Auteur: Daniël Frans Struyf

Frans Struyf, 10 augustus 1918

Bijna elke nacht zien wij recht voor ons de Kemmelberg in vuur en vlam staan. Op een avond, wij willen net onze soep drinken, worden wij weer duchtig gebombardeerd door het geschut met brandende obussen. Een obus valt op de koer van ons kantonnement en we zijn verplicht om het bos in te vluchten. Het is al laat want het bos is pikdonker. Daar zijn de vliegers weer, klaar om aan te vallen. Door de duisternis kunnen we het gevaar moeilijk oriënteren. Een bom valt, en het bos licht op als een kerstboom. Een tweede en derde bom volgen snel en verblinden ons. Waar wij ook vluchten, we zien geen steek voor onze voeten. Mijn arme makkers vluchten langs alle kanten. Een vierde bom valt. Al kruipend maak ik mij uit de voeten. Ik moet al ver zijn geraakt, mijn knieën doen pijn van het stoten tegen stenen en wortels. Op de blinde tast leg ik mijn rechterhand op het ijskoude gelaat van een dode strijdmakker, terwijl ik mijn linker vast klauw in een boel van slijm en vet, waarschijnlijk de ingewanden van een daar liggend lijk. Meer dood dan levend, verander ik van richting en kruis mijn handen af aan het gras. Nauwelijks enige meters verder gekropen viel ik plots in een diepe put ol water.  Ik durfde mij niet meer bewegen en bleef meer dan een uur geruisloos zitten, met het water tot aan de knieën, wachtend tot de laatste Duitse vliegtuigen verdwenen. Ik doe mijn ogen dicht en al wenend denk ik aan mijn vrouw en kinderen. Oef! Eindelijk, geen geluid meer. Ik steek opgelucht een lucifer aan en stel vast dat ik in een loopgraaf ben terechtgekomen. Deze verdedigingsgracht loopt al kronkelend door het bos. Ik volg de loopgraaf, niet wetende waar ik mij juist bevind. Ik besluit dus maar om in de loopgracht te blijven tot het aanbreken van een nieuwe ochtend. Ik wring de pijpen van mijn broek uit en zet mij goed en veilig, wachtend tot de ochtend komt. Eens ochtend, zet ik mijn tocht verder. Om 6 uur hoor ik in de verte een klaroen blazen. Aan het geluid hoor ik dat een Belgische soldaat het muziekstuk bespeelt. Ik spoed me dus nog wat meer. Na een tijdje zie ik voor mij een verharde weg oprijzen en niet veel later bereik ik opnieuw mijn standplaats. Ik trek nieuwe kleren aan en doe me tegoed aan een warme tas koffie terwijl mijn makkers vrolijk lachen wanneer ik hen mijn nachtelijk avontuur toevertrouw.

Frans Struyf, 22 maart 1918

Sedert drie maanden al ben ik in 10e compagnie en ik moet zeggen, ik ben het reeds goed gewoon geraakt. De korporaals hebben hier ’s avonds wachtdienst maar zijn telkens om de dag vrij. Vandaag is het mijn beurt om de wacht op te trekken. De nacht is zeer donker en in de verte hoor ik het geronk van een Duits vliegtuig. Mijn makkers hebben het ook gehoord en nemen de vlucht naar de dichtstbijzijnde abri. Wanneer het Duitse jachtvliegtuig net boven onze hoofden scheert, bolt er op de steenweg een auto voorbij waarvan de twee voorste lichten grote stralen licht over de weg wierpen. Wij roepen de onverlaat om onmiddellijk zijn lichten te doven maar het is al te laat! Op hetzelfde ogenblik valt er een bom, juist op de barak van de voermannen. Ik meet onmiddellijk de schade op. Eén man gekwetst en drie Franse soldaten gedood. Deze laatsten hadden de auto met een barricade tot stilstand gebracht maar waren zelf door de explosie omgekomen. De chauffeur van de auto is als bij wonder ongedeerd gebleven maar verlaat verward zijn voertuig. Meer dan een uur blijft hij radeloos bij zijn wagen staan. Daarna vertrekt hij in volle spoed verder, maar ditmaal zonder zijn lichten aan te steken.

Dit is eigenlijk een groot laadstation, waar trams voorbijkomen. Die trams hebben wagons die eruit zien als treinwagons. De grote barakken links zijn de garages van het Militaire Hoofdkwartier. Soldaten bewaken de talrijke gestalde motoren, houden zich bezig met de auto’s waar op de achterruit de letters GQC geverfd staan (Groot Militair Hoofdkwartier) en soldaten bedienen de spoorwissels. Alle opschriften zijn uiteraard in het Frans, de voertaal in het leger.

Frans Struyf, 1 februari 1918

Ik krijg het bevel om mij bij de 10e compagnie te voegen, die zich in Oost-Vleteren bevind. Daar krijg ik de opdracht om te gaan werken dicht bij de Engelse loopgraven. De volgende dag verhuizen we opnieuw met onze nieuwe compagnie. Hier en daar moeten wij schuilplaatsen in beton optrekken. Ons nieuwe logement is zeer dicht bij de Kemmelberg gelegen. Dagelijks worden we gebombardeerd. Dan moeten we ons in de bossen gaan verstoppen

Frans Struyf, 28 augustus 1917

Het was 5 uur ’s ochtends. Normaal verlaat ik gemakkelijk mijn bed maar vandaag heb ik zoveel goesting om te blijven liggen. Ik moet me haasten om niet te laat aan de statie aan te komen om de wacht te wisselen. Ik kleedde mij aan en sprong op mijn fiets en vertrok direct naar mijn wachtpost, zonder zelfs mijn koffie gedronken te hebben. Ik was misschien 500 meter voorbij het geniepark toen ik een houwitser fluitend hoorde afkomen en achter mij ontploffen. Was de bom ingeslagen op het park? Ik zie een grijze wolk de hoogte inklimmen. Ik haast me terug het park binnen waar een schrikwekkend schouwspel me opwacht. Met angstige blik speur ik de omgeving af naar de plaats waar de obus gevallen is. Mijn God, hier is een ramp gebeurd! Ik werp mijn fiets in de kant en spring de wacht binnen. Alles is verwoest en vol bloed. Juist boven mijn bed is de obus binnengedrongen, mijn kleren zijn helemaal gescheurd, mijn zakuurwerk is door de explosie tegen de plaasteren muur geknald en wijst 5 uur en 10 minuten aan. Mijn bed ligt verbrijzeld, met steen en stof bedekt. Mijn kopkussen lijkt zelfs op een kaas met gaten; ik tel meer dan veertig stukjes schroot.
Ik ben helemaal uit mijn lood geslagen. Dat merkt ook mijn luitenant, die komt aangesneld en mij omhelsd met de woorden: “Struyf, Struyf, wij dachten dat gij er ook bij waart en hebben u overal gezocht.” Hij neemt me mee naar de barak bij de keuken waar twee van mijn mannen uitgestrekt op de grond liggen, in een plas van bloed. De ene was de wachter die mij nog net uit mijn bed had gehaald en pas in zijn bed was gekropen. De andere was door het schroot in de rug getroffen terwijl hij zich onder zijn bed had willen verstoppen. Een derde was zeer ernstig verwond maar werd nog naar de ziekenboeg vervoerd. Ik kon mijn tranen niet bedwingen. Toen de luitenant dit zag, sprak hij: ‘Ehwel Struy, nu moet ik tog ook gaan geloven dat gij eenen gelukkigen bewaarengel hebt’.

Daniël Frans Struyf, 3 juli 1917

Duits neergeschoten vliegtuig op vliegveld Houtem. Militairen scharen zich rond het wrak van een Duits Aviatik C1 vliegtuig. Naast het wrak zien we een Renault-wagen met het kenteken en opschrift van de Genietroepen.

Duits vliegtuig neergehaald

Gedurende verschillende weken is alles weer rustig en kalm. Eén enkel feit te na gelaten: onlangs haalde onze artilleristen een Duits vliegtuig uit de lucht en kwam op een driehonderd meter van de hoeve waar we verbleven in de weide terecht. Wij liepen er onmiddellijk naar toe om de Duitsers te vangen die wij uit het vliegtuig zagen stappen. Intussen trakteerden zij ons op revolverschoten en probeerden de gestrande vliegeniers om hun vliegtuig in brand te steken. Net op de moment toen wij ons eindelijk van hen meester maakten, vond er een gigantische explosie plaats, onmiddellijk gevolgd door een tweede. Meteen begrepen wij wat er gaande was. Het vliegtuig was geladen met bommen en deze waren in de vlammen ontploft! Twee van onze makkers waren door het exploderende schroot gedood en verschillende anderen raakten gewond. Bekomen van de shock wierpen de soldaten zich op de Duitsers om hun woede te koelen. En waren er geen officieren op dat moment tussenbeide gekomen, dan zouden de piloten door de woedende menigte soldaten verscheurd en gelyncht zijn geweest. Door de tussenkomt van de officieren werden de gekwetste Duitse vliegeniers echter gevangengenomen en weggevoerd.

 

 

 

Daniël Frans Struyf, 10 mei 1917

Gasaanval

Rond 11 uur ’s avonds beginnen de Duitsers opnieuw het park, de steenweg en de spoorweg te beschieten, waardoor wij genoodzaakt zijn om een schuilplek op te zoeken. Het artillerievuur duurt deze keer niet te lang en na een half uur kunnen wij opnieuw de wacht optrekken. Mijn mannen gaan slapen en ik zet mij terug aan het graveren. Ik heb nog wachtdienst tot 3 uur en op die manier kan ik de tijd doden. Rond half twee ’s nachts hoor ik langs alle kanten de klaroenen blazen. Ik spring naar buiten om te zien wat er gebeurt. Het geschal van de trompetten luidt gasalarm. Die vuile Duitsers sturen ons stikgassen toe, de lafaards! In de tranchées vliegen de vuurpijlen heen en weer om het aankomende gevaar bekend te maken. Ik ga terug naar binnen om mijn gasmasker te halen en wek mijn slapende kameraden. Reeds op dat moment word ik de scherpe geur van het mosterdgas gewaar. Wanneer ik mijn masker weer even afzet, krijg ik brandende steken in mijn keel. Ik zet meteen mijn masker terug op en kom terug op adem. Gedurende meer dan een uur moeten wij ons masker ophouden. Daarna komt het sein dat we onze maskers mogen afzetten. Op het front zelf heeft het verstikkende mosterdgas verschrikkelijk werk aangericht. De ene na de andere soldaat wordt met auto’s van het Rode Kruis afgevoerd naar het veldhospitaal. Wat een gemeen wapen, dat stikgas.

 

Daniël Frans Struyf, 10 april 1917

Bombardement

Het is vandaag zondag. Onze compagnie [die zich in Veurne bevindt] wordt bijgestaan door een strafcompagnie van veroordeelde soldaten die ons helpt om 15 wagons met stenen en hout te lossen. Iedereen werkt goed door zodat we tegen ‘s middags vrij hebben om een wandeling te maken. Rond 10 uur komen enkele Duitse vliegtuigen aangevlogen, een twaalftal geloof ik. De meeste arbeiders hebben de benen genomen en zijn naar hun schuilplaats gevlucht. Het geniepark is als een echte mierennest, vol beweging, wat natuurlijk de aandacht van de Duitse vliegeniers trekt. Een bom valt juist op een houten barak en de planken worden met een geweldige kracht weggeslagen. Gelukkig is de barak op het moment van de impact leeg en verlaten. Langs alle kanten lopen soldaten weg, twee of drie bommen ploffen neer. Nu moeten ook de moedigsten onder ons eraan geloven. Iedereen vlucht het park uit, behalve ik. Als korporaal van de wacht kan ik uiteraard niet aan mijn belangrijke plicht verzaken, dus zoek ik schutting en leg mij plat op mijn buik onder een wagon . Hier hou ik me meer dan een half uur verscholen. De vijandige vliegtuigen worden fel beschoten door onze artillerie en kiezen uiteindelijk het hazenpad. De dreiging is eindelijk voorbij.

Daniël Frans Struyf, 26 september 1916

Hoe zou het mijn gezin vergaan? Stellen mijn lieftallige kinderen het goed? Mijn beminde echtgenote en mijn schatten van kinderen moeten het nu al meer dan twee jaar zonder mijn aanwezigheid stellen. Zouden ze me nog herkennen, of niet? Ik blijf mezelf deze kwellende vragen stellen, opnieuw en opnieuw. Zwartgallige gedachten spoken door mijn hoofd. Die onzekerheid over hun lot knaagt aan me, het is verschrikkelijk! Via verschillende frontblaadjes sijpelen druppelsgewijs flarden van nieuws binnen over het moeilijke leven in het bezette België, over de slechte en onrechtvaardige behandeling van de bevolking door de Duitse bezettingsmacht, over de nijpende voedseltekorten. De berichten over de situatie in ons dorp Burcht stellen me weinig gerust maar het sterkt me in de overtuiging om vol te houden, om deze verdomde oorlog uit te zitten en te blijven vechten tot de laatste snik tegen den vermaledijde Duits. Wij zullen zegevieren en ik zal mijn gezin terug zien en in mijn armen sluiten. Enkel deze gedachte houdt me overeind.

Duitse jachtpatrouille, ingekwartierd in Burcht en Zwijndrecht. Collectie Guido Hullebroeck

Duitse jachtpatrouille, ingekwartierd in Burcht en Zwijndrecht. Collectie Guido Hullebroeck

Organisatie van volkssoep in Burcht. Collectie Guido Hullebroeck

Organisatie van volkssoep in Burcht. Collectie Guido Hullebroeck

 

Duitse bezetter weigert de gemeentesecretaris van Haasdonk toelating om fiets te gebruiken (1915)

Op 10 november 1915 beslist de Pas-centrale in Antwerpen, het officiële Duitse bureau bevoegd voor het verstrekken van allerlei toelatingen en vergunningen voor transport en verkeer, om de aanvraag van Petrus Van Den Steen, gemeentesecretaris van Haasdonk, tot het gebruik van een fiets (Fahrradpassierschein), niet in te willigen (GAB WOI_archief-Haasdonk)