Remi, 21 mei 1918

‘Remi’, zei Marie gisteravond toen ze thuiskwam. ‘Moet je nu horen. Er vallen bommen op Gent.’

Ik begreep eerst niet goed waarom ze daar blij om leek.

‘Het frontgebied schuift op’, zei ze toen. ‘Landinwaarts.’

Ze trok haar wenkbrauwen op als om te zeggen “wat vind je daarvan?” Maar ook die woorden moest ik even laten bezinken. Toen dacht ik dat ik het begreep.

‘Wil dat zeggen dat de Duitsers teruggedrongen worden?’

‘Daar lijkt het wel op’, bevestigde ze.

Hoe ze aan het nieuws kwam, weet ik niet, en dat heb ik ook niet gevraagd, maar ik geloofde haar. En het grootste nieuws moest toen nog komen.

‘De Britse marine heeft de havens van Zeebrugge en Oostende aangevallen. Een maand geleden al. De Duitse U-boten – je weet wel, de onderzeeërs die de Noordzee onveilig maken – die worden gemaakt in Brugge. Daarna worden ze via het kanaal naar Zeebrugge of Oostende en dus naar zee gebracht. De Britten willen dat dat stopt, zodat er aan die U-botenoorlog een einde komt. Zodat Britse en Amerikaanse schepen niet langer getorpedeerd worden, begrijp je. En daarom voerden ze een aanval uit op de havens. Om de vaargeul van de onderzeeërs te blokkeren hebben ze schepen tot zinken gebracht.’

‘En?’ vroeg ik hoopvol.

Ze weifelde even voor ze antwoordde. ‘Het is niet helemaal gelukt’, zei ze toen. ‘De U-boten blijven uitvaren. Maar het toont wel aan dat er iets aan het keren is, Remi. Voor het eerst in vier jaar tijd.’

‘Zou het?’ vroeg ik.

‘Jawel’, knikte ze vol overtuiging. ‘Heel zeker.’

De hele avond kon ik aan niks anders meer denken, en ook vandaag keren mijn gedachten steeds weer terug naar haar verhaal. Als het eens waar mocht zijn. Wat zou dat mooi zijn.

 

Cécile, 7 mei 1918

Onze gasten zijn vertrokken. Weer alleen met ons drieën thuis. Het is een opluchting, en toch voelt het ook leeg aan. Of is het de leegte in mezelf die ik voel?

Niet alleen onze gasten zijn vertrokken. Ik heb de indruk dat de troepen veel sneller worden afgewisseld dan vroeger. Wat zou dat willen zeggen? Dat de Duitsers de controle aan het verliezen zijn? Dat er aan het front van alles aan de gang is? Er wordt veel gefluisterd, maar het fijne weet niemand ervan.

Toch blijven ze hun best doen. Vorige week nog maar, met een affiche over de cafés en danszalen en hun sluitingsuur.

Gelukkig is er geen mond- en klauwzeer meer.

Soms staat er ook heuglijk nieuws op zulke affiches.

Remi, 23 april 1918

Eindelijk is het wat warmer geworden. Eindelijk voel je lente in de lucht. De winter heeft lang geduurd dit jaar, maar je ziet: vroeg of laat komt aan alles een einde. Nu deze oorlog nog. En wie weet, misschien komt ook dat er nu wel echt aan. Er is in elk geval wat op til, zoveel is duidelijk. Af en toe horen we berichten van het front, waar naar het schijnt weer hevig gevochten wordt. Maar ook hier voel je onrust. Ik kan het niet goed uitleggen, maar er is iets met de Duitsers. De gewone soldaten gedragen zich losser, lijkt het wel, maar de officieren lopen er net heel gespannen bij. Ze haasten zich over straat, ze snauwen nog meer dan anders, en ze spelen op voor het minste. En de troepen worden sneller afgewisseld dan anders; die indruk krijg ik toch. Er worden precies ook minder affiches uitgehangen – zijn ze door hun voorraad regeltjes heen, of hebben ze wat anders aan hun kop dan ons te koeioneren? Misschien beeld ik het me gewoon in, of wil ik het te hard, maar stel je eens voor hoe mooi het zou zijn als het einde eindelijk in zicht kwam. Het heeft lang genoeg geduurd; wat zeg ik, het is genoeg geweest. En met die gedachte sta ik niet alleen.

Cécile, 9 april 1918

Bordjes controleren. Dat moet hij gaan doen. Nu het een beetje naar lente begint te ruiken, moet hij bordjes gaan controleren. Alles om de opmetingen door de landmeters te vergemakkelijken! En het is nog niet eens 15 april. Hij moet erom lachen. “Ik wist niet dat je zo graag met mij naar de kreek wilt,” zei hij. Ik kon het niet uitstaan. Hij probeerde zelfs mijn hand te grijpen. Maar dat had hij gedacht. Ik rukte me los, en liep weg. “Ik wil naar de kreek,” mompelde ik gesmoord. “Dat klopt. Maar niet per se met jou. Ik wil hier gewoon het huis uit. Ik stik hier!” Dat laatste had ik willen uitroepen, maar ik deed het niet. Onder alle omstandigheden moet je jezelf onder controle kunnen houden. Zeker met Duitsers in de buurt. Hoe hoffelijk ze zich ook voordoen. Dat hij zich maar niks in het hoofd haalt. En dat hij maar gauw bordjes gaat controleren. Over vijf dagen is het 15 april, en dan moet elke boer in orde zijn. Stel je voor wat een ramp het zou zijn als dat niet het geval is.

Remi, 29 maart 1918

Het heeft even geduurd, maar ik ben er eindelijk weer bovenop. Wat een ellende, de griep van dit jaar. Maar ik heb geluk. Er sterven er heel wat. Oude mensen, jonge kinderen. Elke dag hoor je wel van iemand. Er kunnen heel wat namen geschrapt worden op de lijsten die sinds kort verplicht aan elke gevel uit moeten hangen, met de inwoners van het huis erop vermeld. Het is echt triestig om te zien. Maar verbazen doet het niet. We zijn vel over been, we hebben te weinig te eten, we hebben bijna niks meer om ons mee te verwarmen, er zijn zo goed als geen medicijnen, en de winter blijft maar duren. Er is nochtans voedsel – voor wie het kan betalen. De zwarte markt bloeit, de smokkelaars doen gouden zaken. Die worden allemaal rijk! Je zou de danszalen moeten zien die als paddenstoelen overal uit de grond schieten; je mag niet denken aan het geld dat daar verbrast wordt. Maar het is er ook gevaarlijker op geworden. Marie is bang geworden, zij houdt het voorlopig voor bekeken. Dat komt niet alleen door de afrekeningen tussen de smokkelaars onderling, maar ook door de steeds strengere straffen die de Duitsers uitspreken, ook al doen sommigen van hen gewoon mee met de smokkelaars, zoals onlangs nog is gebleken in De Klinge. En dat is wellicht wijs van haar, of haar naam verschijnt binnenkort ook op zo’n plakkaat met de mededeling dat ze verdreven is van het grondgebied – al is dat nog een milde straf, voor hetzelfde geld krijg je een kogel door je kop. En wat zou ik dan moeten beginnen?

Frans Struyf, 22 maart 1918

Sedert drie maanden al ben ik in 10e compagnie en ik moet zeggen, ik ben het reeds goed gewoon geraakt. De korporaals hebben hier ’s avonds wachtdienst maar zijn telkens om de dag vrij. Vandaag is het mijn beurt om de wacht op te trekken. De nacht is zeer donker en in de verte hoor ik het geronk van een Duits vliegtuig. Mijn makkers hebben het ook gehoord en nemen de vlucht naar de dichtstbijzijnde abri. Wanneer het Duitse jachtvliegtuig net boven onze hoofden scheert, bolt er op de steenweg een auto voorbij waarvan de twee voorste lichten grote stralen licht over de weg wierpen. Wij roepen de onverlaat om onmiddellijk zijn lichten te doven maar het is al te laat! Op hetzelfde ogenblik valt er een bom, juist op de barak van de voermannen. Ik meet onmiddellijk de schade op. Eén man gekwetst en drie Franse soldaten gedood. Deze laatsten hadden de auto met een barricade tot stilstand gebracht maar waren zelf door de explosie omgekomen. De chauffeur van de auto is als bij wonder ongedeerd gebleven maar verlaat verward zijn voertuig. Meer dan een uur blijft hij radeloos bij zijn wagen staan. Daarna vertrekt hij in volle spoed verder, maar ditmaal zonder zijn lichten aan te steken.

Dit is eigenlijk een groot laadstation, waar trams voorbijkomen. Die trams hebben wagons die eruit zien als treinwagons. De grote barakken links zijn de garages van het Militaire Hoofdkwartier. Soldaten bewaken de talrijke gestalde motoren, houden zich bezig met de auto’s waar op de achterruit de letters GQC geverfd staan (Groot Militair Hoofdkwartier) en soldaten bedienen de spoorwissels. Alle opschriften zijn uiteraard in het Frans, de voertaal in het leger.

Cécile, 20 maart 1918

“Geen denken aan!”

Papa. Om de nieuwe bekendmaking die uithing.

Dat ze nog maar twee weken geleden voor de zoveelste keer alle paarden opeisten, tot daar aan toe. Dat ze nagenoeg diezelfde dag uithingen dat ook machines, stoomketels, armaturen, transmissiën, liften, goederenperrons, schrijfmachines, enzovoort, én alle toebehoren, in beslag zullen worden genomen, deert hem niet. Dat de weinige fabrieken die nog draaien, zullen stilvallen, is niet zijn zaak. Dat boeren hun veld met de hand moeten omploegen en hun oogst eigenhandig moeten vervoeren, maakt hem niks uit.

“Ieder zijn kruis. Maar van mijn tabak blijven ze af!”

Niet dat ik onder de indruk was. Uiteindelijk doet hij toch wat ze hem opdragen. Zo zijn we allemaal geworden: binnensmonds vloeken en tieren we, maar als het erop aankomt persen we een glimlach op onze lippen en buigen we het hoofd. We knielen zelfs als het moet. Alles om geen aanstoot te geven. En zodra ze uit het zicht verdwenen zijn, springen we overeind, vloeken en tieren we opnieuw, en proberen we op alle mogelijke manieren om hier iets te ritselen en daar iets achterover te drukken. Het is een sport geworden. Een verzetje.

Mijn verzetje is er nog niet van gekomen. Het weer blijft guur en grauw. Maar de lente zal komen, hoe dan ook. En dan wenkt de kreek van Kieldrecht. Misschien kijk ik er wel naar uit. Misschien wel.

Cécile, 5 maart 1918

Charmant zijn ze wel, die Duitsers. Ze doen alleszins hun best. De jongste van het stel dat hier ingekwartierd is toch. Het was in de keuken, ik sneed een homp van het oudbakken brood om te roosteren. Of ik zin had om mee op uitstap te gaan? Niet per se vandaag, maar morgen misschien, of… Waarheen dan, vroeg ik, voorwendend om totaal niet geïnteresseerd te zijn, maar enkel beleefd. Koel, afstandelijk en beleefd, zoals ik dat altijd doe. Naar de kreek in Kieldrecht, was het antwoord, en toen stopte hij deze postkaart in mijn handen. Het zou er heel schoon zijn, voegde hij eraan toe in zijn Vlaams met Duits haar op, het deed hem wat denken aan waar hij vandaan kwam. En met mij erbij kon het niet anders dan nog schoner worden. Ik deed maar of ik dat laatste niet gehoord had, en of ik de blik in zijn ogen en de grijns rond zijn mond niet zag. Het is daar schoon, beaamde ik, maar het waait er ook heel hard. Hij begreep niet wat ik wilde zeggen. Met die gure wind die er nog steeds staat, doen we er alleen maar een fleuris op, zei ik. Dat begreep hij ook al nietmaar ik was niet van plan om het hem uit te leggen. Nu niet, zei ik daarom, nog steeds heel beleefd, koel en afstandelijk, misschien als het echt lente wordt. Hem zomaar afwimpelen durfde ik niet, zomaar toehappen ook niet. Zo simpel is het allemaal niet meer. Dat is goed, zei hij toen – teleurstelling die omslaat in hoop, het is zoiets zots om te zien. Want met een schone glimlach voegde hij eraan toe: Belofte maakt schuld, ik houd je eraan. Ik wilde nog protesteren, zeggen dat ik niks officieel beloofd had, maar hij had zich al omgedraaid en was de keuken uit voor ik er erg in had. En toen stond ik daar, met in mijn ene hand dat brood waarmee je een man kon doodslaan en in mijn andere hand die postkaart. En het enige waar ik aan kon denken was: een uitje naar de kreek in Kieldrecht begot. Waarom ook niet?

Remi, 26 februari 1918

Hoe slecht kan een mens zich voelen? Hoofdpijn, spierpijn, een piepende adem, een keel waarmee je niet kunt slikken. Lang geleden dat ik me nog zo ziek heb gevoeld. Ik kan zelfs niet gaan werken. Gelukkig begrijpen de nonnen het. Ik ben trouwens niet de enige. Ook bij de kinderen zijn er heel wat zieken. Een of andere griep die rondwaart. En wij zijn zo verzwakt dat we nagenoeg geen weerstand meer hebben. Gelukkig heb ik Marie. Wat zou ik toch zonder haar moeten doen? Gisteren had ze zelfs een stuk vlees voor me bij. ‘Om aan te sterken, Remi.’ Ik hoopte maar dat het geen hondenvlees was dat ze me voorschotelde. Die dieren worden ofwel opgeëist ofwel binnengelokt in slagerijen. Katten lopen al bijna nergens meer rond. Maar niet alleen die gedachten zorgden ervoor dat ik geen hap door mijn keel kreeg. ‘Eet gij maar, Marie,’ fluisterde ik schor. ‘Dat gij sterk blijft.’ En toen kroop ik weer in bed. Bij de familie ben ik dus nog niet geraakt, Stan. Als het weer beter wordt en ik er bovenop ben, probeer ik het opnieuw. Beloofd.

Cécile, 12 februari 1918

Ik leef vanachter het raam. Het is te zeggen: binnen de beslotenheid van ons huis doe ik iets wat lijkt op leven, maar het echte leven, dat speelt zich af op straat. Ik houd het allemaal in het oog: wie er voorbijkomt, wie met wie praat, hoelang het duurt voor iemand weer langs het raam passeert, wat die persoon bij zich heeft, wat voor kleren en schoeisel hij of zij draagt: een omgekeerde mantel of net wat bijeengeraapte vodden, klompen of schoenen met houten zolen – soms overtrokken met oud leer of stof, soms ook niet. Zo zag ik twee dagen geleden de jongemannen voorbijtrekken voor de verplichte aanmelding in het gemeentehuis. Ik zag hun bedrukte gezichten, de onrust in hun ogen en in hun lijf, hun moeders die achter hen aan stiefelden en die de schrik om het lot van hun zonen niet van hun gezicht konden houden. Enkele weken geleden zag ik dan weer iedereen langs komen zeulen met kolen – die werden verkocht in de Statiestraat. Met lege handen togen ze naar het dorp; dolgelukkig keerden ze naar huis terug met een handjevol zwarte brokken. En daarna zag ik zowat het hele dorp passeren met zijn koperen en bronzen moorkens, kandelaars, asbakken, weet ik veel. Die moesten ingeleverd worden in de gendarmerie in de Nieuwe Doelstraat. Grimmige gezichten hoorden daarbij, maar ook opvallend veel gezichten zonder uitdrukking. Tenzij onverschilligheid. Of is het verslagenheid? Als ik in de spiegel kijk, stel ik vast dat mijn gezicht ook geen uitdrukking meer heeft. Tenzij onverschilligheid. Of noem het verslagenheid. Wat maakt het uit? Het is wat het is, denk ik maar. Zo is het leven nu eenmaal.