Kortverhalen

Auguste Van Leuvenhage

Auguste Van Leuvenhage werd geboren in Beveren op 30 augustus 1897. Zijn ouders zijn Edouard François Van Leuvenhage en Maria Ludovica Boon. Het gezin woonde in de Krabbenhoek in Beveren.

In het najaar van 1916 – Auguste was net negentien geworden, de Grote Oorlog en de Duitse bezetting van België duurden al twee jaar – begonnen de Duitsers werkloze jongeren en mannen op te roepen om voor hen te gaan werken. Ook Auguste werd opgeroepen. Ondanks het feit dat hij beweerde in dienst te zijn bij Frans Boon, fruitenier, werd hij op 30 november 1916 weggevoerd.

In haar standaardwerk De Groote Oorlog, Het koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog geeft Sophie De Schaepdrijver een indruk van hoe de treinreis moet verlopen zijn. “In onverwarmde veewagens, zonder water of sanitair, werden de dwangarbeiders weggevoerd. (…) Na drie dagen en nachten reizen kwamen de gedeporteerden aan in de zogeheten Verteilungsstellen: deels geëvacueerde krijgsgevangenenkampen in afgelegen streken in Noord- en Oost-Duitsland, zwaar bewaakt en omgeven door hoge barrières van prikkeldraad. Ze werden ondergebracht in onverwarmde barakken op strozakken. De eerste winter van de deportaties vroor het geregeld 20 graden. Per dag kregen de gevangenen een kwart kilo brood, een liter rapensoep en enige mokken koffiesurrogaat. Na verloop van tijd werden sommigen geselecteerd om te gaan werken. Al snel ondervonden deze mannen dat de arbeidsomstandigheden niet waren wat de collaborerende pers had voorgespiegeld. Ze waren ondervoed en slecht behuisd, hadden geen zeep, en werden dagelijks geconfronteerd met de Duitse schaarste en de harde discipline van de oorlogsindustrie.” (Sophie De Schaepdrijver, heruitgave 2013, p 243-244)

Auguste kwam terecht in het kamp van Güben bij Cottbus, tegen de Poolse grens. In dat kamp werden oorlogsmachines gebouwd en synthetische vezels vervaardigd. Auguste verbleef er drie maanden.

Daarna werd hij naar het kamp van Heilsberg overgeplaatst, waar hij zes weken bleef. Heilsberg ligt in het tegenwoordige Polen, dicht bij de Litouwse grens, en heet vandaag Lidzbark Warminski. Het kamp bevond zich in een bos ten oosten van de stad. De jongens en mannen die hier terechtkwamen, moesten een weg aanleggen naar de verderop gelegen stad Bartenstein (nu Bartoszyce). In het kamp woonden en werkten verschillende nationaliteiten samen, waaronder Russen, Roemenen, Britten, Fransen, Italianen en Belgen. Voor de dwangarbeiders die stierven in het kamp – waaronder 45 Belgen – werd enkele jaren geleden een monument opgericht op de plaats in het bos waar het voormalige kamp heeft gelegen.

Ook in het kamp van Regenheid/Ragenheid (?) werd Auguste gedwongen aan het werk gezet.

Gelukkig vergat zijn familie hem niet. Per maand stuurden ze hem een vooraf door de Duitsers samengesteld pakket van 25 frank; zulke pakketten bevatten o.a. worsten, paté, peperkoek, gelei, zeep, tabak. Daarnaast zonden ze hem een paar werkschoenen, een paar zondagse schoenen, werkkleren en zondagse kleren.

Veel soelaas brachten deze zendingen wellicht niet. Het leven was hard en het werk zwaar voor de dwangarbeiders. Ze werden niet of nauwelijks (0,30 pfennig per dag) betaald en kregen onvoldoende te eten. Toen Auguste en andere kampbewoners daarvoor in staking gingen, werd hij (volgens de documenten) gevangengezet in het kamp van Tilsit (nu Sovjetsk, Kaliningrad, Rusland) of, (volgens de foto) in Ragnit (nu Neman, Kaliningrad, Rusland). Voor zijn onkosten moest hij daar 67,68 Mark betalen.

Auguste Van Leuvenhage met andere Belgische burgerlijke gevangenen in het kamp van Ragnit, 12 juni 1917. Auguste is de man uiterst links.

Auguste Van Leuvenhage met andere Belgische burgerlijke gevangenen in het kamp van Ragnit, 12 juni 1917. Auguste is de man uiterst links. (privé-collectie Etienne Van den Hende)

Omdat er een storm van internationaal protest opstak om de deportaties en de gedwongen tewerkstellingen, begonnen de Duitsers vanaf de zomer van 1917 de gedeporteerden naar huis te laten terugkeren. Auguste keerde terug op 10 september 1917, na 10 maanden gedwongen arbeid in Duitsland. Hij kwam er relatief goed vanaf, wat zeker niet voor alle gedeporteerden opging. Van de naar schatting 60.000 weggevoerde Belgen, stierven er zo’n 1.316 in Duitsland. Veel anderen keerden ziek of kreupel terug. “Op de stations kwamen groepjes broodmagere mannen aan, schurftig en stinkend en met hun zwart uitgeslagen voeten in klompen. Ze waren gehuld in lompen waarop allerlei onheilspellende cijfers en kruisen waren gekalkt. Ze wankelden op hun gezwollen benen, afgestompt en schichtig tegelijk door de ondervoeding en mishandeling, naar getuigen meldden. (…) Van honderden jongemannen – bijna negenduizend gedeporteerden waren nog geen achttien jaar oud toen zij werden weggevoerd – was de gezondheid geknakt. Mannen van dertig kwamen als ziekelijke oudjes terug,” schrijft Sophie De Schaepdrijver in De Groote Oorlog, Het koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog. (p 248)

Na de oorlog, op 15 september 1919, werd Auguste opgeroepen door het Belgische leger om zijn dienstplicht te vervullen. Ondertussen was hij getrouwd met Agnes Marie Emma Audenaert. Het koppel woonde in de Krabbenhoek in Beveren, had één dochter, Maria, en Auguste werkte als landbouwersknecht. Tot 18 juni 1921 was hij milicien bij de Jagers te voet, o.a. in Doornik, Sint-Niklaas en Duisburg (Duitsland). Zijn gedrag en wijze van dienst waren, volgens zijn mobilisatieboekje, heel goed.

Auguste Van Leuvenhage als dienstplichtige

Auguste Van Leuvenhage als dienstplichtige (privé-collectie Etienne Van den Hende)

Ondertussen probeerde Auguste erkenning te krijgen als weggevoerde. In november 1920 werd hem 150 frank toegewezen door de Rechtbank voor Oorlogsschade. In juli 1921 werd hem nog eens 200 frank toegekend – verminderd met de eerder ontvangen 150 frank.

In juli 1922, juli 1923, juli 1925, juli 1933 en mei 1935 meldde hij zich aan voor de “monsteringen der getalsterkte” van het Belgische leger; bij die laatste monstering leverde hij zijn uniform definitief in.

Vijf jaar later vielen de Duitsers België opnieuw binnen. Weer werd Auguste door de Duitse bezetters weggevoerd naar Duitsland.

Ook na de Tweede Wereldoorlog bleef Auguste erkenning zoeken als weggevoerde tijdens de Eerste Wereldoorlog. In juli 1969 kreeg hij van het Bestuur voor Oorlogsslachtoffers nog de Kaart van Weggevoerde 1914-1918. “Samen met u verheug ik mij erover dat op die wijze Uw verdienste na zovele jaren wordt erkend,” liet de toenmalige minister van Volksgezondheid Nameche er bij vermelden. In 1971 kreeg hij een eenmalig pensioen voor burgerlijke oorlogsslachtoffers van 500 frank.

Auguste Van Leuvenhage met zijn vrouw en vijf kinderen bij zijn 50-jarige huwelijksjubileum

Auguste Van Leuvenhage met zijn vrouw en vijf kinderen bij zijn 50-jarige huwelijksjubileum (privé-collectie Etienne Van den Hende)

Op 6 juli 1980 stierf Auguste in Kallo, waar hij inwoonde bij zijn tweede dochter Zoé. Hij werd begraven in Beveren, waar hij het grootste deel van zijn leven gewoond had. Zijn vrouw Emma was hem al voorgegaan. Samen hadden ze 5 kinderen grootgebracht: Maria, Zoé, Roger, Henri en Paul. Van beroep was hij dokwerker in de haven van Antwerpen; om een centje bij te verdienen teelde hij aardbeien op een lap grond die nu in de wijk Levergem ligt. Na zijn pensioen ging hij als hulp werken bij een fruitenier; daarvoor moest hij om 2 uur ’s nachts opstaan om naar de veiling te gaan. Maar Auguste was niet alleen een harde werker. Hij  was ook een man die graag onder de mensen kwam en graag een pintje dronk; na het pintje teveel zong hij zijn lievelingslied “De valse liefde”. Hij was ook lid van de schutters met boog en pijl. Over zijn ervaringen tijdens de oorlog sprak hij niet of nauwelijks. Het is nu pas dat zijn kleinkinderen en nakomelingen dit verhaal te weten komen.

 

(Karen Dierickx)

Juwelier bakt gendarme een poets

Eerder in zijn dagboek beschreef frontsoldaat Struyf op 27 februari 1915  hoe hij en zijn strijdmakkers van de 1ste Compagnie Hulptroepen der Genie in een smidse nabij Hoogstade-Linde de verveling probeerden te verdrijven door ringen te maken uit koperen vijf cent franken. Het idee hadden ze gehaald bij de Franse poilus, die de fraai bewerkte ringen tegen geld of in ruil voor voedsel of rookwaar trachtten aan de man te brengen … en met succes.

Frans Struyf redigeerde naast zijn dagboek ook nog een meer prozaïsch geschreven bundel met kortverhalen, zesentwintig in totaal, die inhoudelijk nauw aansluiten bij zijn dagboekervaringen. Eén van de novelles die hij schetst, draagt de titel ‘de soldaat-juwelier’ en verhaalt hoe een vriend van Struyf een soldaat van de Gendarmerie in de luren legt.

Deze vriend-juwelier zint op wraak omdat de militaire politie, de Gendarmerie, hem eerder een stuk loopgravenkunstwerk (Trench Art) heeft afgepakt. Hij begint aan een nieuw kunstwerk, een prachtige doosje, waarbij vier Duitse houwitserkoppen als poten dienen. Hij verstopte het doosje heimelijk onder zijn strozak en werkte ‘s avonds bij het flauwe schijnsel van een nachtlampje onvermoeibaar verder aan zijn ‘fabricaat’. Het doosje was een echt huzarenwerk, kunstig met bloemen gegraveerd. Op de bodem lagen een sigarettenkoker, een solferdoosje en een prachtige obuskop waar men lucifers in kon steken. Het deksel van het bewaardoosje sloot zeer vernuftig met twee puntige haakjes in een springslot. Nadat de rookwarendoos volledig was afgewerkt, liet de maker het kunstwerk achteloos aan het voeteinde van zijn bed liggen. Op dat moment kwam een  gendarme binnen die het kunstwerk opmerkte. Betrapt! De vriend-juwelier probeerde het op een akkoordje te gooien. De politieman kreeg het kleinood, in ruil voor stilzwijgen. De gretige ‘pakkeman’ ging in op het aanbod, hij nam de doos aan en stak zijn hand in het ‘kofferken’. Hij greep naar de prachtig versierde obuskop om hem van dichtbij te bewonderen en plots … weerklonk een pijnlijke kreet doorheen de barak. Het deksel bevatte immers een geheim veermechanisme waardoor, ééns de politieman naar de kop greep, dichtsloeg en de puntige haakjes van het slot zich in de hand van de inhalige politie-soldaat boorden. De barak daverde onder het gelach en gehoon van de soldaten. Helemaal aangedaan door dit voorval, verloor de gefopte soldaat meteen zijn arrogantie en verliet hij al vloekend en vol schaamte de barak. De fopdoos werd niet in beslag genomen en de juwelier-grappenmaker werd niet langer lastiggevallen door soldaten. De slimme grap had zijn gewenste effect bereikt.

Onderschrift: De soldaat juwelier! Een kreet, vol pijnlijke verrassing, ontsnapte de lippen van den gefopten pakkeman!

Onderschrift: De soldaat juwelier! Een kreet, vol pijnlijke verrassing, ontsnapte de lippen van den gefopten pakkeman!

De Groote Oorlog van Frans Verstraeten

‘Als ik in 1915 op 1 mei aan het front gekomen ben, en toen we in Reninge aangekomen waren met ons peloton, dachten we: als we naar Steenstrate moeten, dan hebben we ons laatste zuiver hemd aan. En inderdaad, ‘s avonds hoorden we dat we naar Steenstrate gestuurd werden samen met de grenadiers en de karabiniers. Het was in die periode dat de Duitsers met gas begonnen. We moesten de chasseurs (jagers) aflossen en wij zaten in den tranchée (loopgraaf) aan een mennegat (opening in de weg naar een akker of een hof) van een boerenhof. We zagen de Duitsers afkomen in kolom per kat (colonne par quattre) over de steenweg. Wij schoten zonder ophouden, ze stuikten in elkaar en de lijken lagen op een hoop zodanig dat de achtersten over de geblesseerden en de doden moesten kruipen, maar ze bleven maar komen. Ons mitrailleurs zagen rood van ’t schieten alsof ze in het vuur gestoken waren. Op de duur zagen ze toch in dat ze er allemaal aan moesten en trokken ze zich terug. De Duitsers hebben dan een wapenstilstand aangevraagd van enkele uren die ze ook van ons kregen. Er kwam dan een parlementair (onderhandelaar) met een witte vlag op het slagveld samen met enkele soldaten. Ze maakten ter plaatse enkele putten en staken de Duitsers die daar lagen erin en diegenen die nog goed waren, allée … de geblesseerden zeg maar, werden naar het hospitaal gebracht of krijgsgevangen gepakt.

Na een paar dagen werden we verplaatst naar Nieuwpoort. Daar kwamen we in ne secteur (sector) waar met gas geschoten werd. Wij waren de eerste mannen die in de gas gezeten hebben en dat was daar te Nieuwpoort. Juist over de brug zaten we in onze voorpost. Op de voorpost, dat was een abrieken (schuilplaats, meestal in hout, verstevigd met zandzakjes) van niemendal, was het heel gevaarlijk, de Duitsers zaten maar een meter of tien van ons. De loopgraven kwamen daar zo dicht bijeen dat we vodden en zakjes rond ons bottines wikkelden om ons niet te horen gaan. We moesten daar vier dagen zitten en dan werden we afgelost en mochten we achteruit, allée we kregen dan vier dagen repo (rust). Op die secteur in Nieuwpoort heb ik een maand of vier gezeten en dan zijn we naar Diksmuide getrokken. Aan de bloemmolen in Diksmuide rechtover de mouterij, juist over de brug van de IJzer, aan de Dikkevillekes gelijk dat ze zegden, hebben we het een en ander meegemaakt. Die molen was al helemaal kapot geschoten maar hij stond er nog. We moesten daar de voorpost bemannen en daar kwam de stank van de lijken van de Duitsers die in die molen lagen je tegen dat het niet om uit te houden was. Vier dagen op post en vier dagen repos, zo ging dat. Maar repos dat was ook werken hé! Onze reposplaats was in Lo, we moesten er te voet naartoe, ja ja, twee uren gaans, dat was niet van te zeggen dat ze je daar met een koets kwamen ophalen hé! In Lo moesten we dan zandzakjes vullen, ons gereedschap onderhouden, reparaties doen of patatten schillen, we konden ons eens wassen, met de kaarten spelen en ja en van alles hé … maar weg mochten we niet. Congé (verlof) dat bestond niet.’

Aan het woord is Frans Verstraeten (Melsele 1894-Beveren 1968), oud-strijder van de Eerste Wereldoorlog, in 1966. Zijn neef Richard Willems interviewde hem toen over zijn persoonlijke Groote Oorlog en nam het gesprek op met een Grundig-bandrecorder. Op basis van deze tape schreef Richard Willems in 2003 voor het project De Groote Oorlog in Beveren het verhaal van zijn grootoom en bracht het ten gehore tijdens de Museumavond op 20 november 2003. Wijlen Wim van Remortel († 2013), kunstenaar en eveneens neef van Frans Verstraeten, illustreerde het verhaal. De Groote Oorlog van Frans Verstraeten werd in 2014, ter gelegenheid van Erfgoeddag ERF! op 24 april 2014 en kaderend in het herdenkingsprogramma 2014-2018 van de gemeente Beveren, opnieuw verteld.

Richard Willems, De Groote Oorlog van Frans Verstraeten, geïllustreerd door Wim van Remortel, Beveren, 2003, pp. 7-8

 

Gevaarlijke spelletjes aan den Depot

Het huidige Rijksarchief te Beveren is sedert 1964 gehuisvest aan de Kruibekesteenweg, in de panden van de voormalige legerkazerne van Beveren-Waas. De gebouwen werden opgetrokken tussen 1881 en 1883. In eerste instantie herbergden ze het depot van de 7de en 8ste Linieregimenten. Vanaf einde 1913 gaven ze onderdak aan het depot van de cavaleriedivisie. Niet verwonderlijk dus dat de kazerne in de volksmond al snel bekend stond als den Depot.

Prentbriefkaart van den Depot, verstuurd in augustus 1914 (collectie Kurt Ivens)

Prentbriefkaart van den Depot, verstuurd in augustus 1914 (collectie Kurt Ivens)

In de jaren voor de Eerste Wereldoorlog woonde blokmaker Jacobus Franciscus Smet met zijn echtgenote Maria Leonie Reyns in de Kleine Armstraat (nu de H. Consciencestraat), op een boogscheut van den Depot. Maria Leonie was kantwerkster, maar in hun woning hield ze samen met Jacobus Franciscus ook een herberg open. Op 6 december 1912 beviel ze van een derde dochtertje. De geboorte verliep verre van vlekkeloos en het kindje stierf twee dagen later. De komst van een zoontje op 30 maart 1914 wist het verdriet enigszins te verzachten. De oorlog brak dit nieuwe prille gezinsgeluk echter bruusk af: Jacobus Franciscus werd gemobiliseerd en naar het front gestuurd. Maria Leonie stond alleen voor de zorg over drie kleine kinderen: baby Louis en zijn twee oudere zusjes, namelijk de vijfjarige Maria Germana en de driejarige Paula Maria, geboren op 13 september 1911.

Het gezin Smet-Reyns omstreeks 1917. Van links  naar rechts Maria Germana, moeder Maria Leonie, Isidoor Louis en Paula Maria. In de inzet bovenaan rechts is vader Jacobus Franciscus ingewerkt, op dat ogenblik frontsoldaat. (collectie Kurt Ivens)

Het gezin Smet-Reyns omstreeks 1917. Van links naar rechts Maria Germana, moeder Maria Leonie, Isidoor Louis en Paula Maria. In de inzet bovenaan rechts is vader Jacobus Franciscus ingewerkt, op dat ogenblik frontsoldaat. (collectie Kurt Ivens)

De kleine Paula vond er in de loop van de oorlogsjaren groot plezier in om samen met een hoop andere kinderen uit de buurt te ravotten op het grasveld naast den Depot. In een aangrenzend gebouw hield de Duitse bezetter gevangenen vast. Paula Smet vertelde later graag over Duitse soldaten met pinhelmen die aan de ingang van den Depot op wacht stonden en de gevangenen bewaakten. Deze laatsten hielden de spelende kinderen nauwgezet in het oog en amuseerden er zich mee om hen uit de ramen allerlei prullaria toe te werpen in de hoop dat ze ze zouden oprapen om ermee te spelen. Op dat bewuste graspleintje parkeerden de Duitsers ook hun rollend materieel, waaronder nogal wat karren en wagens. De kinderen zagen hierin intrigerende speeltuigen en hielden ervan de karren te beklimmen, er af te glijden en er van af te springen.

Hoe het precies gebeurd is, kon later geen kind meer navertellen, maar op zekere dag was de kleine Paula nietsvermoedend al spelend onder een rijdende wagen gesukkeld die vervolgens over haar kleine lichaampje reed. De kwetsuren waren het zwaarst aan haar beentjes. Het bloed gutste uit de verwondingen. De Duitse militairen die de wagen verplaatsten, brachten hem onmiddellijk tot stilstand. Ze haalden Paula onder de wielen uit en droegen haar snel het hoofdgebouw binnen. Daar kreeg ze de nodige zorgen toegediend door een Duitse legerarts, die een diepe vleeswonde in een van haar benen vaststelde.

Na het incident schreven de militairen een omstandig verslag van de gebeurtenissen en stuurden dat door naar de plaatselijke Kommandantur gevestigd in het toenmalige kasteel Molenberg in de Zandstraat. Even later werd moeder Maria Leonie bij de Ortskommandant ontboden, wellicht om haar een stevige uitbrander te geven. Daarop kondigde de Duitse bezetter strenge maatregelen af: voortaan was het alle kinderen verboden ook maar in de buurt van den Depot te komen, laat staan er te spelen.

Paula Smet heeft haar hele leven met een ‘gat’ in haar been verder gemoeten, echter zonder dat het haar al te veel hinder heeft bezorgd. Ze is gestorven op 10 maart 1991.

Paula Maria Smet als tienjarig communicantje in 1921. (collectie Kurt Ivens)

Paula Maria Smet als tienjarig communicantje in 1921. (collectie Kurt Ivens)

Paula Smet was de grootmoeder van Kurt Ivens, leverancier van dit verhaal en de bijhorende foto’s.

Alfons, Emerence en Achiel Dierickx-Stoop

20 november 1914, vier uur in de namiddag. Mathilde Van de Velde, vroedvrouw in Melsele, komt aangifte doen bij burgemeester Joseph ’S Heeren van de geboorte van een jongen twee uur daarvoor. De baby heet Achiel Franciscus. Zijn moeder is Maria Emerentia Stoop – Emerence of Ranske in de dagelijkse omgang – geboren in Melsele op 5 december 1891 als zevende kind van Petrus Stoop, fabriekswerker, en Ludovica Francisca Engels, vroeger kantwerkster, nu huishoudster. Ze woont aan de Statie van Melsele; op de geboorteakte vult men landwerkster in als haar beroep.

De vader van de baby is (Hendrik) Alfons Dierickx, geboren in Nieuwkerken op 27 juni 1893, tweede zoon van Frans Leopold Dierickx, fabriekswerker, en Maria Clementina Vergauwen, huishoudster, eerder dat jaar verhuisd van Nieuwkerken naar de Ponjaard in Melsele, later naar de Statiestraat. Hij is niet aanwezig bij de geboorte van zijn eerste kind, en dat heeft alles te maken met de oorlog, die die zomer is uitgebroken.

Antwerpen 1913, Alfons Dierickx (privé-collectie Karen Dierickx)

Antwerpen 1913, Alfons Dierickx (privé-collectie Karen Dierickx)

Net als duizenden andere jonge mannen is Alfons eind juli 1914 onder de wapens geroepen. Volgens het bevolkingsregister is zijn stamnummer 190/8520 en behoort hij tot de militieklas 1913, 2de legerkorps, 1ste regiment van de etappentroepen, 3de bataljon, 10de compagnie. Waar hij terechtkomt en wat hij meemaakt tijdens die eerste maanden is niet precies geweten. Een prentkaart die hij verstuurt naar Emerence doet vermoeden dat hij in het fort van Borsbeek is gekazerneerd. Helpt hij daar mee aan de verdedigingswerken rond het fort – bomen rooien, struiken afbranden, huizen en boerderijen opblazen, loopgrachten aanleggen? Maakt hij daar het zeppelinbombardement op Antwerpen in de nacht van 24 op 25 augustus mee? En de daaropvolgende slag om Antwerpen? Is hij daar nog steeds als Antwerpen op 8 en 9 oktober wordt opgegeven door het Belgische leger? De kans is groot. Wat vaststaat, is dat hij niet met het gros van de troepen tot achter de IJzer geraakt. Vrijwel zeker is hij één van de circa 35 000 manschappen die achterblijven in en om Antwerpen om de aftocht van het Belgische leger te dekken. Hen wordt opgedragen stand te houden tegen de oprukkende Duitsers tot het niet langer kan, en dan uit te wijken naar Nederland – liever internering in het neutrale Nederland dan krijgsgevangenschap in Duitsland.

Zo gebeurt het ook. Met de Duitsers op hun hielen vluchten zo’n 33 000 Belgische soldaten, waaronder Alfons, naar Nederland, waar ze volgens internationaal oorlogsrecht worden ontwapend en opgesloten, aanvankelijk in geïmproviseerde tentenkampen, leegstaande fabrieken en kazernes, later in barakkenkampen. Ook Alfons. Het is niet duidelijk waar en wanneer hij de grens oversteekt. Voor zover we weten komt hij eerst terecht in de kazerne van Assen, dan in het kamp van Oldebroek, vervolgens dat van Harderwijk. We kunnen aannemen dat hij vier jaar lang met duizenden andere Belgische soldaten opgesloten zit achter prikkeldraad op een stoffig of net zompig terrein, opeengepakt in ongezonde houten barakken. Vier jaar lang moet hij honger, kou, onzekerheid en verveling verdragen – of mag ook hij na verloop van tijd overdag buiten het kamp gaan werken? Vier jaar lang ontvangt hij geen nieuws van thuis.

Of wel? Zelf stuurt hij minstens twee foto’s, maar slaagt Emerence er ook in nu en dan een foto of een brief vanuit het bezette België tot bij hem te krijgen, iets wat helemaal niet vanzelfsprekend is? Geregeld laat ze foto’s van zichzelf en de kleine Achiel nemen, dat wel. Op een van die foto’s laat ze Alfons erbij monteren. Maar bereiken die prentkaarten hem? En wat schrijft ze op de achterkant? Geen woord is overgebleven. Hoe zwaar heeft zij het als jonge, alleenstaande moeder te verduren onder de Duitse bezetting? Hoe en waar precies komt ze die vier jaar door? En Achiel? Mist hij zijn vader, die hij niet eens kent? Kan hij het vinden met de Duitse Landsturmers die in zijn school ingekwartierd zijn, of is hij bang van hen?

Op 11 november 1918 komt er een einde aan de oorlog. Achiel, net geen vier jaar oud, heeft nooit anders gekend dan de Duitse bezetting, maar nu ziet hij al die soldaten vertrekken uit Melsele. Te midden van de verwarring van de aftocht van de Duitsers rijpt wellicht het besef: het is voorbij, het is vrede. Op 20 november, op zijn vierde verjaardag, vindt de intrede van koning Albert in Antwerpen plaats. De koning is terug. Maar een vader krijgt Achiel er nog niet meteen bij. Ook Emerence moet nog even wachten op haar man. Pas in de loop van 1919 worden de Belgische geïnterneerden in Nederland vrijgelaten. Wanneer komt Alfons aan in Melsele? Wat voelt hij als hij na meer dan vier jaar zijn dorp inloopt? Hoe is het weerzien met Emerence? Hoe verloopt de kennismaking met zijn zoon? Wat denkt en voelt Achiel als hij zijn vader voor het eerst ziet? De antwoorden op deze vragen zijn niet meer te achterhalen, maar het ziet ernaar uit dat alles nogal snel in de plooi valt.

Het is 1919, de heropbouw van België komt op gang, Emerence, Alfons en Achiel beginnen aan een nieuw leven.

Alfons kan aan de slag in de haven van Antwerpen, later in het fort van Zwijndrecht; daar zal hij de rest van zijn leven als burger blijven werken. Met zijn gezin gaat hij aan de Statie van Melsele wonen. In 1920 komt er gezinsuitbreiding: een dochter wordt geboren, Esther. Zij zal sterven in 1943 in haar eerste kraambed. Na haar dood vertrekt haar man met de baby, een jongen, naar het verre Gent. Dit kleinkind zien Alfons en Emerence niet opgroeien, op een jaarlijks bezoek na, hun twee andere kleinzonen wel. Zelfs van heel dichtbij: Achiel trekt met zijn gezin bij hen in. Tot aan hun dood zullen ze aan de Statie in Melsele blijven wonen. In 1964 sterft Alfons, in 1970 Emerence, in 1996 Achiel (zijn vrouw Gabriëlle is al in 1973 gestorven).

En nog eens zoveel jaren later ontdekt hun (achter)kleindochter oude foto’s en prentkaarten, die (een deel van) dit verhaal vertellen.

(Karen Dierickx)