Daniël Frans Struyf, 26 september 1916

Hoe zou het mijn gezin vergaan? Stellen mijn lieftallige kinderen het goed? Mijn beminde echtgenote en mijn schatten van kinderen moeten het nu al meer dan twee jaar zonder mijn aanwezigheid stellen. Zouden ze me nog herkennen, of niet? Ik blijf mezelf deze kwellende vragen stellen, opnieuw en opnieuw. Zwartgallige gedachten spoken door mijn hoofd. Die onzekerheid over hun lot knaagt aan me, het is verschrikkelijk! Via verschillende frontblaadjes sijpelen druppelsgewijs flarden van nieuws binnen over het moeilijke leven in het bezette België, over de slechte en onrechtvaardige behandeling van de bevolking door de Duitse bezettingsmacht, over de nijpende voedseltekorten. De berichten over de situatie in ons dorp Burcht stellen me weinig gerust maar het sterkt me in de overtuiging om vol te houden, om deze verdomde oorlog uit te zitten en te blijven vechten tot de laatste snik tegen den vermaledijde Duits. Wij zullen zegevieren en ik zal mijn gezin terug zien en in mijn armen sluiten. Enkel deze gedachte houdt me overeind.

Duitse jachtpatrouille, ingekwartierd in Burcht en Zwijndrecht. Collectie Guido Hullebroeck

Duitse jachtpatrouille, ingekwartierd in Burcht en Zwijndrecht. Collectie Guido Hullebroeck

Organisatie van volkssoep in Burcht. Collectie Guido Hullebroeck

Organisatie van volkssoep in Burcht. Collectie Guido Hullebroeck

 

Cécile, 19 september 1916

Beste zus,

dank voor je brief. Nu weet ik eindelijk hoe je in Engeland verzeild bent geraakt. Ik denk dat het een wijze beslissing van je was; het was een unieke kans en je bent er veiliger dan in Proven. Ik ben wel jaloers op je. Jij ziet nog wat van de wereld. Had ik Remi niet, dan kwam ik zelfs dit dorp niet meer uit. Ja, ik ben weer op stap geweest met hem; het is zo plezant, echt waar. Remi is heel voorkomend, grappig en slim op zijn manier. Ik bedoel: hij is zo op de hoogte van wat er om ons heen gebeurt. Dat vind ik toch wel bewonderenswaardig; simpel is het allemaal niet.

Tuinierende weeskinderen in het park van het kasteel ter Gaever te Beveren tijdens de Eerste Wereldoorlog, Arcief de Bergeyck, collectie John Buyse

Tuinierende weeskinderen in het park van het kasteel ter Gaever te Beveren tijdens de Eerste Wereldoorlog, Archief de Bergeyck, collectie John Buyse

Gisteren ben ik gaan helpen tuinieren bij de wezen van Ter Gaever; ook dat is best plezant.

En gravin Josephina van Cortewalle komt dus geregeld op bezoek bij je nieuwe mevrouw? En René, haar zoon, is naar het front vertrokken? Vroeg of laat moet iedereen er aan geloven, blijkbaar. De volgende keer dat je gravin Josephina ziet, moet je haar maar zeggen dat ze vlug naar huis moet komen. Hun tuinier doet wat hij kan, maar veel is dat niet. Onlangs nog is er een piano uit het kasteel gehaald, en nog niet zolang geleden is de stoomketel van de verwarming vervangen. Het ergste van al is dat ze van Cortewalle een casino voor de officieren aan het maken zijn. Kilo’s kolen worden daar afgeleverd, zodat zij het er knus en warm hebben (wij zullen wel bevriezen naast de stoof!). Enfin, dat wordt toch verteld. De moffen hebben in elk geval onze winkel leeggehaald en heel onze voorraad naar het kasteel laten overbrengen. Voor een habbekrats natuurlijk. Pa liep er slechtgezind bij, maar hij durfde niets te doen of te zeggen. Misschien maar best ook. De veroordeling van burgers gaan maar door: voor het bezit van verboden (reis)duiven, voor het bezit of het vervoer van brieven, voor “verspieding”, voor oorlogsverraad, voor het roepen van een verwensing naar een vrijwilliger voor Duitsland. Hoor jij daar iets van, in Engeland? Schrijf me maar gauw een nieuwe brief, waarin je vertelt over alles wat je daar ziet en hoort en meemaakt.

Je nieuwsgierige zus Cécile

 

E.H. De la Croix, 12 september 1916

Er is weer nieuws van aan de grens. Nadat de Duitsers in Prosperpolder de hele zomer lang paarden, hoornvee, varkens, kippen, boter, eieren en ten slotte ook de graanoogst hebben opgeëist, is daar vorige week een reusachtige machine gearriveerd. Het is een dorsmachine op stoom die alle opgeëiste granen moet dorsen.

Ze worden trouwens onvoorzichtig, de Duitse militairen die daar de grens en de draad moeten bewaken. Mijn informant had horen zeggen dat er aan de Hedwigepolder een Duits soldaat is geëlektrocuteerd. Overigens heeft hij ook vernomen dat het regiment dat de draad bewaakt – soldaten uit Saksen – eerstdaags wordt vervangen door een Beiers regiment. Of het het een iets met het ander heeft te maken, kon hij me niet bevestigen.

Duitse bezetter weigert de gemeentesecretaris van Haasdonk toelating om fiets te gebruiken (1915)

Op 10 november 1915 beslist de Pas-centrale in Antwerpen, het officiële Duitse bureau bevoegd voor het verstrekken van allerlei toelatingen en vergunningen voor transport en verkeer, om de aanvraag van Petrus Van Den Steen, gemeentesecretaris van Haasdonk, tot het gebruik van een fiets (Fahrradpassierschein), niet in te willigen (GAB WOI_archief-Haasdonk)

Remi, 5 september 1916

Het was weer even slikken, Stan. Naast de smokkel van brieven en kranten, is nu ook het vervoeren of het bij zich hebben van foto’s verboden. Bovendien worden alle fietsen en fietsbanden inbeslaggenomen; vanaf 20 september mogen alleen bedienden en werklieden, belastingambtenaren, politieagenten, tolbeambten, dokters en veeartsen zich nog met de fiets verplaatsen als ze daarvoor de toelating krijgen. En Lokeren is veroordeeld tot een boete van 10 000 Mark omdat een deel van de bevolking vrijwillige arbeiders voor Duitsland uitgejouwd heeft toen die op het punt stonden te vertrekken. Het werkt allemaal zo beklemmend, Stan. Zeker dat van die vrijwilligers – binnenkort zijn die op, zegt Fabrice, en dan gaan ze mannen verplichten om voor hen te gaan werken. Ik moet zeggen dat Fabrice niet de enige is die er zo over denkt en daar voor vreest. Stel je voor. Ik mag er niet aan denken dat ze mij oppakken en naar Duitsland voeren. Het zou zo verkeerd zijn. Hoe kun je nu voor de vijand werken? Ik begrijp de reacties in Lokeren dus wel, al is het niet verstandig om zo duidelijk je mening te uiten. En ik wil Cécile niet kwijt net nu we naar elkaar aan het toegroeien zijn. Het was zo plezant om met haar door de velden te wandelen en te praten. Raar, dat ook. We begrepen elkaar zo goed. Het was net of ik daar met jou liep, Stan – nee, zo was het niet. Het was heel anders, maar net zo plezant. Ik hoop maar dat het weer nog een tijdje goed blijft, zodat we die wandeling nog eens kunnen overdoen.

Cécile, 29 augustus 1916

Eléonore,

ik ben met Remi gaan wandelen. En het was nog plezant ook. Wel wat raar en onwennig. Het is niet van mijn gewoonte; en wat weet ik ook van Remi? In het begin wist ik echt niet wat ik moest doen of zeggen. Gelukkig stelde hij me op mijn gemak. Met niks speciaals eigenlijk, gewoon door hoe hij is. We zijn de kant van Haasdonk opgegaan, en het waren inderdaad schone plekjes die hij me liet zien; wat zijn die polderwegen toch schoon eigenlijk. Soms was het wel spannend, als we voorbij een wachtpost moesten of een patrouille tegenkwamen. Maar Remi bleef altijd kalm, hij weet het aan te pakken. Voor de rest hebben we gepraat. Over de oogst die eraan komt bijvoorbeeld. Zo vertelde hij me dat alle eenjarige, gepelde en ongepelde wijmen van 1 meter tot 1,8 meter in beslag worden genomen, en dat je voor de bewerking, het verhandelen of vervoeren ervan de toelating van de Etappen Inspektion nodig hebt (die hebben daar een speciale centrale voor). Ook huiden en vellen van koeien, ossen, vaarzen, stieren, paarden, kalveren, schapen, lammeren, geiten, konijnen, hazen, honden, katten, hamsters en reeën worden opgeëist. Die moeten allemaal naar de stapelplaats voor huiden en vellen in Gent gebracht worden, in de Keizer Karelstraat of in de stapelplaats aan statie Gent-Oost. Ook verschillende stoffen – geweven, gebreide – en lintwaren moeten aangegeven worden: herenhemden, tule voor blousen, sluiers en voiles, stoffen voor meubels, tapijten en gordijnen. Zijn vrijgesteld: met tekeningen versierd tafellinnen en kinderbretellen. Ook wie meer dan een bepaald aantal herenwanten, sjaals, handdoeken, zakdoeken (niet dameszakdoeken die geborduurd of van kant zijn!), beddenlakens en herenhemden in voorraad heeft, moet dat opgeven. Wat de boeren betreft: die moeten hun gerst afgeven. “Alleen als je toelating krijgt, mag je 160 kg voor 1 hectare bouwland achterhouden om te gebruiken als zaaigoed. Dat moet wel in afzonderlijke zakken bewaard worden, met een plakkaatje erop met een verplichte tekst. En er zijn maximumprijzen voor rogge, tarwe, haver, spelt, masteluin en gerst vastgelegd. Vanmorgen hing de affiche uit.” Ik heb me wel mispakt aan Remi, moet ik zeggen. Ik dacht altijd dat hij zo’n sloom ventje was, maar wat weet hij veel. En toch loopt hij niet te koop met zijn kennis; het is omdat ik erover begon dat hij vertelde wat hij wist. Ik was onder de indruk, ja. Ik weet niet of hij onze wandeling plezant vond. Ik weet ook niet of ik dat laten merken heb. Ik weet niet eens of we opnieuw afgesproken hebben. “Volgende keer gaan we de andere kant op,” zei hij wel. “Vrasene, Nieuwkerken.” Maar wanneer die volgende keer is? Ik zou het wel willen, denk ik. In dat geval moet ik wel een ander smoesje verzinnen; nu heb ik mama gezegd dat ik nog eens langs meester Staut wilde. Zomaar, zien hoe het met hem gaat, informeren naar Jozef Van Hul. Papa was niet thuis, mama twijfelde, maar toch liet ze me gaan. Trouwens, nu we het er toch over hebben: hoe zou het eigenlijk met Jozef zijn? Misschien moet ik toch eens naar meester Staut. De volgende keer als ik afspreek met Remi. (Maar bewaar wel mijn geheim, hè.)

Je toegenegen zus Cécile

 

 

E.H. De la Croix, 22 augustus 1916

Mijn parochie zindert van verontwaardiging. Leo Elewaut, een vaderlandslievende jongeman uit een gerespecteerde familie van alhier, is drie dagen geleden omwille van zijn overtuiging en zijn liefde voor onze koning en ons land, naar Duitsland weggevoerd. Hij is de zoon van de betreurde Theofiel Elewaut, onze plaatselijke geneesheer die in de eerste maanden van deze vermaledijde oorlog zijn echtgenote volgde tot bij Onze Lieve Heer. Leo is de jongste zoon van het gezin, werkelijk een voorbeeldige student. Al mijn parochianen bidden voor zijn veilige terugkeer. Wie weet wanneer en in welke gezondheidstoestand we hem hier in Haasdonk zullen terugzien. Zullen we hem ooit nog terugzien?

Cécile, 15 augustus 1916

Dag Eléonore,

mama had geen schoner cadeau voor moederdag kunnen krijgen dan jouw brief! En wij die dachten dat jij achter het front verbleef, in Proven bij gravin Maria. Nu blijkt dat je in Engeland woont, bij een vriendin van gravin Maria, als gouvernante voor haar kinderen. Jij in Engeland, het is toch even wennen. Hoe is het leven daar? Merk je daar veel van de oorlog? En zijn er veel andere Belgen? Hoe kwam het eigenlijk dat je wegging bij gravin Maria? Wilde je dat zelf? O, ik hoop zo dat deze brief met al mijn vragen snel in Engeland geraakt, en dat jij me snel antwoordt. Morgen ga ik naar Remi om hem deze brief te geven.

Over Remi gesproken, vorige week zei hij me dat hij schone plekjes kende om te gaan wandelen. En dat hij me met veel plezier zou meenemen om ze me te leren kennen. Ja, Remi. Altijd rond de pot draaien, altijd zo verlegen en beduusd, en nu zo zeker van zichzelf. Hij is erg veranderd, weet je. In de positieve zin. Wat zou jij doen, ingaan op zijn uitnodiging? Als dank voor alles wat hij al voor ons heeft gedaan zou het niet misstaan, denk ik. En eigenlijk wil ik het ook wel, eens weg uit het dorp. Ik speel wel met de kinderen in het park van Ter Gaever, maar dat is toch niet hetzelfde. Alleen: wat zullen mama en papa ervan zeggen? Of moet ik het verzwijgen voor hen? Maar hoe speel ik dat dan klaar? Ik bedenk wel iets, in een volgende brief laat ik het je weten.

See you soon (zoals ze in Engeland zeggen) and take care!

Een warme omhelzing van je altijd toegewijde zus Cécile

 

Remi, 8 augustus 1916

Ze zijn ons park aan het afbreken, Stan. 77749_ca_object_representations_media_37797_preview430Met het kasteel valt het nog mee, ook al lopen die pinhelmen er in en uit of het daar allemaal van hen is. Maar wat ze met het park aan het doen zijn… het is onherkenbaar. Duitsers op de trappen van kasteel Hof ter SaksenBomen gerooid, smalspoor aangelegd, loodsen gebouwd – het ziet er niet uit. En ik maar tegen Cécile zeggen dat ik schone plekjes kende, dat ik haar wel eens wilde meenemen als ze er behoefte aan had om eens buiten het dorp te zijn. “Je voelt je er niet zo verstikt,” zei ik, en zo is het ook, al moet je goed uitkijken waar je loopt. Het kwam omdat ze zei dat het dorp haar soms zo beklemde; vroeger ging ze in augustus altijd op reis, maar nu kon dat niet meer en ze miste het. Vandaar dat ik over de veldwegels en de holle paden begon. Hoe zij reageerde? Op haar manier. “Ik zal erover nadenken,” zei ze. Niet afkerig, maar toch wat terughoudend en uit de hoogte. Misschien heb ik het wat te direct gezegd; misschien moet je met zulke meisjes omzichtiger te werk gaan. Nou ja, het is gebeurd, en de klok kan ik niet terugdraaien. Anders deed ik het meteen! Dan ging ik terug naar – pakweg – mei 1914; toen was alles nog normaal. Je hebt de groeten van ons moeder; vorige week ben ik bij haar langsgegaan. Gezien de omstandigheden gaat het goed met haar. Ook Gust stelt het wel. En jij? Zolang geleden weeral dat ik nog van je gehoord heb.

Gravin Maria, 3 augustus 1916

De prinsen Sixtus en Xavier van Bourbon-Parma in het uniform van het Belgisch leger, flankeren koningin Elisabeth. Bron: belgiëroyalist.blogspot.be

De prinsen Sixtus en Xavier van Bourbon-Parma in het uniform van het Belgisch leger, flankeren koningin Elisabeth. Bron: belgiëroyalist.blogspot.be

Mijn lieve René

Onze brieven hebben elkaar gekruist. Ik vermoed dat jij mijn brief ongeveer op hetzelfde ogenblik hebt ontvangen als ik de jouwe.
Ik ben zo blij dat je je hebt geamuseerd tijdens je verblijf bij ons. Je lieve woorden maken me erg gelukkig. Je kunt me geen groter plezier doen dan naar de Lovie terug te keren wanneer je daar aan toe bent. Wij ontvangen je altijd met het grootste genoegen.

Onze collegestudenten zijn thuis sinds zaterdag en hebben hun plaats tussen hun broers en zussen weer ingenomen! Gérard is zondag naar Engeland vertrokken. Hij zou nu in Bembridge op het eiland Wight moeten zijn. Hij is helemaal alleen ingescheept en leek opgetogen eindelijk te kunnen bewijzen dat hij een grote jongen is! De P.v.W.(1) is afscheid komen nemen en heeft ons bij diverse gelegenheden op het hart gedrukt hoezeer het hem speet ons te moeten verlaten. Hij heeft me beloofd me zijn portret te sturen. De prinsen van Bourbon-Parma hebben enkele dagen voor het vertrek van de P.v.W. hun opwachting gemaakt en het vieruurtje met ons gegeten. Ik heb hen aan de P.v.W. voorgesteld.
Je ziet dat we hier bekend volk over de vloer krijgen!
De nieuwe generaal is charmant en komt geregeld op bezoek.
Waar is Benoit? Stuur je me zijn adres, zodat ik hem kan schrijven?

Je oom en je neven en nichten laten je duizendmaal groeten en ikzelf omhels je met al mijn liefde.
Je liefhebbende tante
Maria

(1) P.v.W: de prins van Wales