Auteur: Remi Meerschaert

Remi, 16 juli 1918

Wat er daarnet op mijn hoofd viel! Een portret van de koning en de koningin! Niet één portret, maar tientallen. Het regende Alberts en Elizabethen. Om ons te herinneren aan de nationale feestdag die eraan komt natuurlijk. De kinderen waren door het dolle heen. Zoiets fleurt een dag toch op, nietwaar. En daarvoor doen ze het natuurlijk. Het gebeurt de laatste tijd wel meer. Dan komt er zo’n vliegmachine over het dorp – Britten, altijd Britten – en dan dwarrelt er van alles naar beneden. Een portret, of een pamflet. En dan voel je je hart toch wel even opspringen. ‘Ze denken aan ons’, gaat er dan door je heen. ‘Ze zijn ons niet vergeten.’ En dan kun je er weer even tegen.

Het geeft niet dat zo’n portret of pamflet in Duitse handen valt. Niet echt. Ze weten toch dat het gebeurt. En wat kunnen ze er nog tegen beginnen als het al door de lucht zweeft of op de grond ligt? Niet veel, hè. En daarbij: het is niet meer wat het geweest is. Dit verhaal hoorde ik gisteren vertellen – of het waar is, weet ik niet, maar het zou best kunnen: er kwamen gendarmen aan een huis om het te doorzoeken; de inwoners zouden iets van koper achtergehouden hebben. Maar de twee soldaten, die daar ingekwartierd waren, beletten de gendarmen om hun werk te doen. Zonder een vinger uit te kunnen steken moesten de gendarmen uiteindelijk afdruipen. Zo zie je maar. Ook de Duitsers zijn het beu. De gewone soldaten dan toch. Die willen na vier jaar ook naar huis. Die willen ook weer een gewoon leven. Wie wil dat nu niet? De Kaiser misschien. Maar die telt hier niet meer mee, wat denkt hij wel!

Remi, 18 juni 1918

Wat een weer! Winterse koude, felle onweders, wolkbreuken, hagelbuien zodat het lijkt alsof het gesneeuwd heeft. Het kan niet op! Het gevolg: een ramp. De bessen aan de struiken, de jonge vruchten aan de fruitbomen: kapot geregend, gewaaid, gehageld. Mijn moes- en groentetuin: weggespoeld. Ik mag er niet aan denken wat voor gevolgen dit zal hebben voor de oogst die op de velden staat. Ik houd er mijn hart voor vast. Hier probeer ik te doen wat ik kan om de schade te beperken en te redden wat er te redden valt. De kinderen die zich er sterk genoeg voor voelen, helpen me. En dat zijn er eigenlijk niet zo veel. Je zou de kleintjes moeten zien, zo bleek, zo mager. Sommigen zien er echt uitgeput uit. Hun ogen zo groot boven hun ingevallen wangetjes. Hun vel rood en schilferig door de zeep waarmee ze zich moeten wassen; het lijkt wel schuurpapier. Hun knoken steken langs alle kanten door hun dunne vel, en ze hoesten zich de longen uit het lijf. Tuberculose, zeggen de zusters. Ze willen de kinderen die aangetast zijn, afscheiden van de rest. En ook die met tyfus moeten apart gehouden worden. Elk kind apart dan maar? Het is geen doen zo. Dat de Britten en de Amerikanen maar opschieten. Het is niet meer om aan te zien.

Tuinierende weeskinderen in het park van het kasteel ter Gaever in Beveren tijdens de Eerste Wereldoorlog, Archief de Bergeyck, collectie John Buyse

Remi, 21 mei 1918

‘Remi’, zei Marie gisteravond toen ze thuiskwam. ‘Moet je nu horen. Er vallen bommen op Gent.’

Ik begreep eerst niet goed waarom ze daar blij om leek.

‘Het frontgebied schuift op’, zei ze toen. ‘Landinwaarts.’

Ze trok haar wenkbrauwen op als om te zeggen “wat vind je daarvan?” Maar ook die woorden moest ik even laten bezinken. Toen dacht ik dat ik het begreep.

‘Wil dat zeggen dat de Duitsers teruggedrongen worden?’

‘Daar lijkt het wel op’, bevestigde ze.

Hoe ze aan het nieuws kwam, weet ik niet, en dat heb ik ook niet gevraagd, maar ik geloofde haar. En het grootste nieuws moest toen nog komen.

‘De Britse marine heeft de havens van Zeebrugge en Oostende aangevallen. Een maand geleden al. De Duitse U-boten – je weet wel, de onderzeeërs die de Noordzee onveilig maken – die worden gemaakt in Brugge. Daarna worden ze via het kanaal naar Zeebrugge of Oostende en dus naar zee gebracht. De Britten willen dat dat stopt, zodat er aan die U-botenoorlog een einde komt. Zodat Britse en Amerikaanse schepen niet langer getorpedeerd worden, begrijp je. En daarom voerden ze een aanval uit op de havens. Om de vaargeul van de onderzeeërs te blokkeren hebben ze schepen tot zinken gebracht.’

‘En?’ vroeg ik hoopvol.

Ze weifelde even voor ze antwoordde. ‘Het is niet helemaal gelukt’, zei ze toen. ‘De U-boten blijven uitvaren. Maar het toont wel aan dat er iets aan het keren is, Remi. Voor het eerst in vier jaar tijd.’

‘Zou het?’ vroeg ik.

‘Jawel’, knikte ze vol overtuiging. ‘Heel zeker.’

De hele avond kon ik aan niks anders meer denken, en ook vandaag keren mijn gedachten steeds weer terug naar haar verhaal. Als het eens waar mocht zijn. Wat zou dat mooi zijn.

 

Remi, 23 april 1918

Eindelijk is het wat warmer geworden. Eindelijk voel je lente in de lucht. De winter heeft lang geduurd dit jaar, maar je ziet: vroeg of laat komt aan alles een einde. Nu deze oorlog nog. En wie weet, misschien komt ook dat er nu wel echt aan. Er is in elk geval wat op til, zoveel is duidelijk. Af en toe horen we berichten van het front, waar naar het schijnt weer hevig gevochten wordt. Maar ook hier voel je onrust. Ik kan het niet goed uitleggen, maar er is iets met de Duitsers. De gewone soldaten gedragen zich losser, lijkt het wel, maar de officieren lopen er net heel gespannen bij. Ze haasten zich over straat, ze snauwen nog meer dan anders, en ze spelen op voor het minste. En de troepen worden sneller afgewisseld dan anders; die indruk krijg ik toch. Er worden precies ook minder affiches uitgehangen – zijn ze door hun voorraad regeltjes heen, of hebben ze wat anders aan hun kop dan ons te koeioneren? Misschien beeld ik het me gewoon in, of wil ik het te hard, maar stel je eens voor hoe mooi het zou zijn als het einde eindelijk in zicht kwam. Het heeft lang genoeg geduurd; wat zeg ik, het is genoeg geweest. En met die gedachte sta ik niet alleen.

Remi, 29 maart 1918

Het heeft even geduurd, maar ik ben er eindelijk weer bovenop. Wat een ellende, de griep van dit jaar. Maar ik heb geluk. Er sterven er heel wat. Oude mensen, jonge kinderen. Elke dag hoor je wel van iemand. Er kunnen heel wat namen geschrapt worden op de lijsten die sinds kort verplicht aan elke gevel uit moeten hangen, met de inwoners van het huis erop vermeld. Het is echt triestig om te zien. Maar verbazen doet het niet. We zijn vel over been, we hebben te weinig te eten, we hebben bijna niks meer om ons mee te verwarmen, er zijn zo goed als geen medicijnen, en de winter blijft maar duren. Er is nochtans voedsel – voor wie het kan betalen. De zwarte markt bloeit, de smokkelaars doen gouden zaken. Die worden allemaal rijk! Je zou de danszalen moeten zien die als paddenstoelen overal uit de grond schieten; je mag niet denken aan het geld dat daar verbrast wordt. Maar het is er ook gevaarlijker op geworden. Marie is bang geworden, zij houdt het voorlopig voor bekeken. Dat komt niet alleen door de afrekeningen tussen de smokkelaars onderling, maar ook door de steeds strengere straffen die de Duitsers uitspreken, ook al doen sommigen van hen gewoon mee met de smokkelaars, zoals onlangs nog is gebleken in De Klinge. En dat is wellicht wijs van haar, of haar naam verschijnt binnenkort ook op zo’n plakkaat met de mededeling dat ze verdreven is van het grondgebied – al is dat nog een milde straf, voor hetzelfde geld krijg je een kogel door je kop. En wat zou ik dan moeten beginnen?

Remi, 26 februari 1918

Hoe slecht kan een mens zich voelen? Hoofdpijn, spierpijn, een piepende adem, een keel waarmee je niet kunt slikken. Lang geleden dat ik me nog zo ziek heb gevoeld. Ik kan zelfs niet gaan werken. Gelukkig begrijpen de nonnen het. Ik ben trouwens niet de enige. Ook bij de kinderen zijn er heel wat zieken. Een of andere griep die rondwaart. En wij zijn zo verzwakt dat we nagenoeg geen weerstand meer hebben. Gelukkig heb ik Marie. Wat zou ik toch zonder haar moeten doen? Gisteren had ze zelfs een stuk vlees voor me bij. ‘Om aan te sterken, Remi.’ Ik hoopte maar dat het geen hondenvlees was dat ze me voorschotelde. Die dieren worden ofwel opgeëist ofwel binnengelokt in slagerijen. Katten lopen al bijna nergens meer rond. Maar niet alleen die gedachten zorgden ervoor dat ik geen hap door mijn keel kreeg. ‘Eet gij maar, Marie,’ fluisterde ik schor. ‘Dat gij sterk blijft.’ En toen kroop ik weer in bed. Bij de familie ben ik dus nog niet geraakt, Stan. Als het weer beter wordt en ik er bovenop ben, probeer ik het opnieuw. Beloofd.

Remi, 22 januari 1918

Dag Stan. Het lijkt lang geleden dat ik je nog eens wat verteld heb. Omdat ik toch geen antwoord krijg? Omdat je nog altijd niks van je laten weten hebt? Omdat ik geen zin meer heb om je over de oorlog te vertellen? Ik weet het niet. Het is een gewoonte geworden, oorlog. Alsof het nooit anders is geweest. Alsof jij altijd al weg bent geweest en wij nooit samen in het park rond Hof ter Saksen hebben gewerkt. Dat waren nog eens mooie dagen. Schone herinneringen. Van tijd tot tijd overvallen ze me – vooral als ik bezig ben in de tuin van Ter Gaever, en voor heel even alles om me heen vergeet – en dan vraag ik me af of ik het me allemaal niet gewoon verbeeld. Mijn verstand weet dat er andere tijden zijn geweest – deze foto is het bewijs – maar mijn gevoel zegt iets anders. Dat volgt niet. En misschien is dat niet eens zo slecht. Van alles voelen, bedoel ik dan. Te veel voelen. Het maakt het leven soms alleen maar ingewikkelder. Hoe dan ook heb ik me voorgenomen om binnenkort de familie nog eens te proberen te bezoeken. Het is lang geleden. Ze zullen schrikken als ze me zien opdagen. Ook jij zult me niet meer herkennen, Stan. Ik lijk niet meer op de Remi op onze foto. Ik ben het, en toch ook weer niet. Het is een vorige versie van mij op die foto. Soms beeld ik me in dat ook jij, waar je ook bent, naar die foto kijkt en dan aan me denkt. Het is een plezante gedachte, maar ze maakt me ook triest. Maar goed, een bezoek aan de familie. Of het zal lukken weet ik niet, met die grens tussen Generaal-Gouvernement en Etappengebied, en met dat been van mij. En er is mond- en klauwzeer uitgebroken. En schurft bij paarden. Vee- en varkensmarkten worden afgelast, rond de hoeve van Van Esbroeck op de Vesten – weet je nog? – wordt een spergebied ingesteld. Straks mag misschien niemand zich nog verplaatsen om verspreiding tegen te gaan. Dan is dat ook maar zo. Dan blijf ik gewoon hier. Met deze foto in mijn borstzak en mijn hoofd vol herinneringen die ik niet wil vergeten.

Remi, 18 december 1917

Winter. De vierde oorlogswinter weeral. Wie had dat in die prachtige augustusdagen van 1914 kunnen voorspellen? Het ziet er niet naar uit dat deze winter beter zal worden dan de vorige, die barkoud was en zoveel mensen het leven heeft gekost. Met al die hagel en sneeuw en stortbuien van de laatste dagen is het weer niet beter dan toen – sommige nachten vriest het nu al tot 12 graden onder nul. Sommige scholen zijn zelfs gesloten bij gebrek aan brandstof – omgewaaide bomen worden immers opgeëist, en wat hier en daar gesprokkelde takjes en stokjes geven niet genoeg warmte om een klaslokaal te verwarmen. Ook op andere vlakken is de ontbering onder de mensen er niet minder op geworden. Voedsel is nog schaarser en bijgevolg liggen de prijzen nog hoger dan vorig jaar. De aardappelen, die op elk beschikbaar stukje grasveld werden geplant, brengen geen soelaas; de oogst valt tegen, met knollen die hard en klein zijn door de te koude zomer. Zelfs dat – de koude zomer – wrijven de mensen de boeren aan, hoewel zij daar evengoed het slachtoffer van zijn. Ach, de mensen klagen over alles en iedereen. Ze weten het niet meer. Ze zijn tegen de Duitsers, maar ook tegen Engeland, met hun bombardementen waarbij ook – onvermijdelijk – burgerslachtoffers vallen. En dan die activisten, die met hun openlijke oproepen en hun gestook de mensen nog meer verdelen. Antwerpen is een politiek slagveld geworden; voortdurend zijn er rellen en opstootjes tussen voorstanders van de Flamenpolitik en tegenstanders ervan. En de Duitsers staan erop te kijken en wrijven zich in de handen. Want dat is het enige wat die activisten bereiken: dat de moffen er wel bij varen. Ons helpt het niks vooruit. Maar wie heeft wat aan mijn mening, ik, een onbeduidende mankepoot die zelfs zijn vriendinnetje laat vallen als een baksteen als hem dat het beste uitkomt?

Remi, 20 november 1917

Hoe kon ze toch zo dom zijn! Cécile, die altijd denkt dat ze zomaar kan doen wat ze zich in het hoofd haalt, heeft niet alleen zichzelf in gevaar gebracht, maar zorgt met haar onbezonnen daad er misschien ook voor dat een heel netwerk opgerold wordt. Het is een warrig verhaal, ik krijg er kop noch staart aan, en ook Marie wist het allemaal niet precies, maar wat zij opgevangen heeft, was genoeg om de koude rillingen over onze rug te laten lopen. Blijkbaar is Cécile door de Duitsers opgepakt op een onderduikadres nog voor ze de grens over kon steken; waarschijnlijk zat ze daar te wachten op het juiste moment om door een passeur de draad door te worden gesmokkeld. Het ziet er naar uit dat ze daar een dubieus persoon voor gecontacteerd heeft, iemand die best wel eens een infiltrant kan zijn. Hoeveel wist die? Hoeveel weet Cécile? ‘Ze zit in een cel in de Kommandantur,’ wist Marie me te vertellen. ‘En daar zal ze ondervraagd worden.’ ‘Ik denk niet dat ze te veel weet’, probeerde ik Marie gerust te stellen – en ook mezelf. ‘Maar wat als ze jou noemt?’ wierp Marie tegen. ‘Of mijn naam laat vallen?’ ‘Maar wij hebben toch niks met deze zaak te maken?’ opperde ik. ‘Nee, met deze zaak niet. Maar wel met Cécile.’ ‘Hoe bedoel je?’ vroeg ik, hoewel ik best wist wat ze wilde zeggen. ‘Het enige wat we kunnen hopen is dat Cécile wijs genoeg is om haar mond te houden en onze namen nergens laat vallen’, zei Marie met een duistere blik. ‘En jij zult Cécile moeten vergeten, jongen. Voor je eigen bestwil. En die van ons allemaal.’ Ik knikte, want ik besefte dat ze gelijk had. En dat is precies wat ik zal doen.

Remi, 16 oktober 1917

Ik weet niet wat ik moet doen. Cécile wil weg. Haar zus, die in Engeland verblijft als gouvernante voor de graven van het kasteel, is ziek geworden, en nu wil Cécile naar haar toe om haar te verzorgen. Net alsof dat zomaar gaat. Je geraakt Beveren nog niet uit zonder de juiste reden en alle nodige passen en papieren. ‘Jij kent mensen,’ zei ze toen ik haar aan het verstand probeerde te brengen dat haar voornemen onuitvoerbaar was. ‘Jij weet hoe het moet.’ Maar dat is toch te veel gezegd. Ik ken mensen, dat klopt, en die mensen zouden mensen kennen die weten hoe het moet. Meer weet ik niet. Maar dat wilde ze niet aannemen, Cécile. ‘Dan zoek ik het zelf maar uit,’ snibde ze voor ze boos weg stapte. En misschien is dat wel gevaarlijker dan als ik haar zou helpen, ik weet het niet. Tegenwoordig krijg je al minimumgevangenisstraffen van drie tot tien jaar voor het smokkelen van kranten en brieven. En wat doen ze al niet voor een gevluchte Zivilarbeiter? Maar daar had Cécile geen oren naar, ook al leest zij net als ik de affiches die ze ophangen. Ze denkt dat ze onaantastbaar is, alleen maar omdat haar vader zijn winkelvoorraad aan de Duitsers verkoopt (en zich daar dik voor laat betalen, hoor ik overal fluisteren). Ze heeft geen idee… Ja, ik ben ook bang voor mezelf; waarom zou ik daarover liegen? Ik heb mijn leven eindelijk weer wat op orde. Ik werk voor de nonnen in de tuin van kasteel Ter Gaver, waar ze de weeskinderen opvangen omdat het Oud Geestelijk Hof is ingenomen door de Duitsers. Ze weten van mijn been (nou ja, dat ziet iedereen natuurlijk, ik kan het niet wegstoppen, dat manke been van me) en ze zien dat ik mijn best doe en me niet laat hangen, dus ze tonen alle begrip voor me. Wat kan ik in deze omstandigheden meer verlangen? Ja, er is één ding: een Cécile die voor rede vatbaar is. Maar wie haar kent, weet beter.