mijn lieve René. Je oom en je neven en nichten laten je groeten. Ikzelf omhels je met al mijn liefde.

Tante Maria

Verklaringen:
(1) Sixtus (1886-1934) en Xavier (1889-1977), prinsen van Bourbon-Parma, waren leden van een politiek verdeeld hoogadellijk huis. Hun zus Zita was de laatste Oostenrijkse keizerin (1892-1989) en twee van hun broers streden tijdens de Eerste Wereldoorlog in het Oostenrijkse leger. Sixtus en Xavier dienden aan de geallieerde zijde in het Belgische leger.

(2) P.v.W. (vertaling van Pce d.G.) staat voor de Prins van Wales. De Britse kroonprins Edward (1894-1972) diende tijdens de Eerste Wereldoorlog achter het front. Hij verbleef tussen mei en juli 1916 met het 14de legerkorps op het domein van het kasteel de Lovie.

 

Remi, 4 juli 1916

Ik ben er niet meer gerust in, Stan. Onlangs zijn in Haasdonk twee personen veroordeeld voor verboden briefvervoer. Drie en vier weken gevang. Dat is niet niks, hè. Ik ken hen niet; ik wist niet dat zij zich hier ook mee bezig hielden. Zo zie je maar met hoeveel we zijn en hoe slecht we elkaar kennen. Wie weet werken we voor hetzelfde netwerk; dat kan best. In elk geval: ik zal extra voorzichtig moeten zijn nu. Ermee stoppen kan ik niet; eens je erin zit, kan je er niet meer uit. En ik doe het graag. Omdat ik iets goeds doe voor de mensen. Omdat het zo bevrijdend werkt om langs die wegels en die prachtige polderwegen van ons te lopen. Onder de bomen, tussen de zingende vogels en de ritselende diertjes op de grond, zou je haast vergeten dat het oorlog is. Het leven lijkt er zo simpel.suiker voor confituur 28 juni 16 Neem nu vorige week, toen Marie confituur wilde maken. Ze heeft een rode bessenstruik op haar koertje en die hing vol. Nu moet het lukken dat burgemeester Pypers op datzelfde moment een bekendmaking liet uithangen voor het aanvragen van suiker voor het maken van confituur. Wij blij toen we het hoorden natuurlijk – tot we die affiche lazen. Toen dachten we: laat maar zo; het was de eerste keer dat Marie confituur wilde maken, dus aan de eerste voorwaarde konden we al niet voldoen. Waarom maken we het elkaar toch zo moeilijk, vraag ik me dan af. Nou ja, ik weet wel waarom, rantsoenering enzo, maar toch. Dat zijn van die zaken die door mijn hoofd spoken als ik langs onze sluiproutes wandel en zie hoe schoon onze velden en paden en bossen erbij liggen deze zomer – zolang er geen moffen in de buurt zijn tenminste. Ook aan Cécile denk ik dan, en hoe het zou zijn om daar met haar te lopen. Vind je dat gek? Misschien moet ik haar eens vragen of ze mee wil; wie weet stemt ze toe.

Cécile, 27 juni 1916

Met al dat gedoe met die brieven zou ik nog vergeten dat er meer is dan mijn eigen, kleine oorlog. Zo was papa onlangs absoluut niet te spreken over het feit dat opperbevelhebber von Württemberg de provinciale verkiezingen in Oost- en West-Vlaanderen heeft laten afgelasten en de mandaten in de Bestendige Deputatie heeft laten verlengen. “Die dansen dan allemaal naar zijn pijpen,” zei papa misnoegd, “dat kan haast niet anders.” Het is trouwens de eerste keer dat ik papa zo weet reageren; hij is altijd nogal “meegaand” geweest, vond ik. Hij moet het wel echt beu zijn dat hij zijn mond niet meer kan houden. Dat hij maar oppast en zijn ongenoegen niet te luid ventileert. Je krijgt voor minder een kogel door je kop. veroordelingen van burgersTwee weken geleden hing er nog een bekendmaking uit van de veroordeling van twee burgers omdat ze duiven bezaten. En in Haasdonk alleen al zijn er tussen 26 mei en 2 juni (op een week tijd dus!) 7 personen veroordeeld. Het stond in de gazet, met naam en toenaam: C. De Ben, A. De Moor en E. Staenssens zijn veroordeeld tot 6 weken gevangenis voor het omhakken van een populier die niet van hen was. P. Jacobs kreeg 4 weken gevangenis voor een verboden grensoverschrijding, terwijl datzelfde vergrijp A. Bastiaenssens 2 maanden hechtenis opleverde. En Ph. De Jardin werd veroordeeld tot 3 weken gevangenis voor verboden briefvervoer; Marie De Beule-Beets kreeg daar 4 weken hechtenis voor. (Waarom de namen van de mannen afgekort werden en die van de vrouw voluit, weet ik niet – dat veronderstel ik tenminste.) Ik hoop maar dat geen van mijn brieven op die manier onderschept is. Of een van jou. Je ziet maar hoe gevaarlijk het is. En de mensen zijn het zo beu, Eléonore; zelfs aan het grootste geduld komt vroeg of laat een einde. Ik heb het gevoel dat ik niets anders doe dan wachten. Op brieven. Op nieuws. Op jou.

E.H. De la Croix, 20 juni 1916

Het is alweer enige tijd geleden dat ik u nog een bericht stuurde, waarde lezer. Hier in Haasdonk gebeurt niet meer zoveel, het leven gaat hier zijn bezette gang. Ik hang dus af van informatie die me van elders uit onze streek bereikt. Dat is niet eenvoudig, altijd clandestien, zonder dat de Duitsers hiervan lucht krijgen en steeds onregelmatig.

Deze week is mij ter ore gekomen dat in het uitgesperde gedeelte van Prosperpolder alle weerbare mannen – dat zijn diegene tot de leeftijd van 45 jaar – zich om de twee weken bij de Duitsers moeten aanmelden. Ze moeten hun eenzelvigheidsbewijs meebrengen om te laten afstempelen. Die controle dient om te beletten dat die mannen via Holland het Belgische leger zouden proberen te bereiken.
Met de voedselvoorziening is het er erbarmelijk gesteld. De parochianen van confrater Van Haelst mogen niets invoeren vanuit Holland. Daarom is er een plaatselijk Comiteit opgericht waarlangs alles moet geschieden. De mensen vragen zich werkelijk af waarom den elektrieken draad verplaatst is, in februari. De boeren kunnen hun Hollandse akkers bewerken, dat wel, maar verder ….

De boeren van Kieldrecht moeten blijkbaar iedere week met hun paarden naar een monstering komen waar de Duitsers de beesten komen keuren. Waarom? Om ze op te eisen, natuurlijk. Als dat zo doorgaat, zullen er op de duur geen paarden meer overblijven in Kieldrecht. Hoe moeten die akkers dan nog bewerkt worden?