Brieven WOI

Cécile, 5 november 1918

Burgemeester Lesseliers laat weten dat we niet mogen ingaan op opeisingen van de soldaten, tenzij we er een ontvangstbewijs voor krijgen. Weet hij dan niet hoe het er in de straten aan toegaat? Weet hij niet dat de soldaten hun spullen aan belachelijk lage prijzen verkopen aan ons? Weet hij niet dat andere soldaten gewoon nemen wat ze willen? Weet hij wel dat ook zijn eigen mensen dat doen? Alle fatsoen is weg. De opslagplaatsen van de Duitsers worden massaal geplunderd. Kolen, schoenen, dekens, maar ook munitie, het ligt zomaar voor het grijpen. Niemand schaamt zich. En niemand grijpt in. Zeker nu met al die vluchtelingen, die door het dorp trekken, is elk overzicht weg.

En wat te denken van die raid op de kazerne? Er waren mannen uit Stekene ondergebracht – weerbare mannen, die de Duitsers in hun aftocht meenamen. Toen hun vrouwen hoorden dat ze in de kazerne in Beveren zaten opgesloten, kwamen ze in stoet naar hier om hun mannen terug te halen. Ze kochten de wachters om, of smokkelden vrouwenkleren de kazerne in en vermomden hun mannen als vrouwen om hen buiten te krijgen.

Deze situatie is echt niet langer houdbaar.

 

 

Remi, 29 oktober 1918

Ik krijg het hier benauwd op mijn zoldertje. Ik kan niet naar buiten, ik moet wachten tot een van de kinderen me iets te eten en te drinken brengt en mijn wc-emmer verwisselt, en ik heb niks omhanden. Wachten doe ik, niks dan wachten. Tot ik me weer kan laten zien zonder bang te hoeven zijn dat ze me oppakken. Ik heb de weerbare leeftijd, en alle weerbare mannen worden opgeroepen. Sommigen vertikken het gewoon om zich aan te melden en wachten rustig af; anderen lopen weg, of duiken onder, zoals ik. Al een geluk dat ik me geen zorgen hoef te maken over mijn familie – die gijzelen ze soms om de onderduiker te dwingen zich aan te melden. Marie is zelf ondergedoken en de rest van mijn familie is weet ik veel waar. Wie zich wel aanmeldt, wordt zonder pardon meegenomen. Ofwel naar het front, om de verdedigingslinies te versterken, ofwel oostwaarts, naar Duitsland. Want de aftocht is begonnen, dat is nu wel duidelijk. Alles nemen ze mee: vee, mensen, alles wat los zit en verplaatst kan worden. Sint-Niklaas zou al frontgebied zijn; alles en iedereen wordt er aangeslagen door het leger. En de polders tussen Kieldrecht en Kallo, die eerst ontruimd waren om onder water gezet te worden, zijn weer vrijgegeven. Om maar te zeggen: er beweegt van alles daarbuiten en ik zit hier, te wachten. Tot het voorbij is.

Cécile, 22 oktober 1918

“Tommy kommt”, zeggen ze, en ze maken dat ze wegkomen. Tommy zou Brugge al bevrijd hebben, en Gent. Kunnen we dat geloven? Er zijn redelijk wat luchtaanvallen, dat wel. En chaos is er ook. Af en aan lopen ze. Ze laden karren vol met huisraad en kleren, paperassen steken ze in brand. Je zou het Casino en de Kommandantur in de Zandstraat moeten zien, en Cortewalle – zwijnenstallen zijn het geworden, een echt schande is het. En ze proberen het nog wel, hoor, ons schrik aan te jagen. Ze hangen plakkaten uit met de waarschuwing dat wie met de Belgische vlag rondloopt zes maanden gevangenis riskeert en boetes tot 20 000 Mark. Maar niemand kijkt ernaar. Of is er nog van onder de indruk. Ze grommen nog, maar ze bijten niet meer. Daar hebben ze de kracht niet meer voor. Zelfs hun eigen manschappen gehoorzamen niet meer. Alle respect voor officiersinsignes en andere uiterlijke kenmerken van gezag is verdwenen.

‘Dit zint me niet’, zegt mama – het is een van de weinige dingen die ze nog zegt.

Waar is ze bang voor? Hebben we nog iets te verliezen? Alles wat waarde had in ons leven is verdwenen. Zelfs Jozef Van Hul, die zo getalenteerde jongeman die ik bij onze mentor Piet Staut heb mogen leren kennen – waar is die tijd gebleven? – komt nooit meer terug. Het stond in de krant, dat hij gesneuveld is bij Diksmuide, al een maand geleden ondertussen. Ik blijf er maar aan denken. Net als aan al de rest.

En toch zeg ik: ‘Het komt wel in orde, mama.’ En ik aai haar hand, haar hoofd, net alsof de rollen zijn omgedraaid en ik de moeder ben geworden en zij mijn kind.

Remi, 10 september 1918

Marie kwam weer met nieuws aanzetten. Ergens tussen Vrasene, Meerdonk en Sint-Gillis-Waas zou een Duitse spion of veldwachter vermoord zijn. Een aantal gijzelaars wordt voor een dag of tien gevangengezet in Sint-Gillis, tot de dader gevonden is. Ik vond het maar een raar verhaal, om eerlijk te zijn. En ook Marie gaf toe dat het allemaal nogal warrig was.
Maar dit wist ze heel zeker: de geallieerden zijn een tegenaanval begonnen aan het IJzerfront en behalen succes na succes. En dat zou wel eens waar kunnen zijn. Normaal gezien gaan volgende week de scholen weer open, maar er wordt gefluisterd dat ze nog iets langer gesloten zullen blijven om ingericht te worden als noodhospitalen om de gewonden van het front op te vangen. Duitse gewonden dus. En de verse Duitse troepen die westwaarts trekken – en dat zijn er best wel wat de laatste tijd – zien er allesbehalve gelukkig en goedgemoed uit als ze hier ’s avonds toekomen en ’s morgens weer vertrekken. Het is eerder of ze naar de slachtbank gevoerd worden; die indruk wekken ze.
Zouden dit dan echt de laatste stuiptrekkingen zijn? Het is nog te vroeg om al te juichen. Het tij kan snel keren. En ook laatste stuiptrekkingen kunnen lang duren en pijnlijk zijn.

Cécile, 3 september 1918

Wie hier aan de deur stond? Remi. Met een boeketje brandnetels. ‘Daar kun je lekkere soep van maken’, zei hij. ‘Of thee van trekken. Dat sterkt aan.’ En wat deed ik? Ik nam ze aan, prikte me en begon te huilen. Als een kleuter. Om de brandnetels. Omdat je daar van aansterkt. Omdat ze prikken en omdat dat zo jeukt. Omdat Remi daar stond. Ik lachte door mijn tranen heen; tenminste, dat probeerde ik. ‘Wij hebben er genoeg’, zei hij. ‘En ik dacht…’ Dat wij er geen hadden? Onze tuin staat er vol mee! Dat wilde ik uitroepen, maar ik deed het niet. Natuurlijk niet. Ik was zo blij. Maar ook dat zei ik niet. Kon ik niet. Met al die tranen. Ook al voelde ik zo’n drang opkomen om te lachen. ‘Ik ben ziek geweest’, zei ik zonder dat hij daarnaar had gevraagd. ‘Maar ik kom er wel bovenop. Dank je wel.’ En mijn dankjewel was gemeend. Dat ik niet vroeg hoe het met hem ging, kwam omdat ik daar de kans niet toe kreeg. Hij werd van het voetpad afgelopen door een voorbijtrekkende patrouille en ik smeet vlug de deur dicht. Dat gestamp met die laarzen, ik krijg het er altijd zo koud van. En toen ze voorbij waren en ik de deur weer opendeed, was Remi niet meer te zien.

Het is trouwens maar een boeltje daarbuiten. Die patrouille waar ik het net over had, dat is maar een uitzondering. Het merendeel van de tijd lijkt het of er geen orde meer is. Of elke vorm van discipline opgelost lijkt te zijn. Duitse soldaten die niet meer van het voetpad afgaan als er een officier voorbijkomt, die niet meer groeten of salueren, of bevelen gewoon in de wind slaan. En die officieren dan maar van hun tak maken. Het haalt niks uit. Ik zie het gebeuren vanachter mijn raam. Het speelt zich gewoon af hier op de stoep. Wat dat gaat brengen weet ik niet. Maar lang kan het zo niet voortduren.

Cécile, 27 augustus 1918

Ik weet nu ook wat het is. De Spaanse. Braken, hoesten, hoge koorts, pijn over je hele lichaam. Het overviel me zomaar. Alsof ze met een hamer op mijn kop sloegen. Het ene moment trek ik netels uit in de tuin, het andere moment hang ik als een uitgewrongen theedoek over het tuinhekje. Je had mama moeten zien toen ze me daar zag hangen. Ze was in alle staten. Ik was nog zo bang geweest voor haar, dat zij ziek zou worden, maar nee, zij was het die mij naar bed moest brengen en me dagenlang moest verzorgen. Veel weet ik er nochtans niet van. Ze was er, dat weet ik. Naast al dat andere. Een dag of vier heeft het geduurd, toen kon ik opeens mijn hoofd weer oprichten. Huilen dat mama deed. Was ik gestorven, ze had niet harder kunnen huilen, geloof ik. En toen ging het elke dag wat beter. Kalmpjes aan. Nog steeds. Waarom zou ik me ook haasten? Waarvoor? Het is niet zo dat er een leven op me wacht. Dus kalmpjes aan. Zo houden we het al vier jaar vol.

Remi, 20 augustus 1918

De vader van Cécile is gestorven. Een paar weken geleden al; ik ben naar de begrafenis geweest. Ik heb Cécile daar gezien. Ik heb haar niet gesproken of de hand geschud, dat niet. Maar ik heb wel de hele tijd naar haar gekeken. En nu kan ik het beeld van Cécile in die zwarte kleren en met dat ingevallen gezicht en haar trieste ogen niet van me afzetten. Ze zag er zo verloren uit. Ik had zo’n zin om mijn arm rond haar schouders te slaan en haar te zeggen: kop op, we moeten voort, ze mogen ons niet klein krijgen. Maar op zo’n moment, als je je vader begraaft, zijn dat holle woorden natuurlijk. Maar zijn ze dat nu ook nog? Zouden ze nu wel op een geschikt moment komen? Hoe kom ik dat te weten? Ze laat zich niet zien. Hoe dikwijls ik ook voorbij haar huis loop, ik zie haar nooit. Haar moeder ook niet. Het lijkt wel of die twee zich opsluiten achter hun gevel. Ik begrijp dat wel, maar toch. Ik zou haar zo graag nog eens spreken. Gewoon in het voorbijgaan, een korte groet, hoe gaat het met je, en dan zien hoe ze reageert. Zou ze wel gezien hebben dat ik op de begrafenis was? Misschien moet ik een van deze dagen toch gewoon eens aanbellen. Net als vroeger, voor dit alles begon, een boeketje bloemen afgeven. Of nee, gewoon iets praktisch; er groeien allang geen bloemen meer in mijn hof. Ja, misschien doe ik dat wel. Misschien.

Cécile, 30 juli 1918

Hier zitten we dan. Mama en ik. Alleen. Gisteren hebben we papa begraven. Het was een sobere plechtigheid. Weinig volk ook. Remi, die was er. Ergens achteraan volgde hij de dienst, maar hij is ons niet persoonlijk komen condoleren. Het geeft niet. Ik apprecieer het echt dat hij de moeite deed om er te zijn. Je moet niet te veel vragen van de mensen.

Hoe het is gebeurd? De Spaanse griep, waarschijnlijk. Hij was sowieso sterk verzwakt door iets verkeerd te eten, dat is zeker. En dan ben je natuurlijk vatbaar voor van alles. Overal had hij pijn. Zijn hoofd, zijn borst, zijn hals, zijn buik, zijn benen – alles deed pijn. En die koorts… Tot 40° ging hij. Hij was niet de enige. Overal vielen mensen ziek, met bosjes gingen ze neer, de scholen sloten zelfs. Maar de meesten waren er vanaf na een dag of drie. Papa niet. Hij kreeg er een longontsteking bovenop. En daar herstelde hij niet meer van. ‘De Spaanse,’ zeggen de mensen. Ik zou het eerder de Duivelse noemen.

Nu maar hopen dat mama, die hem de hele tijd verzorgd heeft, het niet krijgt. Of ik heb straks helemaal niemand meer.

Remi, 16 juli 1918

Wat er daarnet op mijn hoofd viel! Een portret van de koning en de koningin! Niet één portret, maar tientallen. Het regende Alberts en Elizabethen. Om ons te herinneren aan de nationale feestdag die eraan komt natuurlijk. De kinderen waren door het dolle heen. Zoiets fleurt een dag toch op, nietwaar. En daarvoor doen ze het natuurlijk. Het gebeurt de laatste tijd wel meer. Dan komt er zo’n vliegmachine over het dorp – Britten, altijd Britten – en dan dwarrelt er van alles naar beneden. Een portret, of een pamflet. En dan voel je je hart toch wel even opspringen. ‘Ze denken aan ons’, gaat er dan door je heen. ‘Ze zijn ons niet vergeten.’ En dan kun je er weer even tegen.

Het geeft niet dat zo’n portret of pamflet in Duitse handen valt. Niet echt. Ze weten toch dat het gebeurt. En wat kunnen ze er nog tegen beginnen als het al door de lucht zweeft of op de grond ligt? Niet veel, hè. En daarbij: het is niet meer wat het geweest is. Dit verhaal hoorde ik gisteren vertellen – of het waar is, weet ik niet, maar het zou best kunnen: er kwamen gendarmen aan een huis om het te doorzoeken; de inwoners zouden iets van koper achtergehouden hebben. Maar de twee soldaten, die daar ingekwartierd waren, beletten de gendarmen om hun werk te doen. Zonder een vinger uit te kunnen steken moesten de gendarmen uiteindelijk afdruipen. Zo zie je maar. Ook de Duitsers zijn het beu. De gewone soldaten dan toch. Die willen na vier jaar ook naar huis. Die willen ook weer een gewoon leven. Wie wil dat nu niet? De Kaiser misschien. Maar die telt hier niet meer mee, wat denkt hij wel!

Cécile, 2 juli 1918

Papa is heel erg ziek. Hij moet iets verkeerds gegeten hebben. Je weet tegenwoordig niet meer welk eten je nog kunt vertrouwen. Water mengen ze met kalk om het dan te verkopen als melk. In het brood zit zaagsel. Of het is gemaakt van maïs of bonen; je kunt het geen dag houden en het is niet te eten. Vlees is er amper. En ook aardappelen stellen niet veel meer voor vandaag de dag. Dus wat zou je willen? Ook ik heb mijn maag en darmen voelen samenknijpen, maar ik ben er gelukkig niet ziek van geworden. Maar papa… Je zou hem moeten zien. Hij lijkt niet eens meer op zijn portret van vier jaar geleden, zo bleek en mager is hij geworden. Mama is er niet veel beter aan toe, maar al met al houdt zij zich sterk. Op deze vier jaar zijn ze twintig jaar ouder geworden!

Maar gelukkig hebben we nog een tuin. En die staat vol brandnetels. Op openbare plaatsen en wegen laten de Duitsers alle netels opvorderen, maar zolang ze niets van de netels in onze tuin afweten, blijven ze er met hun tengels vanaf en kunnen wij er soep van koken. Misschien sterkt papa er wat van aan. Laten we het hopen.