Daniel Frans Struyf

Historisch personage

Juwelier bakt gendarme een poets

Eerder in zijn dagboek beschreef frontsoldaat Struyf op 27 februari 1915  hoe hij en zijn strijdmakkers van de 1ste Compagnie Hulptroepen der Genie in een smidse nabij Hoogstade-Linde de verveling probeerden te verdrijven door ringen te maken uit koperen vijf cent franken. Het idee hadden ze gehaald bij de Franse poilus, die de fraai bewerkte ringen tegen geld of in ruil voor voedsel of rookwaar trachtten aan de man te brengen … en met succes.

Frans Struyf redigeerde naast zijn dagboek ook nog een meer prozaïsch geschreven bundel met kortverhalen, zesentwintig in totaal, die inhoudelijk nauw aansluiten bij zijn dagboekervaringen. Eén van de novelles die hij schetst, draagt de titel ‘de soldaat-juwelier’ en verhaalt hoe een vriend van Struyf een soldaat van de Gendarmerie in de luren legt.

Deze vriend-juwelier zint op wraak omdat de militaire politie, de Gendarmerie, hem eerder een stuk loopgravenkunstwerk (Trench Art) heeft afgepakt. Hij begint aan een nieuw kunstwerk, een prachtige doosje, waarbij vier Duitse houwitserkoppen als poten dienen. Hij verstopte het doosje heimelijk onder zijn strozak en werkte ‘s avonds bij het flauwe schijnsel van een nachtlampje onvermoeibaar verder aan zijn ‘fabricaat’. Het doosje was een echt huzarenwerk, kunstig met bloemen gegraveerd. Op de bodem lagen een sigarettenkoker, een solferdoosje en een prachtige obuskop waar men lucifers in kon steken. Het deksel van het bewaardoosje sloot zeer vernuftig met twee puntige haakjes in een springslot. Nadat de rookwarendoos volledig was afgewerkt, liet de maker het kunstwerk achteloos aan het voeteinde van zijn bed liggen. Op dat moment kwam een  gendarme binnen die het kunstwerk opmerkte. Betrapt! De vriend-juwelier probeerde het op een akkoordje te gooien. De politieman kreeg het kleinood, in ruil voor stilzwijgen. De gretige ‘pakkeman’ ging in op het aanbod, hij nam de doos aan en stak zijn hand in het ‘kofferken’. Hij greep naar de prachtig versierde obuskop om hem van dichtbij te bewonderen en plots … weerklonk een pijnlijke kreet doorheen de barak. Het deksel bevatte immers een geheim veermechanisme waardoor, ééns de politieman naar de kop greep, dichtsloeg en de puntige haakjes van het slot zich in de hand van de inhalige politie-soldaat boorden. De barak daverde onder het gelach en gehoon van de soldaten. Helemaal aangedaan door dit voorval, verloor de gefopte soldaat meteen zijn arrogantie en verliet hij al vloekend en vol schaamte de barak. De fopdoos werd niet in beslag genomen en de juwelier-grappenmaker werd niet langer lastiggevallen door soldaten. De slimme grap had zijn gewenste effect bereikt.

Onderschrift: De soldaat juwelier! Een kreet, vol pijnlijke verrassing, ontsnapte de lippen van den gefopten pakkeman!

Onderschrift: De soldaat juwelier! Een kreet, vol pijnlijke verrassing, ontsnapte de lippen van den gefopten pakkeman!

Verveling in de loopgraven (1916)

Pentekening Frans Struyf. Getiteld: aux tranchées secteur tranquil., 1916. GAB, daboek Frans Struyf, f° 66

Pentekening Frans Struyf. Getiteld: aux tranchées, secteur tranquil, 1916.  Door de uitzichtloosheid van de loopgravenoorlog en het tijdelijk stilvallen van de vijandigheden nam de neerslachtigheid in de rangen van het Belgische leger toe. Soldaten leden massaal aan ‘le cafard’, een gevoel van neerslachtigheid en heimwee zoals meermaals beschreven door frontsoldaat Struyf. GAB, dagboek Frans Struyf, f° 66.

Daniël Frans Struyf, 5 oktober 1915

Oktober 1915. Onze aalmoezenier, een professor uit het Sint-Jans Berchmanscollege van Antwerpen komt ons tijdens onze werkzaamheden een bezoek brengen en nodigt ons allen uit om ’s avonds de lofviering te komen bijwonen in de kerk van Wulveringem. Wij beloven  te komen en trekken weldra met enkele makkers ter kerk in het aangename gezelschap van onze aalmoezenier. Mijnheer Steynen, want zo heet hij, is waarlijk een lieftallige en goede man die ons zoveel als hij kan troost en ons steeds aanmoedigt. Hij probeert ons steeds het laatste oorlogsnieuws te brengen.  Ja, onze aalmoezenier is een ware en oprechte vriend, bij wie ik steeds terecht kan om mijn hart te luchten, zodat ik met een onbezwaard gemoed mijn werk kan hervatten.

Daniël Frans Struyf, 29 september 1915

Tot spijt van luitenant Waucquez en mijn makkers verlaat ik vandaag de 13de compagnie om de 23ste compagnie in Wulveringem te vervoegen. Het regent pijpenstelen en ik ben dan ook gans doorweekt als ik toekom in Wulveringem. De nieuw opgerichte compagnie is ondergebracht in een hoeve juist achter de kerk van Vinkem. Bij mijn aankomst ga ik bij de brigandier der guiden plaats zoeken. Deze jongen is afkomstig uit Herentals en al vlug kunnen we het goed met elkaar vinden. Onze compagnie heeft de opdracht om de belangrijke wegen in goede staat te houden en de materiaalwagens die aan de tramstatie toekomen, te lossen. Sergeanten en korporaals werken in een goede verstandhouding en helpen elkaar waar nodig. Ik denk dat het hier nog beter zal gaan als gedacht! Op dit ogenblik gaan we de grote baan van Veurne naar Ieper, kapot gereden door het drukke verkeer, opnieuw rijklaar maken. Het is ’s nachts bitterkou in de schuur. Daarom maken wij een eigen strohut waar we met zen getweeën in kunnen liggen.

67 Permissionnaires - Allerhande

Lossen van oorlogsmaterieel. Foto genomen door de Lokerse brancardier en fotograaf Gustaaf Drossens (collectie Herman Magherman)

Daniël Frans Struyf, 15 augustus 1915

Vandaag is het Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaart. Onze aalmoezenier zal vandaag een mis opdragen in de schuur van de compagnie te Leisele. Wij gaan er met enkele makkers naartoe. Tot mijn verbazing blijkt de arme priester geen misdienaar te hebben om de viering te assisteren. Niemand durft zich van deze godsvruchtige taak te kwijten dus meld ik mij aan als vrijwilliger. De priester is zeer tevreden en de mis kan starten. Mijn vrienden lachen mij wel wat uit maar ik ben gewoonweg blij dat ik een medemens gelukkig heb kunnen maken.

Daniël Frans Struyf, 7 juni 1915

Vandaag heb ik een klein voorval. Mijn makkers komen langs en klagen dat zij hun rechthebbende tabak nog niet ontvangen hebben. De adjudant van onze compagnie, een goede ouden man, antwoordt dat zij tevreden mogen zijn nog wat tabak te krijgen. Tenslotte hebben zij hier geen recht op aangezien zij niet meer naar de loopgraven gaan. Omdat ik niet kan aanzien hoe men de eenvoudige soldaat wil beetnemen, kan ik het niet nalaten de adjudant om een weerwoord te vragen. Op zijn toelating zeg ik hem: Adjudant, het verwondert mij dat u – ondanks uw beperkte kennis van de geldende regelgeving – adjudant geworden bent; immers het soldatenreglement verklaart duidelijk en ondubbelzinnig dat in oorlogstijd iedere soldaat, zonder uitzondering, recht heeft op 10 gram tabak en twee sigaretten per dag, zonder te spreken van de druppel welke thans beter smaakt in de keel van de officieren dan in dien van ons. De adjudant reageert totaal verbouwereerd: Struyf, zijt gij zeker van wat gij daar vertelt? Ik herhaal mijn verklaring waarop de adjudant ons gezelschap schoorvoetend verlaat. Mijn vrijpostige uitlating wordt op luid gejuich en applaus onthaald.

s’Avonds als men ons de soep brengt, krijgen wij ons rechtmatige rantsoen van 50 gram tabak en 10 cigaretten! Onze chef verwittigt mij dat ik na de soep op de bureau moet komen omdat de kommandant mij persoonlijk wil spreken. Wat hangt me nu boven het hoofd? Ik bereid mij alvast voor op een uitbrander en  tuchtstraf maar niets is minder waar! De kommandant verwelkomt mij zeer hartelijk, hij overlaadt mij met complimenten en vertelt hoe hij te horen heeft gekregen dat ik goed kan schrijven en rekenen. Deze kwaliteiten zouden uitstekend kunnen dienen bij de administratie op het bureel van de kommandant. Bovendien zou het schrijfwerk mij beter bevallen dan het wroeten en ploegen bij de genie. Daarom besluit de kommandant dat ik vanaf s’anderendaags op de bureau zou komen schrijven.

Omdat ik niet anders kan, neem ik dit aanbod aan, maar als de officieren denken mij hiermee te kunnen muilkorven en de kleine man doen te vergeten, dan hebben zij het goed mis!

Daniël Frans Struyf, 24 mei 1915

24 mei 1915, tweeden sinksendag. Wij werken de hele dag verder aan onze waterputten maar ik kan mezelf er niet toe brengen om goed werk af te leveren. Verleden jaar was tweede pinksterdag nog zo vrolijk en nu zijn wij hier erger dan dwangarbeiders.  Ik weet het, het is laf van mij om zo te spreken maar wanneer ik aan vrouw en kinderen denk, dan vult de wanhoop mijn hart en doet mij verschrikkelijk lijden. Mijn tranen stromen, ik laat ze schaamteloos rollen en ben tevreden, want wenen doet mij goed en het verlicht mijn hart. Wanneer zal deze verdoemde oorlog nu eindelijk eens gedaan geraken, wanneer brengt de eindoverwinning een einde aan ons lijden? Zowel mijn makkers als ikzelf voelen ons enorm te neergeslagen en ontmoedigd en sommigen zeggen zelfs vlakaf dat het hun weinig zou maken om Duitser te worden, zolang deze oorlog maar eindigt. Deze manier van onpatriottisch spreken komt aan als een zweepslag in het gezicht. Meteen is mijn moedeloosheid verdwenen! Met veel overtuiging weet ik mijn kompanen te overtuigen van hun ongelijk, doe hen verstaan hoe noodlottig ons leven zou zijn onder Duitse tirannie. Dat wij -ondanks alle miserie en tegenspoed – stand moeten houden voor vrouw en kinderen. Hiermee is de discussie van de baan … en wordt de avond – na een bezoek aan de plaatselijke herberg – al zingend afgesloten.

Daniël Frans Struyf, 10 mei 1915

Vandaag ontmoet ik bij toeval soldaten van Zwijndrecht en Burcht. Zij melden mij de dood van zeven dorpsgenoten, anderen zijn verdwenen of krijgsgevangen genomen naar Duitsland. Omdat het nachtwerk aan de waterput zeer traag vordert(’s nachts werken is veiliger) , werken wij overdag verder. Wij worden onderverdeeld in twee groepen: wij werken verder aan de ene drinkput terwijl onze geniemakkers op een andere hoeve een nieuwe put aanboren. Het gonst van het nieuws dat ook Italië zich weldra in de oorlog zal voegen. Een grote overwinning voor de geallieerden is vast in de maak! Binnenlands nieuws wordt intussen schaarser en schaarser. Ik heb al ontelbare brieven naar het thuisfront geschreven maar ontvang geen enkel antwoord, ook al heb ik langs verschillende wegen geprobeerd mijn boodschappen over te brengen.

burcht-soldaten-1911-1912

De oorlogsvrienden van Burght 1911-1912. Misschien zien we hier enkele dorpsgenoten waarover Frans Struyf in zijn dagboek spreekt? Voor meer informatie over deze Burchtse soldaten zie: http://helden.familiekunde-landvanwaas.be. Met dank aan Rositta van Havere

 

Daniël Frans Struyf, 29 en 30 april 1915

Vandaag maken wij ons gereed om terug naar het front te vertrekken. Dit nieuws vervult ons met vreugde! Wij worden verdeeld in groepjes van 12 mannen, 1 korporaal en 1 onderofficier. Eens ons boeltje gereed, gaan wij een laatsten maal naar de stad om er aankoopen te doen. Wij keren terug om nog eens goed te slapen opdat wij morgenvroeg fris en kloek zijn voor het vertrek. Ik drink een goed glas wijn en slaap weldra zonder iets te merken van de ratten en luizen .

30 april 1915 – Om 5 uur ’s morgens worden wij op appel geroepen. We krijgen brood en vlees en ontvangen onze soldij. Daarna trekken we naar het station waar wij groep per groep op de trein worden gebracht. Rond 10 uur vertrekken we richting Adinkerke waar iedere groep verdere bevelen krijgt om zijne vaste bestemming te vervoegen. Vaarwel Frankrijk, dat ons steeds goed behandeld heeft! Niettegenstaande alle gevaren en miserie in ons geliefde en kapotgeschoten  België, verlangen wij allen om onze vaderlandse grond opnieuw te mogen betreden. Vaarwel Frankrijk, God bescherme u!

Struyf_071

La Belgique Martyre. Ingekleurde tekening van Daniël Frans Struyf. België wordt hierbij voorgesteld als een bloedende leeuw met vaandel in Belgische driekleur. Op de achtergrond branden de Ieperse lakenhallen. Rechtboven de Duitse adelaar (met Rijkskroon), die geduldig een nieuwe aanval afwacht.

 

Daniël Frans Struyf, 13 april 1915

Eindelijk, het is 13 april 1915 en wij ontvangen het bevel om te verhuizen naar Ardres waar het depot van de Genie gevestigd is. Met zeventien collega’s vertrekken wij, zeer tevreden om weldra onze oude strijdmakkers terug te vinden. Na een vier uur durende mars komen wij in Ardres toe en krijgen een slaapplaats toegewezen bij een boer. Hier brengen we enkele dagen door. Voor het eerst sinds 1914 kunnen we een goed bad nemen, wat ons zeer goed doet. Vandaag worden wij bevolen om gedurende 24 uur de wacht te houden. Het is eerder een tijdverdrijf want ik geloof niet dat er hier enig gevaar bestaat. Als iemand de brug passeert moeten wij de papieren van de voorbijgangers controleren. Er zouden immers spionnen in de buurt rondlopen. ’s Nachts trekken wij met twee man tegelijk de wacht op. Alles verloopt naar wens. Rond 2 uur komt men ons aflossen. We gaan een lekker glas wijn drinken en trekken in de stad rond. In de verte horen we het onophoudelijke gedonder van de kanonnen (…)

Omdat ik geen tabak meer heb, koop ik hier een pakje en betaal het één frank tachtig voor 50 gram! Als ik hier nog lang moet blijven, zal ik gauw geruïneerd zijn! Ik verveel mij hier te pletter. Ik krijg zelfs goesting om terug te keren naar het front. Daar valt tenminste iets te beleven.

Gelukkig, ik krijg opnieuw een kaartje van Mr. Van Haaren. Enkele regeltjes maar, iedereen verkeert in goede gezondheid in Antwerpen! Ik schrijf ogenblikkelijk een lange brief terug waarin ik hem vraag of hij mij ook post van mijn echtgenote kan bezorgen, dat zou mij zeer gelukkig maken. Ik hoor opnieuw gedonder, de gevechten aan de IJzer zijn opnieuw begonnen. Wanneer zal deze vervloekte oorlog nu eindigen? Men zegt ons dat de Duitsers honger lijden. Als dat waar is, hoe zit het dan met vrouw en kinderen? Wij hebben genoeg om te eten. Ik werp hier vaak het eten voor de varkens; wat zouden mijn kinderen smullen als ze hier waren.

Vandaag delen ze sigaretten en tabak uit aan de soldaten en in de namiddag krijgen we nieuw ondergoed. ’s Avonds zijn we uitgenodigd voor de algemene repetitie van een benefietconcert ten voordele van de gewonde Belgische en Franse soldaten. Het belooft een zeer mooie voorstelling te worden. Om half elf gaan we slapen maar ik kan de ogen niet sluiten omdat ik voortdurend geplaagd word door ratten en jeuk. Bovendien krioelt het stro van de luizen. Daarom besluit ik om de rest van de nacht in de weide, onder de open hemel, door te brengen …