Remi, 20 november 1917

Hoe kon ze toch zo dom zijn! Cécile, die altijd denkt dat ze zomaar kan doen wat ze zich in het hoofd haalt, heeft niet alleen zichzelf in gevaar gebracht, maar zorgt met haar onbezonnen daad er misschien ook voor dat een heel netwerk opgerold wordt. Het is een warrig verhaal, ik krijg er kop noch staart aan, en ook Marie wist het allemaal niet precies, maar wat zij opgevangen heeft, was genoeg om de koude rillingen over onze rug te laten lopen. Blijkbaar is Cécile door de Duitsers opgepakt op een onderduikadres nog voor ze de grens over kon steken; waarschijnlijk zat ze daar te wachten op het juiste moment om door een passeur de draad door te worden gesmokkeld. Het ziet er naar uit dat ze daar een dubieus persoon voor gecontacteerd heeft, iemand die best wel eens een infiltrant kan zijn. Hoeveel wist die? Hoeveel weet Cécile? ‘Ze zit in een cel in de Kommandantur,’ wist Marie me te vertellen. ‘En daar zal ze ondervraagd worden.’ ‘Ik denk niet dat ze te veel weet’, probeerde ik Marie gerust te stellen – en ook mezelf. ‘Maar wat als ze jou noemt?’ wierp Marie tegen. ‘Of mijn naam laat vallen?’ ‘Maar wij hebben toch niks met deze zaak te maken?’ opperde ik. ‘Nee, met deze zaak niet. Maar wel met Cécile.’ ‘Hoe bedoel je?’ vroeg ik, hoewel ik best wist wat ze wilde zeggen. ‘Het enige wat we kunnen hopen is dat Cécile wijs genoeg is om haar mond te houden en onze namen nergens laat vallen’, zei Marie met een duistere blik. ‘En jij zult Cécile moeten vergeten, jongen. Voor je eigen bestwil. En die van ons allemaal.’ Ik knikte, want ik besefte dat ze gelijk had. En dat is precies wat ik zal doen.

Cécile, 6 november 1917

Morgen vertrek ik. Ik heb iets geregeld, maar ik kan er niet over uitweiden, zelfs niet op dit onbeduidende vel papier. Je weet maar nooit wie het onder ogen krijgt. Ik ben zenuwachtig, maar tegelijkertijd vastberaden; ik weet zeker dat ik dit moet doen. Het zal lastig worden, en moeilijk, en gevaarlijk, dat ook, maar ik laat me niet tegenhouden. Ook niet door Remi. Zeker niet door Remi. Wat werkte die op mijn zenuwen, zeg! Ik had hem beter niks gezegd, en gewoon vertrokken zonder één woord. ‘Wacht toch, Cécile’, zei hij. ‘Het duurt niet lang meer. Je ziet toch ook de vliegtuigen die steeds talrijker over komen vliegen, op weg naar Antwerpen. Je hoort toch ook de bommen die daar vallen. Je ziet de zoeklichten van het afweergeschut tot bij ons in de donkere nachthemel. Dat betekent maar één ding: de Britten rukken op. Nog even, en je kunt zonder problemen of gevaar naar Engeland reizen.’ ‘Dan is het misschien te laat’, zei ik. ‘Ik ga, eender hoe. Met of zonder jouw hulp.’ Het is dus zonder zijn hulp geworden. Dat hij bezorgd is, tot daar aan toe, maar dat hij niet wil begrijpen waarom dit zo belangrijk voor me is, daar kan ik niet bij. Dat hij zo ongevoelig kan zijn. Dat hij me zo in de steek laat. Maar ik ga. Ik vertrek. Morgen.

Honderd houwitsers voor een varken

Ik [korporaal Frans Struyf] word bruusk uit mijn slaap gewekt, een schildwacht slaat alarm. Er zijn Duitsers gesignaleerd! Morrend verlaat ik mijn ondergrondse schuilplaats om te zien wat er gaande is. Ik tuur in de verte maar zie of hoor niets. Vals alarm dus, …

Ik begeef me terug naar de schildwacht en doe mijn beklag. Toch merk ik dat de wacht er niet gerust op is. Hij houdt zijn ogen onafgewend op de puinen van een stukgeschoten boerderij die zich, op enkele honderden meters afstand, in het niemandsland bevindt.

Struyf: “Waarom sla je alarm?”

Schildwacht: “Ik heb beweging gezien daar bij die boerderij”

Struyf: “En waarom schiet je dan niet?”

Schildwacht: “Stel dat het de arme boer is, die zich schuilhoudt in zijn verwoeste boerderij? Ik wil toch geen onschuldige slachtoffers maken.”

Plots zien wij beiden een schim tussen de ingestorte muren bewegen.

“Zie! Daar is het spook nu weer”, zucht de schildwacht. Maar vooraleer ik de schildwacht van een antwoord kan dienen, suizen de kogels rakelings over mijn hoofd. De vijand is wakker geworden! Ook wij reageren met een gepast vuursalvo. Plots wordt het stil, het geluid verstomt …  In de puinen verroert zich niets meer. Geen gerucht, geen gekreun. Alles wordt weer kalm en rustig en gans misnoegd hervatten wij onze rust.

Bij het ochtendgloren zie ik opnieuw de schim die ons de nacht tevoren zo heeft beziggehouden. Maar deze keer zie ik duidelijk waar het om gaat. Nee het is geen Duitser, ook geen Belgische soldaat of boer, ook geen spook – nee het is … vrienden lach niet – een varken! Het arme dier, zwerft, door den honger gekweld, rond in het puin op zoek naar eten.

Na deze geruststelling haast ik mij naar mijn twee kompanen Jef en Maurits om hen mijn plan kenbaar te maken. Ik wil het varken stelen en vraag hun hulp. Zij zijn erom bereid dus licht ik de schildwacht in. Ik vraag hem om een waakzaam oog te houden op de Duitse linie, doch niet te schieten, wat hij ook moge horen of zien.

Onhoorbaar sluipen wij de loopgracht uit en wagen ons in het vlakke veld. De Duitsers schijnen niets te bemerken en blijven rustig. Spoedig zijn wij tot bij de puinen gekomen. Wij treden de boerderij binnen. Niets te horen, en niets te zien. Mijn vrienden willen de terugtocht aanvangen, wanneer ik plots het gesnork van een varken hoor dat mijn gezellen doet opschrikken.

‘Janverdekke’, roept Maurits, ‘is dat nu dien vervloekten Duitscher, het spook, de schim die u niet slapen liet!

‘Wel Maurits, beter zulk een varken dan Duitschers niet waar?, antwoord ik. Maar wat gaan we nu doen? We gaan dit beestje hier toch niet voor de moffen achterlaten? Daarop neemt  Maurits het initiatief en ontvouwt zijn plan.

Maurits: “Korporaal, kom geef mij uwe bajonnet maar, daar zal ik het ook wel mede klaar spinnen! Zoo! Help mij nu maar het varken vangen. Hier korporaal, eene sterke touw, ik zal deze oude baal over het dier zijn kop trekken en het beletten te schreeuwen. Gij, gij bindt stevig een der pooten en vooruit er mede naar de slachtbank!”

Zo gezegd, zo gedaan. Het varken snuffelt en snorkt om zich heen maar telkens wij het willen grijpen, springt het weg. Tot eindelijk Maurits het beest te pakken krijgt. Het bajonet blikt in het ochtendschemer en verdwijnt met een krachtige stoot in de keel van het dier. Een scherp geluid ontsnapt het varken en weergalmd tegen de kale muren van de boerderij. Plots klinken geweerschoten en het fluiten van houwitsers.

Jongen met varken en biggen. Deze foto is vermoedelijk genomen op een boerderij in Haasdonk ergens rond de Eerste Wereldoorlog (collectie HHKLVB, fotograaf Kamiel Van de Velde)

Het dier wil maar niet zwijgen en het zweet breekt ons uit. Twintig, dertig bommen klieven door de lucht en ontploffen met wild geraas op de boerderij!

Maurits maakt er snel een einde aan. Hij hakt en kerft, en snijdt het dier in stukken zonder te letten op het gevaar. Het regent bommen en granaten. Op vijf meter afstand spat een bom uiteen. Het schroot vliegt ons rakelings voorbij. Niemand raakt gewond maar het is tijd dat we de benen nemen. Wij verzamelen de beste stukken vlees en binden ze op onze rug. Daarna kruipen we op handen en knieën terug naar onze loopgracht, waar wij triomfantelijk worden onthaald.

Alles is uiteindelijk zonder erg afgelopen. We krijgen wel een stevige uitbrander van onze officieren maar deze is al gauw vergeten.

Weldra ligt het lekkere varkensvlees te braden. De aangename geur die de lucht vervult doet onze makkers watertanden en we lachen nu – smakelijk – om het afschrikkende spook van vorige nacht! Jongens, wat was dat lekker!

Gravin Maria, 7 oktober 1917

Mijn lieve René

Vergeef me voor mijn late bedanking voor je lieve kaartje uit Lourdes. Het doet me plezier dat je zo opgetogen bent over je reis door dat mooie Frankrijk. Wat een geluk heb je gehad met het weer! Op dit ogenblik nadert de winter al voelbaar…
Ik hoop aan het einde van de maand samen met Raymond naar Lourdes te kunnen reizen. Ik ben echter bevreesd voor de koude! Zoals ik je eerder schreef, zal Raymond volgende maand wellicht dienst nemen en ik houd eraan om de speciale bescherming van de heilige maagd over hem te vragen. Om heel eerlijk te zijn, heb ik meer vrees voor het mentale gevaar dan voor het fysieke. Ik heb zo gehoopt dat de oorlog voor de winter zou afgelopen zijn, maar helaas staan we verder af dan ooit van de zo gewenste vrede. Ik denk zoveel aan jou, arme René, en aan al die beproevingen die je in de loopgraven moet blijven doorstaan! Hoe gaat het met Benoit? Zo jammer dat jullie nooit meer hierheen kunnen komen! Ik zou jullie zo graag terugzien!

Mijnheer Simons en zijn zus zijn zeer zwaar getroffen door het overlijden van een van hun broers in Oelegem op 15 augustus. Hij was pas 16 jaar. Ze hebben geen informatie over zijn ziekte noch over de omstandigheden van zijn dood. Ze stellen zich heel vragen over wat zo’n sterke, gezonde jongen mag overkomen zijn…
Met ons gaat het goed, goddank. Misschien heb je al vernomen dat we hier de afgelopen weken tot drie keer toe miraculeus aan het ergste ontsnapt zijn… Ik doe je later wel verslag over die onvergetelijke nachten.

Tot ziens, René!
Ik omhels je liefdevol
Tante Maria

Gravin Maria, 14 september 1917

Mijn lieve René

Duizend maal dank voor je lieve brief van de 6de en voor alle nieuwtjes – als je eens wist hoeveel ik aan je denk! Er gaat geen dag voorbij zonder dat ik in gedachten bij jou en je lieve broer vertoef. Ik dank de Voorzienigheid dat hij jullie beiden tot dusver in bescherming heeft genomen en ik bid dat hij dat zal blijven doen, tot aan het einde … misschien zijn we ondertussen dicht bij het einde van deze beproevingen aanbeland? Misschien ben ik tè optimistisch gestemd, maar het lijkt me toch dat de stemmen die de afgelopen weken de vrede aankondigen, alsmaar luider klinken. Misschien wordt de vrede al snel getekend?

Ik heb nieuws ontvangen uit België via de zusters karmelieten van Baarle Hertog. Er zijn meerdere kaartjes bij van mijn broer Louis, maar niets van je lieve ouders die ik nochtans ook heb geschreven. Het is meer dan waarschijnlijk dat mijn kaartje hen niet heeft bereikt.
Wist jij al dat de vriend van mijn oom Jean, de oude van Delft, onlangs is overleden? De zusters vertellen dat hij de laatste sacramenten heeft ontvangen en als een goede christen is gestorven. Hoe erg is de dood van die arme Gaëtane van de Werve? Graaf H. d’Ursel zit gevangen in Duitsland. Hj slaapt op stro in een kleine ruimte, samen met 25 andere gevangenen. Ondanks dat ze voedsel toegestuurd krijgen, lijden ze honger. Tante Marie-Thérèse schreef me erover.

Tot ziens, René, geniet van je korte vakantie. Ik omhels je innig. Heel veel liefs van je oom en van alle neven en nichten.
Tante Maria

Gravin Maria, 4 september 1917

Mijn lieve René

Je lange brief van de 27ste heeft me, zoals steeds, enorm veel plezier gedaan. Ik bedank je uit de grond van mijn hart. Moge God zo goed zijn je blijvend te beschermen.
Wat een goed idee van je om deze maand naar Lourdes te reizen! Ik hoop dat je mij in je gebeden zult opnemen wanneer je daar bent aangekomen…

Hier gaat alles min of meer goed… Iedereen verkeert in prima gezondheid, wat toch het allerbelangrijkste is. Ik zou je zo graag enkele nieuwtjes vertellen, maar dat is nu helaas onmogelijk. Wat ik wel kan vermelden en wat je ook heel erg zal interesseren, is dat ik een brief van tante Marie-Thérèse heb ontvangen. De hele familie is in goede gezondheid maar het regime van de Duitsers weegt alsmaar zwaarder. Hypolite d’Ursel, haar oom, zit in Duitsland gevangen en met hem vele andere Belgen. 25 gevangenen leven samen in een piepklein kamertje. Ze slapen op stro. Hoewel de familie hen voedselpakketten stuurt, lijden ze honger. Verder vertelt ze nog dat een van haar nichten Van de Werve is gestorven evenals de ravissante Geneviève de Chastet.
De prijzen swingen de pan uit. In Brussel betaal je 32 frank voor een kilogram koffie, 25 frank voor een kilogram boter, 18 frank voor vlees, 5 à 6 frank voor een brood en 170 frank voor een ton kolen. De mensen kijken met veel angst de komende winter tegemoet. Hoe triest is dat. Niettegenstaande al die bommen en granaten, ben ik toch gelukkig met ons verblijf hier.

Ik heb nog steeds geen antwoord ontvangen op de briefkaart die ik naar je lieve ouders heb verstuurd, maar mijn broer Louis heeft wel geantwoord. Hij houdt zich ginder bezig met de ravitaillering.
Ik omhels je liefdevol, René, en stuur je duizend kussen van je oom en je neven en nichten. Dat God je mag beschermen.
Je tante Maria

P.S. Is Benoit met vakantie?

Gravin Maria, 25 augustus 1917

Mijn lieve René,

Dank je uit het diepste van mijn hart voor je lange brief van de 19de en voor alle nieuws dat je me schrijft. Wat een geluk dat je kleine broer Albert weer aan de beterhand is! Ik heb zelf ook een brief van aan je ouders geschreven – alweer enkele weken geleden – maar heb nog geen antwoord ontvangen. Als je nog Hollandse kaarten wenst, laat het me weten en ik bezorg je ze onmiddellijk en ook aan Benoit.
Als je eens wist hoeveel ik aan jullie beiden denk! Wij beleven momenteel heel angstige tijden omwille van diegenen die zich aan het front bevinden … Dat God jullie mag blijven beschermen!

Ik weet ondertussen dat Flori moest vertrekken in de week van de 15de maar wij hebben sindsdien geen nieuws meer ontvangen over zijn aankomst in het kamp. Zijn moeder schreef me dat hij vol enthousiasme is vertrokken, zoals alle jonge mannen van zijn leeftijd, zich niet ten volle bewust van wat hem te wachten staat. Ik hoop dat hij niet al te gedesillusioneerd zal geraken, de arme jongen! Zijn moed verdient in elk geval beloond te worden. Ik weet niet of jonge mannen van 18 jaar nog steeds hun legereenheid kunnen kiezen als ze op het punt staan om opgeroepen te worden? Men heeft ons verteld dat men niet langer vrijwilligers van die leeftijd aanvaardt? Had ik dat geweten, dan had ik me niet zo sterk verzet tegen het vertrek van Raymond. Het blijft echter zo dat indien hij in oktober zijn einddiploma zou behalen, hem dat ook in het leger voordelen zou kunnen bieden.

Hier gaat alles goed. God blijft ons beschermen. De obussen blijven uit sinds de laatste terugtrekking van de Duitsers, meestal zoeken ze dan een alternatieve manier om zich te wreken. Gelukkig is men er eergisteren in geslaagd twee van die kwaadaardige vliegtuigen te verslaan. Dat was een prachtig schouwspel midden in de nacht!

Men roept mij, lieve René. Ik omhels je liefdevol en blijf triest achter omdat ik je niet meer kan zien. Veel liefs van je oom en al je neven en nichten.

Je tante Maria

Remi, 16 oktober 1917

Ik weet niet wat ik moet doen. Cécile wil weg. Haar zus, die in Engeland verblijft als gouvernante voor de graven van het kasteel, is ziek geworden, en nu wil Cécile naar haar toe om haar te verzorgen. Net alsof dat zomaar gaat. Je geraakt Beveren nog niet uit zonder de juiste reden en alle nodige passen en papieren. ‘Jij kent mensen,’ zei ze toen ik haar aan het verstand probeerde te brengen dat haar voornemen onuitvoerbaar was. ‘Jij weet hoe het moet.’ Maar dat is toch te veel gezegd. Ik ken mensen, dat klopt, en die mensen zouden mensen kennen die weten hoe het moet. Meer weet ik niet. Maar dat wilde ze niet aannemen, Cécile. ‘Dan zoek ik het zelf maar uit,’ snibde ze voor ze boos weg stapte. En misschien is dat wel gevaarlijker dan als ik haar zou helpen, ik weet het niet. Tegenwoordig krijg je al minimumgevangenisstraffen van drie tot tien jaar voor het smokkelen van kranten en brieven. En wat doen ze al niet voor een gevluchte Zivilarbeiter? Maar daar had Cécile geen oren naar, ook al leest zij net als ik de affiches die ze ophangen. Ze denkt dat ze onaantastbaar is, alleen maar omdat haar vader zijn winkelvoorraad aan de Duitsers verkoopt (en zich daar dik voor laat betalen, hoor ik overal fluisteren). Ze heeft geen idee… Ja, ik ben ook bang voor mezelf; waarom zou ik daarover liegen? Ik heb mijn leven eindelijk weer wat op orde. Ik werk voor de nonnen in de tuin van kasteel Ter Gaver, waar ze de weeskinderen opvangen omdat het Oud Geestelijk Hof is ingenomen door de Duitsers. Ze weten van mijn been (nou ja, dat ziet iedereen natuurlijk, ik kan het niet wegstoppen, dat manke been van me) en ze zien dat ik mijn best doe en me niet laat hangen, dus ze tonen alle begrip voor me. Wat kan ik in deze omstandigheden meer verlangen? Ja, er is één ding: een Cécile die voor rede vatbaar is. Maar wie haar kent, weet beter.

Cécile, 2 oktober 1917

Mijn allerliefste zus,

ik was van plan om je te schrijven over de inbeslagname van wielbanden en biljartbanden uit rekgom of gutta percha, en van asbest, en van de reacties daarop. Ik wilde het hebben over de verplichte verduistering van ramen en deuren, over de instelling van een avondklok op zondag om tien uur en op weekdagen om negen uur, en over wat de mensen daarvan maken. Ik wilde je zelfs vertellen over de zaak van de vermeende Duitse gendarmen en over de beloning die de Duitsers hebben beloofd aan al wie meer inlichtingen over deze bedriegers kan geven. Maar nadat ik de brief heb gelezen die je werkgevers ons gestuurd hebben – en die al dateert van half augustus maar ons deze ochtend pas bereikte! – kan ik aan niets anders denken dan aan jou, die ziek en alleen in Engeland bent. Hoe gaat het nu met je? Ben je al beter? Wat scheelt er precies? In de brief werd nogal vaag gedaan over je ziekte, maar dat het ernstig is leiden we af uit het feit dat je heer en mevrouw de moeite namen om ons te verwittigen. In Engeland gaat het er waarschijnlijk beter aan toe dan hier, maar evengoed is het niet het moment om ziek te worden. Er sterven er zelfs aan een simpele verkoudheid, en dan al die besmettelijke ziektes waarvan we dachten dat ze uitgeroeid waren en die weer de kop opsteken. Ik mag er niet aan denken, Eléonore, dat jij… Ik wil naar je toe, zus. Ik wil je zien en je met mijn eigen handen verzorgen. Hoe ik het ga klaarspelen, weet ik nog niet, maar voor wie dat echt wil, is er altijd wel ergens een uitweg. Hoe dan ook zal ik mijn best doen. Doe jij dat ook, Eléonore. Wees sterk. Ik kom eraan.

Je liefhebbende zus Cécile

Remi, 18 september 1917

Thuis. Maar wat voelt het raar aan. Het lijkt alsof ik jaren weg geweest ben. Het is alsof alles hier anders is geworden en toch is er niets veranderd. Of misschien wel. De bezetters zien er nog verbetener uit, en de mensen in het dorp – hoe zal ik het zeggen? Verslagener. Wanhopiger. Gelatener ook. Alsof het hen niks meer kan schelen. Alsof ze niet willen dat het hen nog wat kan schelen. Ik kan het niet goed uitdrukken, maar dat is de indruk die ze me geven. Iedereen is het beu, maar niemand kan er wat aan doen. Dat gevoel.

Ik herken het maar al te goed. Ook ik ben het beu. En ook ik kan er niks aan doen. Maar ik moet vooruit. Cécile ging proberen me een baantje te bezorgen bij de zusters. Dat kan ik nog wel, denk ik, de tuin verzorgen en de moestuinen onderhouden. Op mijn gemak. Mijn been wil nog altijd niet mee. Ik weet niet of dat ooit nog in orde komt, maar ik weet wel dat ik al bij al nog geluk heb gehad, als je ziet hoe anderen zijn teruggekomen. Als ze al zijn teruggekeerd.

En Cécile zelf? Ze is het licht in mijn leven, dat kan ik nu wel zeggen, maar ik ben er bijlange niet zo zeker van of ik dat ook ben voor haar. Ze leek blij me terug te zien, ze vloog me om mijn hals toen ik voor haar stond, maar dat moet een impuls geweest zijn, een opwelling, want meteen daarna leek ze daar zelf van te schrikken en loste ze me gauw. En sindsdien doet ze wat afstandelijk, vind ik. Alsof ze er spijt van heeft dat ze zich een seconde lang heeft laten gaan, en mij daar de schuld van geeft.

Maar het is allemaal de schuld van die oorlog, ja. En het einde lijkt nog niet in zicht.