Auteur: Kortverhalen

Jozef Van Hul (13 februari 1894 – 29 september 1918)

Komende zaterdag, 29 september, zal het honderd jaar geleden zijn dat Jozef Van Hul, een beloftevolle kunstenaar uit Melsele, sneuvelde aan het front tijdens het grote bevrijdingsoffensief van het Belgische, Britse en Franse leger (zomer/najaar 1918). Hij werd 24 jaar.

Jozef Van Hul werd geboren op 13 februari 1894 in Melsele. Hij was het eerste kind van Carolus Ludovicus Van Hul, eierkoopman, en Joanna de Coninck. Het jonge gezin woonde in de Grote Baan in Melsele; in oktober 1895 verhuisde de familie naar een nieuw gebouwd huis op de hoek van de huidige Farnèselaan en de Grote Baan.

School liep Jefke – zoals Jozef werd genoemd omdat hij nogal klein van gestalte was – bij de Broeders in Sint-Niklaas. Zijn vrije tijd bracht hij graag door bij Piet Staut, de kunstschilder en fotograaf uit Beveren, die ook schilder- en tekenlessen gaf. Hij maakte er niet alleen vrienden voor het leven – Louise Van Goey, de dochter van zijn overbuurman brouwer Louis Van Goey, en Theo Bogaerts uit Sint-Niklaas – maar vatte er ook het idee op om, net als zijn mentor en leraar, kunstschilder te worden.

In 1909 schreef Jozef zich in aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Samen met zijn vriend Theo Bogaerts spoorde hij dagelijks naar de Scheldestad. Hij was toen 15 jaar. Dat Jozef talent had, werd al snel duidelijk. Vanaf zijn eerste jaar behaalde hij meerdere eerste prijzen, en ook bij zijn afstuderen in 1914 kreeg hij een eerste prijs voor zijn stillevens.

Of hij aanwezig was bij de prijsuitreiking op 12 juli 1914 valt te betwijfelen. Op 16 mei was Jozef opgeroepen voor zijn legerdienst; hij moest zich melden in Sint-Niklaas voor een medisch onderzoek. Hij werd geschikt bevonden en op 3 juli 1914 werd hij ingedeeld bij het 13e Linieregiment.

Op 4 augustus 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit. Eind augustus werden Jozef en zijn regiment naar het frontgebied gestuurd. Op 14 oktober hergroepeerde het leger zich in de Westhoek.

Aan het front bleef Jozef tekenen en schilderen in zijn vrije momenten. Aan teken- en schildergerief geraakte hij via Louise Van Goey, die ondertussen getrouwd was met Eduard Hernould en tijdens de oorlog in Engeland verbleef (Ealing, Londen). Zij stuurde hem regelmatig spullen op. Zo kon hij deelnemen aan de tentoonstelling Kunst op den IJzer, die op 1 september openging in Nieuwpoort. Jozef viel er op met zijn “hoekige, karaktervolle koppen” in houtskool en zijn aquarellen vol kleur. Een uitloper van deze tentoonstelling was de kunstenaarskring Kunst aan den IJzer, die werd opgericht in oktober 1916 door o.a. Maria Elisabeth Belpaire en Louisa Duyckers. Jozef trad toe tot deze vereniging. In 1917 volgden twee nieuwe tentoonstellingen, eerst in De Panne, later dat jaar in Le Havre.

In het voorjaar van 1918 werd Jozef ziek. Hij werd opgenomen in het ziekenhuis met een zware bronchitis, eerst in Calais, later in Angerville. Van eind april tot eind mei verbleef hij met ziekteverlof in Epernay-sur-Marne om te herstellen van zijn ziekte. Daardoor kon hij niet persoonlijk aanwezig zijn op een nieuwe tentoonstelling, die van 27 april tot eind mei liep in De Panne, en waar hij een viertal schetsen in olieverf voor had ingestuurd. Met de verkoop van die werken wilde hij nieuw teken- en schildermateriaal aanschaffen; blijkbaar verliep de toevoer uit Engeland moeilijker of was die helemaal stilgevallen.

In de zomer van 1918 was Jozef terug aan het front. Het Belgische, Britse en Franse leger begonnen toen aan een tweede groot, gezamenlijk offensief om de Duitse linies te doorbreken. Op 28 september 1918 vertrok Jozef met een zending naar een vooruitgeschoven post. Hij zou er nooit van terugkeren. Er wordt aangenomen dat hij sneuvelde aan het Blankaartsmeer in Diksmuide op 29 september 1918, nu zaterdag dus honderd jaar geleden.

Op woensdag 12 maart 1919 werd in Melsele een lijkdienst voor Jozef gehouden. In 2000 besliste de Plaatselijke Cultuurraad van Melsele om een straat naar hem te vernoemen. De Jozef Van Hulstraat is een zijstraat van de Kalishoekstraat. Onlangs nog stond hij op de longlist om verkozen te worden tot Beverse erfgoedheld. Zo zal zijn naam blijven voortleven in ons geheugen.

(gebaseerd op het artikel Jozef Van Hul (1894-1918), kunstschilder, gestorven voor het vaderland van Freddy Buys, eerder verschenen in het Land van Beveren, jaargang 46, 2003)

Honderd houwitsers voor een varken

Ik [korporaal Frans Struyf] word bruusk uit mijn slaap gewekt, een schildwacht slaat alarm. Er zijn Duitsers gesignaleerd! Morrend verlaat ik mijn ondergrondse schuilplaats om te zien wat er gaande is. Ik tuur in de verte maar zie of hoor niets. Vals alarm dus, …

Ik begeef me terug naar de schildwacht en doe mijn beklag. Toch merk ik dat de wacht er niet gerust op is. Hij houdt zijn ogen onafgewend op de puinen van een stukgeschoten boerderij die zich, op enkele honderden meters afstand, in het niemandsland bevindt.

Struyf: “Waarom sla je alarm?”

Schildwacht: “Ik heb beweging gezien daar bij die boerderij”

Struyf: “En waarom schiet je dan niet?”

Schildwacht: “Stel dat het de arme boer is, die zich schuilhoudt in zijn verwoeste boerderij? Ik wil toch geen onschuldige slachtoffers maken.”

Plots zien wij beiden een schim tussen de ingestorte muren bewegen.

“Zie! Daar is het spook nu weer”, zucht de schildwacht. Maar vooraleer ik de schildwacht van een antwoord kan dienen, suizen de kogels rakelings over mijn hoofd. De vijand is wakker geworden! Ook wij reageren met een gepast vuursalvo. Plots wordt het stil, het geluid verstomt …  In de puinen verroert zich niets meer. Geen gerucht, geen gekreun. Alles wordt weer kalm en rustig en gans misnoegd hervatten wij onze rust.

Bij het ochtendgloren zie ik opnieuw de schim die ons de nacht tevoren zo heeft beziggehouden. Maar deze keer zie ik duidelijk waar het om gaat. Nee het is geen Duitser, ook geen Belgische soldaat of boer, ook geen spook – nee het is … vrienden lach niet – een varken! Het arme dier, zwerft, door den honger gekweld, rond in het puin op zoek naar eten.

Na deze geruststelling haast ik mij naar mijn twee kompanen Jef en Maurits om hen mijn plan kenbaar te maken. Ik wil het varken stelen en vraag hun hulp. Zij zijn erom bereid dus licht ik de schildwacht in. Ik vraag hem om een waakzaam oog te houden op de Duitse linie, doch niet te schieten, wat hij ook moge horen of zien.

Onhoorbaar sluipen wij de loopgracht uit en wagen ons in het vlakke veld. De Duitsers schijnen niets te bemerken en blijven rustig. Spoedig zijn wij tot bij de puinen gekomen. Wij treden de boerderij binnen. Niets te horen, en niets te zien. Mijn vrienden willen de terugtocht aanvangen, wanneer ik plots het gesnork van een varken hoor dat mijn gezellen doet opschrikken.

‘Janverdekke’, roept Maurits, ‘is dat nu dien vervloekten Duitscher, het spook, de schim die u niet slapen liet!

‘Wel Maurits, beter zulk een varken dan Duitschers niet waar?, antwoord ik. Maar wat gaan we nu doen? We gaan dit beestje hier toch niet voor de moffen achterlaten? Daarop neemt  Maurits het initiatief en ontvouwt zijn plan.

Maurits: “Korporaal, kom geef mij uwe bajonnet maar, daar zal ik het ook wel mede klaar spinnen! Zoo! Help mij nu maar het varken vangen. Hier korporaal, eene sterke touw, ik zal deze oude baal over het dier zijn kop trekken en het beletten te schreeuwen. Gij, gij bindt stevig een der pooten en vooruit er mede naar de slachtbank!”

Zo gezegd, zo gedaan. Het varken snuffelt en snorkt om zich heen maar telkens wij het willen grijpen, springt het weg. Tot eindelijk Maurits het beest te pakken krijgt. Het bajonet blikt in het ochtendschemer en verdwijnt met een krachtige stoot in de keel van het dier. Een scherp geluid ontsnapt het varken en weergalmd tegen de kale muren van de boerderij. Plots klinken geweerschoten en het fluiten van houwitsers.

Jongen met varken en biggen. Deze foto is vermoedelijk genomen op een boerderij in Haasdonk ergens rond de Eerste Wereldoorlog (collectie HHKLVB, fotograaf Kamiel Van de Velde)

Het dier wil maar niet zwijgen en het zweet breekt ons uit. Twintig, dertig bommen klieven door de lucht en ontploffen met wild geraas op de boerderij!

Maurits maakt er snel een einde aan. Hij hakt en kerft, en snijdt het dier in stukken zonder te letten op het gevaar. Het regent bommen en granaten. Op vijf meter afstand spat een bom uiteen. Het schroot vliegt ons rakelings voorbij. Niemand raakt gewond maar het is tijd dat we de benen nemen. Wij verzamelen de beste stukken vlees en binden ze op onze rug. Daarna kruipen we op handen en knieën terug naar onze loopgracht, waar wij triomfantelijk worden onthaald.

Alles is uiteindelijk zonder erg afgelopen. We krijgen wel een stevige uitbrander van onze officieren maar deze is al gauw vergeten.

Weldra ligt het lekkere varkensvlees te braden. De aangename geur die de lucht vervult doet onze makkers watertanden en we lachen nu – smakelijk – om het afschrikkende spook van vorige nacht! Jongens, wat was dat lekker!

Auguste Van Leuvenhage

Auguste Van Leuvenhage werd geboren in Beveren op 30 augustus 1897. Zijn ouders zijn Edouard François Van Leuvenhage en Maria Ludovica Boon. Het gezin woonde in de Krabbenhoek in Beveren.

In het najaar van 1916 – Auguste was net negentien geworden, de Grote Oorlog en de Duitse bezetting van België duurden al twee jaar – begonnen de Duitsers werkloze jongeren en mannen op te roepen om voor hen te gaan werken. Ook Auguste werd opgeroepen. Ondanks het feit dat hij beweerde in dienst te zijn bij Frans Boon, fruitenier, werd hij op 30 november 1916 weggevoerd.

In haar standaardwerk De Groote Oorlog, Het koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog geeft Sophie De Schaepdrijver een indruk van hoe de treinreis moet verlopen zijn. “In onverwarmde veewagens, zonder water of sanitair, werden de dwangarbeiders weggevoerd. (…) Na drie dagen en nachten reizen kwamen de gedeporteerden aan in de zogeheten Verteilungsstellen: deels geëvacueerde krijgsgevangenenkampen in afgelegen streken in Noord- en Oost-Duitsland, zwaar bewaakt en omgeven door hoge barrières van prikkeldraad. Ze werden ondergebracht in onverwarmde barakken op strozakken. De eerste winter van de deportaties vroor het geregeld 20 graden. Per dag kregen de gevangenen een kwart kilo brood, een liter rapensoep en enige mokken koffiesurrogaat. Na verloop van tijd werden sommigen geselecteerd om te gaan werken. Al snel ondervonden deze mannen dat de arbeidsomstandigheden niet waren wat de collaborerende pers had voorgespiegeld. Ze waren ondervoed en slecht behuisd, hadden geen zeep, en werden dagelijks geconfronteerd met de Duitse schaarste en de harde discipline van de oorlogsindustrie.” (Sophie De Schaepdrijver, heruitgave 2013, p 243-244)

Auguste kwam terecht in het kamp van Güben bij Cottbus, tegen de Poolse grens. In dat kamp werden oorlogsmachines gebouwd en synthetische vezels vervaardigd. Auguste verbleef er drie maanden.

Daarna werd hij naar het kamp van Heilsberg overgeplaatst, waar hij zes weken bleef. Heilsberg ligt in het tegenwoordige Polen, dicht bij de Litouwse grens, en heet vandaag Lidzbark Warminski. Het kamp bevond zich in een bos ten oosten van de stad. De jongens en mannen die hier terechtkwamen, moesten een weg aanleggen naar de verderop gelegen stad Bartenstein (nu Bartoszyce). In het kamp woonden en werkten verschillende nationaliteiten samen, waaronder Russen, Roemenen, Britten, Fransen, Italianen en Belgen. Voor de dwangarbeiders die stierven in het kamp – waaronder 45 Belgen – werd enkele jaren geleden een monument opgericht op de plaats in het bos waar het voormalige kamp heeft gelegen.

Ook in het kamp van Regenheid/Ragenheid (?) werd Auguste gedwongen aan het werk gezet.

Gelukkig vergat zijn familie hem niet. Per maand stuurden ze hem een vooraf door de Duitsers samengesteld pakket van 25 frank; zulke pakketten bevatten o.a. worsten, paté, peperkoek, gelei, zeep, tabak. Daarnaast zonden ze hem een paar werkschoenen, een paar zondagse schoenen, werkkleren en zondagse kleren.

Veel soelaas brachten deze zendingen wellicht niet. Het leven was hard en het werk zwaar voor de dwangarbeiders. Ze werden niet of nauwelijks (0,30 pfennig per dag) betaald en kregen onvoldoende te eten. Toen Auguste en andere kampbewoners daarvoor in staking gingen, werd hij (volgens de documenten) gevangengezet in het kamp van Tilsit (nu Sovjetsk, Kaliningrad, Rusland) of, (volgens de foto) in Ragnit (nu Neman, Kaliningrad, Rusland). Voor zijn onkosten moest hij daar 67,68 Mark betalen.

Auguste Van Leuvenhage met andere Belgische burgerlijke gevangenen in het kamp van Ragnit, 12 juni 1917. Auguste is de man uiterst links.

Auguste Van Leuvenhage met andere Belgische burgerlijke gevangenen in het kamp van Ragnit, 12 juni 1917. Auguste is de man uiterst links. (privé-collectie Etienne Van den Hende)

Omdat er een storm van internationaal protest opstak om de deportaties en de gedwongen tewerkstellingen, begonnen de Duitsers vanaf de zomer van 1917 de gedeporteerden naar huis te laten terugkeren. Auguste keerde terug op 10 september 1917, na 10 maanden gedwongen arbeid in Duitsland. Hij kwam er relatief goed vanaf, wat zeker niet voor alle gedeporteerden opging. Van de naar schatting 60.000 weggevoerde Belgen, stierven er zo’n 1.316 in Duitsland. Veel anderen keerden ziek of kreupel terug. “Op de stations kwamen groepjes broodmagere mannen aan, schurftig en stinkend en met hun zwart uitgeslagen voeten in klompen. Ze waren gehuld in lompen waarop allerlei onheilspellende cijfers en kruisen waren gekalkt. Ze wankelden op hun gezwollen benen, afgestompt en schichtig tegelijk door de ondervoeding en mishandeling, naar getuigen meldden. (…) Van honderden jongemannen – bijna negenduizend gedeporteerden waren nog geen achttien jaar oud toen zij werden weggevoerd – was de gezondheid geknakt. Mannen van dertig kwamen als ziekelijke oudjes terug,” schrijft Sophie De Schaepdrijver in De Groote Oorlog, Het koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog. (p 248)

Na de oorlog, op 15 september 1919, werd Auguste opgeroepen door het Belgische leger om zijn dienstplicht te vervullen. Ondertussen was hij getrouwd met Agnes Marie Emma Audenaert. Het koppel woonde in de Krabbenhoek in Beveren, had één dochter, Maria, en Auguste werkte als landbouwersknecht. Tot 18 juni 1921 was hij milicien bij de Jagers te voet, o.a. in Doornik, Sint-Niklaas en Duisburg (Duitsland). Zijn gedrag en wijze van dienst waren, volgens zijn mobilisatieboekje, heel goed.

Auguste Van Leuvenhage als dienstplichtige

Auguste Van Leuvenhage als dienstplichtige (privé-collectie Etienne Van den Hende)

Ondertussen probeerde Auguste erkenning te krijgen als weggevoerde. In november 1920 werd hem 150 frank toegewezen door de Rechtbank voor Oorlogsschade. In juli 1921 werd hem nog eens 200 frank toegekend – verminderd met de eerder ontvangen 150 frank.

In juli 1922, juli 1923, juli 1925, juli 1933 en mei 1935 meldde hij zich aan voor de “monsteringen der getalsterkte” van het Belgische leger; bij die laatste monstering leverde hij zijn uniform definitief in.

Vijf jaar later vielen de Duitsers België opnieuw binnen. Weer werd Auguste door de Duitse bezetters weggevoerd naar Duitsland.

Ook na de Tweede Wereldoorlog bleef Auguste erkenning zoeken als weggevoerde tijdens de Eerste Wereldoorlog. In juli 1969 kreeg hij van het Bestuur voor Oorlogsslachtoffers nog de Kaart van Weggevoerde 1914-1918. “Samen met u verheug ik mij erover dat op die wijze Uw verdienste na zovele jaren wordt erkend,” liet de toenmalige minister van Volksgezondheid Nameche er bij vermelden. In 1971 kreeg hij een eenmalig pensioen voor burgerlijke oorlogsslachtoffers van 500 frank.

Auguste Van Leuvenhage met zijn vrouw en vijf kinderen bij zijn 50-jarige huwelijksjubileum

Auguste Van Leuvenhage met zijn vrouw en vijf kinderen bij zijn 50-jarige huwelijksjubileum (privé-collectie Etienne Van den Hende)

Op 6 juli 1980 stierf Auguste in Kallo, waar hij inwoonde bij zijn tweede dochter Zoé. Hij werd begraven in Beveren, waar hij het grootste deel van zijn leven gewoond had. Zijn vrouw Emma was hem al voorgegaan. Samen hadden ze 5 kinderen grootgebracht: Maria, Zoé, Roger, Henri en Paul. Van beroep was hij dokwerker in de haven van Antwerpen; om een centje bij te verdienen teelde hij aardbeien op een lap grond die nu in de wijk Levergem ligt. Na zijn pensioen ging hij als hulp werken bij een fruitenier; daarvoor moest hij om 2 uur ’s nachts opstaan om naar de veiling te gaan. Maar Auguste was niet alleen een harde werker. Hij  was ook een man die graag onder de mensen kwam en graag een pintje dronk; na het pintje teveel zong hij zijn lievelingslied “De valse liefde”. Hij was ook lid van de schutters met boog en pijl. Over zijn ervaringen tijdens de oorlog sprak hij niet of nauwelijks. Het is nu pas dat zijn kleinkinderen en nakomelingen dit verhaal te weten komen.

 

(Karen Dierickx)

Juwelier bakt gendarme een poets

Eerder in zijn dagboek beschreef frontsoldaat Struyf op 27 februari 1915  hoe hij en zijn strijdmakkers van de 1ste Compagnie Hulptroepen der Genie in een smidse nabij Hoogstade-Linde de verveling probeerden te verdrijven door ringen te maken uit koperen vijf cent franken. Het idee hadden ze gehaald bij de Franse poilus, die de fraai bewerkte ringen tegen geld of in ruil voor voedsel of rookwaar trachtten aan de man te brengen … en met succes.

Frans Struyf redigeerde naast zijn dagboek ook nog een meer prozaïsch geschreven bundel met kortverhalen, zesentwintig in totaal, die inhoudelijk nauw aansluiten bij zijn dagboekervaringen. Eén van de novelles die hij schetst, draagt de titel ‘de soldaat-juwelier’ en verhaalt hoe een vriend van Struyf een soldaat van de Gendarmerie in de luren legt.

Deze vriend-juwelier zint op wraak omdat de militaire politie, de Gendarmerie, hem eerder een stuk loopgravenkunstwerk (Trench Art) heeft afgepakt. Hij begint aan een nieuw kunstwerk, een prachtige doosje, waarbij vier Duitse houwitserkoppen als poten dienen. Hij verstopte het doosje heimelijk onder zijn strozak en werkte ‘s avonds bij het flauwe schijnsel van een nachtlampje onvermoeibaar verder aan zijn ‘fabricaat’. Het doosje was een echt huzarenwerk, kunstig met bloemen gegraveerd. Op de bodem lagen een sigarettenkoker, een solferdoosje en een prachtige obuskop waar men lucifers in kon steken. Het deksel van het bewaardoosje sloot zeer vernuftig met twee puntige haakjes in een springslot. Nadat de rookwarendoos volledig was afgewerkt, liet de maker het kunstwerk achteloos aan het voeteinde van zijn bed liggen. Op dat moment kwam een  gendarme binnen die het kunstwerk opmerkte. Betrapt! De vriend-juwelier probeerde het op een akkoordje te gooien. De politieman kreeg het kleinood, in ruil voor stilzwijgen. De gretige ‘pakkeman’ ging in op het aanbod, hij nam de doos aan en stak zijn hand in het ‘kofferken’. Hij greep naar de prachtig versierde obuskop om hem van dichtbij te bewonderen en plots … weerklonk een pijnlijke kreet doorheen de barak. Het deksel bevatte immers een geheim veermechanisme waardoor, ééns de politieman naar de kop greep, dichtsloeg en de puntige haakjes van het slot zich in de hand van de inhalige politie-soldaat boorden. De barak daverde onder het gelach en gehoon van de soldaten. Helemaal aangedaan door dit voorval, verloor de gefopte soldaat meteen zijn arrogantie en verliet hij al vloekend en vol schaamte de barak. De fopdoos werd niet in beslag genomen en de juwelier-grappenmaker werd niet langer lastiggevallen door soldaten. De slimme grap had zijn gewenste effect bereikt.

Onderschrift: De soldaat juwelier! Een kreet, vol pijnlijke verrassing, ontsnapte de lippen van den gefopten pakkeman!

Onderschrift: De soldaat juwelier! Een kreet, vol pijnlijke verrassing, ontsnapte de lippen van den gefopten pakkeman!

Kerstconcert op kasteel Cortewalle (1915)

De Groote Oorlog van Frans Verstraeten

‘Als ik in 1915 op 1 mei aan het front gekomen ben, en toen we in Reninge aangekomen waren met ons peloton, dachten we: als we naar Steenstrate moeten, dan hebben we ons laatste zuiver hemd aan. En inderdaad, ‘s avonds hoorden we dat we naar Steenstrate gestuurd werden samen met de grenadiers en de karabiniers. Het was in die periode dat de Duitsers met gas begonnen. We moesten de chasseurs (jagers) aflossen en wij zaten in den tranchée (loopgraaf) aan een mennegat (opening in de weg naar een akker of een hof) van een boerenhof. We zagen de Duitsers afkomen in kolom per kat (colonne par quattre) over de steenweg. Wij schoten zonder ophouden, ze stuikten in elkaar en de lijken lagen op een hoop zodanig dat de achtersten over de geblesseerden en de doden moesten kruipen, maar ze bleven maar komen. Ons mitrailleurs zagen rood van ’t schieten alsof ze in het vuur gestoken waren. Op de duur zagen ze toch in dat ze er allemaal aan moesten en trokken ze zich terug. De Duitsers hebben dan een wapenstilstand aangevraagd van enkele uren die ze ook van ons kregen. Er kwam dan een parlementair (onderhandelaar) met een witte vlag op het slagveld samen met enkele soldaten. Ze maakten ter plaatse enkele putten en staken de Duitsers die daar lagen erin en diegenen die nog goed waren, allée … de geblesseerden zeg maar, werden naar het hospitaal gebracht of krijgsgevangen gepakt.

Na een paar dagen werden we verplaatst naar Nieuwpoort. Daar kwamen we in ne secteur (sector) waar met gas geschoten werd. Wij waren de eerste mannen die in de gas gezeten hebben en dat was daar te Nieuwpoort. Juist over de brug zaten we in onze voorpost. Op de voorpost, dat was een abrieken (schuilplaats, meestal in hout, verstevigd met zandzakjes) van niemendal, was het heel gevaarlijk, de Duitsers zaten maar een meter of tien van ons. De loopgraven kwamen daar zo dicht bijeen dat we vodden en zakjes rond ons bottines wikkelden om ons niet te horen gaan. We moesten daar vier dagen zitten en dan werden we afgelost en mochten we achteruit, allée we kregen dan vier dagen repo (rust). Op die secteur in Nieuwpoort heb ik een maand of vier gezeten en dan zijn we naar Diksmuide getrokken. Aan de bloemmolen in Diksmuide rechtover de mouterij, juist over de brug van de IJzer, aan de Dikkevillekes gelijk dat ze zegden, hebben we het een en ander meegemaakt. Die molen was al helemaal kapot geschoten maar hij stond er nog. We moesten daar de voorpost bemannen en daar kwam de stank van de lijken van de Duitsers die in die molen lagen je tegen dat het niet om uit te houden was. Vier dagen op post en vier dagen repos, zo ging dat. Maar repos dat was ook werken hé! Onze reposplaats was in Lo, we moesten er te voet naartoe, ja ja, twee uren gaans, dat was niet van te zeggen dat ze je daar met een koets kwamen ophalen hé! In Lo moesten we dan zandzakjes vullen, ons gereedschap onderhouden, reparaties doen of patatten schillen, we konden ons eens wassen, met de kaarten spelen en ja en van alles hé … maar weg mochten we niet. Congé (verlof) dat bestond niet.’

Aan het woord is Frans Verstraeten (Melsele 1894-Beveren 1968), oud-strijder van de Eerste Wereldoorlog, in 1966. Zijn neef Richard Willems interviewde hem toen over zijn persoonlijke Groote Oorlog en nam het gesprek op met een Grundig-bandrecorder. Op basis van deze tape schreef Richard Willems in 2003 voor het project De Groote Oorlog in Beveren het verhaal van zijn grootoom en bracht het ten gehore tijdens de Museumavond op 20 november 2003. Wijlen Wim van Remortel († 2013), kunstenaar en eveneens neef van Frans Verstraeten, illustreerde het verhaal. De Groote Oorlog van Frans Verstraeten werd in 2014, ter gelegenheid van Erfgoeddag ERF! op 24 april 2014 en kaderend in het herdenkingsprogramma 2014-2018 van de gemeente Beveren, opnieuw verteld.

Richard Willems, De Groote Oorlog van Frans Verstraeten, geïllustreerd door Wim van Remortel, Beveren, 2003, pp. 7-8