Frans Struyf, 1 februari 1918

Ik krijg het bevel om mij bij de 10e compagnie te voegen, die zich in Oost-Vleteren bevind. Daar krijg ik de opdracht om te gaan werken dicht bij de Engelse loopgraven. De volgende dag verhuizen we opnieuw met onze nieuwe compagnie. Hier en daar moeten wij schuilplaatsen in beton optrekken. Ons nieuwe logement is zeer dicht bij de Kemmelberg gelegen. Dagelijks worden we gebombardeerd. Dan moeten we ons in de bossen gaan verstoppen

Remi, 22 januari 1918

Dag Stan. Het lijkt lang geleden dat ik je nog eens wat verteld heb. Omdat ik toch geen antwoord krijg? Omdat je nog altijd niks van je laten weten hebt? Omdat ik geen zin meer heb om je over de oorlog te vertellen? Ik weet het niet. Het is een gewoonte geworden, oorlog. Alsof het nooit anders is geweest. Alsof jij altijd al weg bent geweest en wij nooit samen in het park rond Hof ter Saksen hebben gewerkt. Dat waren nog eens mooie dagen. Schone herinneringen. Van tijd tot tijd overvallen ze me – vooral als ik bezig ben in de tuin van Ter Gaever, en voor heel even alles om me heen vergeet – en dan vraag ik me af of ik het me allemaal niet gewoon verbeeld. Mijn verstand weet dat er andere tijden zijn geweest – deze foto is het bewijs – maar mijn gevoel zegt iets anders. Dat volgt niet. En misschien is dat niet eens zo slecht. Van alles voelen, bedoel ik dan. Te veel voelen. Het maakt het leven soms alleen maar ingewikkelder. Hoe dan ook heb ik me voorgenomen om binnenkort de familie nog eens te proberen te bezoeken. Het is lang geleden. Ze zullen schrikken als ze me zien opdagen. Ook jij zult me niet meer herkennen, Stan. Ik lijk niet meer op de Remi op onze foto. Ik ben het, en toch ook weer niet. Het is een vorige versie van mij op die foto. Soms beeld ik me in dat ook jij, waar je ook bent, naar die foto kijkt en dan aan me denkt. Het is een plezante gedachte, maar ze maakt me ook triest. Maar goed, een bezoek aan de familie. Of het zal lukken weet ik niet, met die grens tussen Generaal-Gouvernement en Etappengebied, en met dat been van mij. En er is mond- en klauwzeer uitgebroken. En schurft bij paarden. Vee- en varkensmarkten worden afgelast, rond de hoeve van Van Esbroeck op de Vesten – weet je nog? – wordt een spergebied ingesteld. Straks mag misschien niemand zich nog verplaatsen om verspreiding tegen te gaan. Dan is dat ook maar zo. Dan blijf ik gewoon hier. Met deze foto in mijn borstzak en mijn hoofd vol herinneringen die ik niet wil vergeten.

Cécile, 8 januari 1918

Gelukkig nieuwjaar iedereen. Ook een gelukkig nieuwjaar voor mezelf. Zelfs voor Eléonore, voor wie dit allemaal voorbij is. Voor ons is het dat nog niet. Wij moeten voort. Dat zegt mama bijna elke dag, als om zichzelf moed in te spreken. Ze sleept zich maar wat voort, en dat begrijp ik. Drie en een half jaar hebben we Eléonore niet gezien of gehoord, maar de pijn van het gemis werd verzacht omdat we wisten dat ze er was en dat ze het goed stelde, wachtend tot dit alles voorbij was om ons terug te zien. Nu we weten dat dat moment er nooit meer zal komen, houdt niks de pijn nog tegen. En het kan niemand wat schelen. Niemand spreekt een troostend woord tot ons of geeft een blijk van medeleven. En nu zeker niet. Want blijkbaar was het nog niet genoeg dat we met de nek werden aangekeken door papa’s ‘demarche’. Er moest nog een schep bovenop: de inkwartiering van een Hauptman en zijn adjudant. We zijn nochtans niet de enigen. Alleen al hier in de Kloosterstraat zijn er verschillende Duitse hoge piefen ingekwartierd, zoals bij madame Lesseliers. Ze zitten overal. In de Stationsstraat, waar meerdere officierskwartieren zijn, in de Zandstraat, waar de Ortskommandantur gevestigd is – in kasteel Molenberg, of het Zwart Hekken zoals het hier gekend is, van de familie de la Kethulle de Ryhove -, in de Vrasenestraat bij de burgemeester. Overal in de schoonste huizen, en in de kastelen, zoals het Zwart Hekken. In kasteel Cortewalle is een casino gevestigd; kasteel Ter Vesten is het kwartier van Feldwebelleutnant Tilpe, ook de telefooncentrale bevindt zich daar. En zo kan ik nog wel even verdergaan: het kasteel in de Kasteeldreef, Hof ter Saksen, … En dan zijn er nog de buitenwachten in de Vliegenstal, het Zillebeek, Klaverenaas of Tijskenshoek. Overal. En nu dus ook bij ons. Om helemaal paria’s van ons te maken. Ach…

 

Remi, 18 december 1917

Winter. De vierde oorlogswinter weeral. Wie had dat in die prachtige augustusdagen van 1914 kunnen voorspellen? Het ziet er niet naar uit dat deze winter beter zal worden dan de vorige, die barkoud was en zoveel mensen het leven heeft gekost. Met al die hagel en sneeuw en stortbuien van de laatste dagen is het weer niet beter dan toen – sommige nachten vriest het nu al tot 12 graden onder nul. Sommige scholen zijn zelfs gesloten bij gebrek aan brandstof – omgewaaide bomen worden immers opgeëist, en wat hier en daar gesprokkelde takjes en stokjes geven niet genoeg warmte om een klaslokaal te verwarmen. Ook op andere vlakken is de ontbering onder de mensen er niet minder op geworden. Voedsel is nog schaarser en bijgevolg liggen de prijzen nog hoger dan vorig jaar. De aardappelen, die op elk beschikbaar stukje grasveld werden geplant, brengen geen soelaas; de oogst valt tegen, met knollen die hard en klein zijn door de te koude zomer. Zelfs dat – de koude zomer – wrijven de mensen de boeren aan, hoewel zij daar evengoed het slachtoffer van zijn. Ach, de mensen klagen over alles en iedereen. Ze weten het niet meer. Ze zijn tegen de Duitsers, maar ook tegen Engeland, met hun bombardementen waarbij ook – onvermijdelijk – burgerslachtoffers vallen. En dan die activisten, die met hun openlijke oproepen en hun gestook de mensen nog meer verdelen. Antwerpen is een politiek slagveld geworden; voortdurend zijn er rellen en opstootjes tussen voorstanders van de Flamenpolitik en tegenstanders ervan. En de Duitsers staan erop te kijken en wrijven zich in de handen. Want dat is het enige wat die activisten bereiken: dat de moffen er wel bij varen. Ons helpt het niks vooruit. Maar wie heeft wat aan mijn mening, ik, een onbeduidende mankepoot die zelfs zijn vriendinnetje laat vallen als een baksteen als hem dat het beste uitkomt?

Cécile, 4 december 1917

Alles is voor niks geweest. Eergisteren bereikte me het bericht dat mijn zus Eléonore in Engeland overleden is aan de gevolgen van een longontsteking. Het bericht dateerde van een maand geleden; toen was ik nog in de waan dat ze op me wachtte en bereidde ik mijn vlucht voor. Een vlucht die dus slecht is afgelopen. Wat er precies gebeurd is, weet ik nog steeds niet; ik denk dat we verraden zijn, anders kan ik het niet uitleggen. Ik ben niet eens tot aan de grens geraakt. En dan die dagen in de cel in de Kommandantur… Wat een vernedering. Blijkbaar weet iedereen ervan in het dorp. We worden met de nek aangekeken. Maar wat hadden ze dan gewild, dat vader me in die cel had laten wegrotten? Natuurlijk hebben hij en mama gedaan wat ze konden om me vrij te krijgen. Dat zou toch iedereen doen als hij dat kon? Hoe dan ook, ik kom niet meer buiten sinds dat voorval. Zelfs Remi mijdt me. Maar het geeft niet. Niet echt. En nu is zeker niemand in staat om ook maar iets van het verdriet weg te nemen dat me de laatste dagen overspoelt. Het is een reden te meer om me op te sluiten in dit huis vol herinneringen aan een betere tijd, dicht bij de kachel die gevoed wordt door de laatste orderboeken van vader, in een poging om met dat zielige beetje warmte de kou uit mijn lichaam te verjagen.

Remi, 20 november 1917

Hoe kon ze toch zo dom zijn! Cécile, die altijd denkt dat ze zomaar kan doen wat ze zich in het hoofd haalt, heeft niet alleen zichzelf in gevaar gebracht, maar zorgt met haar onbezonnen daad er misschien ook voor dat een heel netwerk opgerold wordt. Het is een warrig verhaal, ik krijg er kop noch staart aan, en ook Marie wist het allemaal niet precies, maar wat zij opgevangen heeft, was genoeg om de koude rillingen over onze rug te laten lopen. Blijkbaar is Cécile door de Duitsers opgepakt op een onderduikadres nog voor ze de grens over kon steken; waarschijnlijk zat ze daar te wachten op het juiste moment om door een passeur de draad door te worden gesmokkeld. Het ziet er naar uit dat ze daar een dubieus persoon voor gecontacteerd heeft, iemand die best wel eens een infiltrant kan zijn. Hoeveel wist die? Hoeveel weet Cécile? ‘Ze zit in een cel in de Kommandantur,’ wist Marie me te vertellen. ‘En daar zal ze ondervraagd worden.’ ‘Ik denk niet dat ze te veel weet’, probeerde ik Marie gerust te stellen – en ook mezelf. ‘Maar wat als ze jou noemt?’ wierp Marie tegen. ‘Of mijn naam laat vallen?’ ‘Maar wij hebben toch niks met deze zaak te maken?’ opperde ik. ‘Nee, met deze zaak niet. Maar wel met Cécile.’ ‘Hoe bedoel je?’ vroeg ik, hoewel ik best wist wat ze wilde zeggen. ‘Het enige wat we kunnen hopen is dat Cécile wijs genoeg is om haar mond te houden en onze namen nergens laat vallen’, zei Marie met een duistere blik. ‘En jij zult Cécile moeten vergeten, jongen. Voor je eigen bestwil. En die van ons allemaal.’ Ik knikte, want ik besefte dat ze gelijk had. En dat is precies wat ik zal doen.

Cécile, 6 november 1917

Morgen vertrek ik. Ik heb iets geregeld, maar ik kan er niet over uitweiden, zelfs niet op dit onbeduidende vel papier. Je weet maar nooit wie het onder ogen krijgt. Ik ben zenuwachtig, maar tegelijkertijd vastberaden; ik weet zeker dat ik dit moet doen. Het zal lastig worden, en moeilijk, en gevaarlijk, dat ook, maar ik laat me niet tegenhouden. Ook niet door Remi. Zeker niet door Remi. Wat werkte die op mijn zenuwen, zeg! Ik had hem beter niks gezegd, en gewoon vertrokken zonder één woord. ‘Wacht toch, Cécile’, zei hij. ‘Het duurt niet lang meer. Je ziet toch ook de vliegtuigen die steeds talrijker over komen vliegen, op weg naar Antwerpen. Je hoort toch ook de bommen die daar vallen. Je ziet de zoeklichten van het afweergeschut tot bij ons in de donkere nachthemel. Dat betekent maar één ding: de Britten rukken op. Nog even, en je kunt zonder problemen of gevaar naar Engeland reizen.’ ‘Dan is het misschien te laat’, zei ik. ‘Ik ga, eender hoe. Met of zonder jouw hulp.’ Het is dus zonder zijn hulp geworden. Dat hij bezorgd is, tot daar aan toe, maar dat hij niet wil begrijpen waarom dit zo belangrijk voor me is, daar kan ik niet bij. Dat hij zo ongevoelig kan zijn. Dat hij me zo in de steek laat. Maar ik ga. Ik vertrek. Morgen.

Honderd houwitsers voor een varken

Ik [korporaal Frans Struyf] word bruusk uit mijn slaap gewekt, een schildwacht slaat alarm. Er zijn Duitsers gesignaleerd! Morrend verlaat ik mijn ondergrondse schuilplaats om te zien wat er gaande is. Ik tuur in de verte maar zie of hoor niets. Vals alarm dus, …

Ik begeef me terug naar de schildwacht en doe mijn beklag. Toch merk ik dat de wacht er niet gerust op is. Hij houdt zijn ogen onafgewend op de puinen van een stukgeschoten boerderij die zich, op enkele honderden meters afstand, in het niemandsland bevindt.

Struyf: “Waarom sla je alarm?”

Schildwacht: “Ik heb beweging gezien daar bij die boerderij”

Struyf: “En waarom schiet je dan niet?”

Schildwacht: “Stel dat het de arme boer is, die zich schuilhoudt in zijn verwoeste boerderij? Ik wil toch geen onschuldige slachtoffers maken.”

Plots zien wij beiden een schim tussen de ingestorte muren bewegen.

“Zie! Daar is het spook nu weer”, zucht de schildwacht. Maar vooraleer ik de schildwacht van een antwoord kan dienen, suizen de kogels rakelings over mijn hoofd. De vijand is wakker geworden! Ook wij reageren met een gepast vuursalvo. Plots wordt het stil, het geluid verstomt …  In de puinen verroert zich niets meer. Geen gerucht, geen gekreun. Alles wordt weer kalm en rustig en gans misnoegd hervatten wij onze rust.

Bij het ochtendgloren zie ik opnieuw de schim die ons de nacht tevoren zo heeft beziggehouden. Maar deze keer zie ik duidelijk waar het om gaat. Nee het is geen Duitser, ook geen Belgische soldaat of boer, ook geen spook – nee het is … vrienden lach niet – een varken! Het arme dier, zwerft, door den honger gekweld, rond in het puin op zoek naar eten.

Na deze geruststelling haast ik mij naar mijn twee kompanen Jef en Maurits om hen mijn plan kenbaar te maken. Ik wil het varken stelen en vraag hun hulp. Zij zijn erom bereid dus licht ik de schildwacht in. Ik vraag hem om een waakzaam oog te houden op de Duitse linie, doch niet te schieten, wat hij ook moge horen of zien.

Onhoorbaar sluipen wij de loopgracht uit en wagen ons in het vlakke veld. De Duitsers schijnen niets te bemerken en blijven rustig. Spoedig zijn wij tot bij de puinen gekomen. Wij treden de boerderij binnen. Niets te horen, en niets te zien. Mijn vrienden willen de terugtocht aanvangen, wanneer ik plots het gesnork van een varken hoor dat mijn gezellen doet opschrikken.

‘Janverdekke’, roept Maurits, ‘is dat nu dien vervloekten Duitscher, het spook, de schim die u niet slapen liet!

‘Wel Maurits, beter zulk een varken dan Duitschers niet waar?, antwoord ik. Maar wat gaan we nu doen? We gaan dit beestje hier toch niet voor de moffen achterlaten? Daarop neemt  Maurits het initiatief en ontvouwt zijn plan.

Maurits: “Korporaal, kom geef mij uwe bajonnet maar, daar zal ik het ook wel mede klaar spinnen! Zoo! Help mij nu maar het varken vangen. Hier korporaal, eene sterke touw, ik zal deze oude baal over het dier zijn kop trekken en het beletten te schreeuwen. Gij, gij bindt stevig een der pooten en vooruit er mede naar de slachtbank!”

Zo gezegd, zo gedaan. Het varken snuffelt en snorkt om zich heen maar telkens wij het willen grijpen, springt het weg. Tot eindelijk Maurits het beest te pakken krijgt. Het bajonet blikt in het ochtendschemer en verdwijnt met een krachtige stoot in de keel van het dier. Een scherp geluid ontsnapt het varken en weergalmd tegen de kale muren van de boerderij. Plots klinken geweerschoten en het fluiten van houwitsers.

Jongen met varken en biggen. Deze foto is vermoedelijk genomen op een boerderij in Haasdonk ergens rond de Eerste Wereldoorlog (collectie HHKLVB, fotograaf Kamiel Van de Velde)

Het dier wil maar niet zwijgen en het zweet breekt ons uit. Twintig, dertig bommen klieven door de lucht en ontploffen met wild geraas op de boerderij!

Maurits maakt er snel een einde aan. Hij hakt en kerft, en snijdt het dier in stukken zonder te letten op het gevaar. Het regent bommen en granaten. Op vijf meter afstand spat een bom uiteen. Het schroot vliegt ons rakelings voorbij. Niemand raakt gewond maar het is tijd dat we de benen nemen. Wij verzamelen de beste stukken vlees en binden ze op onze rug. Daarna kruipen we op handen en knieën terug naar onze loopgracht, waar wij triomfantelijk worden onthaald.

Alles is uiteindelijk zonder erg afgelopen. We krijgen wel een stevige uitbrander van onze officieren maar deze is al gauw vergeten.

Weldra ligt het lekkere varkensvlees te braden. De aangename geur die de lucht vervult doet onze makkers watertanden en we lachen nu – smakelijk – om het afschrikkende spook van vorige nacht! Jongens, wat was dat lekker!

Gravin Maria, 7 oktober 1917

Mijn lieve René

Vergeef me voor mijn late bedanking voor je lieve kaartje uit Lourdes. Het doet me plezier dat je zo opgetogen bent over je reis door dat mooie Frankrijk. Wat een geluk heb je gehad met het weer! Op dit ogenblik nadert de winter al voelbaar…
Ik hoop aan het einde van de maand samen met Raymond naar Lourdes te kunnen reizen. Ik ben echter bevreesd voor de koude! Zoals ik je eerder schreef, zal Raymond volgende maand wellicht dienst nemen en ik houd eraan om de speciale bescherming van de heilige maagd over hem te vragen. Om heel eerlijk te zijn, heb ik meer vrees voor het mentale gevaar dan voor het fysieke. Ik heb zo gehoopt dat de oorlog voor de winter zou afgelopen zijn, maar helaas staan we verder af dan ooit van de zo gewenste vrede. Ik denk zoveel aan jou, arme René, en aan al die beproevingen die je in de loopgraven moet blijven doorstaan! Hoe gaat het met Benoit? Zo jammer dat jullie nooit meer hierheen kunnen komen! Ik zou jullie zo graag terugzien!

Mijnheer Simons en zijn zus zijn zeer zwaar getroffen door het overlijden van een van hun broers in Oelegem op 15 augustus. Hij was pas 16 jaar. Ze hebben geen informatie over zijn ziekte noch over de omstandigheden van zijn dood. Ze stellen zich heel vragen over wat zo’n sterke, gezonde jongen mag overkomen zijn…
Met ons gaat het goed, goddank. Misschien heb je al vernomen dat we hier de afgelopen weken tot drie keer toe miraculeus aan het ergste ontsnapt zijn… Ik doe je later wel verslag over die onvergetelijke nachten.

Tot ziens, René!
Ik omhels je liefdevol
Tante Maria