Beveren Bezet

E.H. De la Croix, 23 januari 1917

Nu heeft ook de gemeente Vrasene een geldboete opgelegd gekregen van de Duitsers. Meer zelfs, de gemeente heeft er twee gekregen. Maar liefst 6.500 mark omdat niet alle opgeëiste jonge mannen zich hebben aangemeld – en naar men vermoed gevlucht zijn. De tweede boete bedraagt 4.000 mark, opgelegd omdat de telefoondraden op het grondgebied van Vrasene zijn weggehaald. Het gerucht loopt echter dat de Duitsers ze zelf hebben doorgesneden: daar zouden ooggetuigen van zijn. Hoe meer sabotagedaden ze in de schoenen van de gewone burger kunnen schuiven, hoe meer huiszoekingen ze kunnen doen en hoe meer geldboetes ze kunnen opleggen. Daar zit een plan achter, wat denkt u daarvan?
Ondertussen maken ze het de gewone burger bijna onmogelijk nog te communiceren met de buitenwereld: wie een briefkaart wil versturen, mag er niet meer dan 10 regels op schrijven. Een brief mag hoogstens vier blaadjes bevatten, op elk blad mogen niet meer dan 10 regels geschreven staan. Een dringende brief moet in telegramstijl opgesteld zijn. Brieven met dubbele omslagen zijn verboden evenals dicht gekleefde omslagen. Wie deze richtlijnen overtreedt, mag geen brieven meer versturen noch ontvangen. Maar wees gerust waarde lezer, mijn informatie komt niet tot bij mij in geschreven vorm. Hoe dat verloopt, kan ik u echter nog niet vertellen. Later misschien, als die Duitsers eindelijk verslagen zullen zijn en ons dierbaar vaderland weer vrij!

Cécile, 16 januari 1917

Mijn beste zus,

wat kan ik je vertellen nu er weer een nieuw jaar aangebroken is? Vanuit de grond van mijn hart wens ik je het allerbeste. En ons ook, al zie ik niet meteen veel beterschap in onze situatie. De Duitsers zijn hier nog steeds heer en meester. Ze nemen ons nog steeds alles af: ons voedsel, onze kleren, onze wollen dekens, noem maar op. En nu hebben ze hun klauwen ook nog uitgeworpen naar onze mannen. Soms ben ik zo bang voor Remi; gelukkig heeft hij werk. Maar evengoed is het kop in kas of we gaan eraan. En anders vriezen we wel dood. Ik denk dat we de strengste winter in jaren meemaken. Elke nacht vriest het vele graden en ook overdag komt de temperatuur amper boven nul uit. Papa is oude papieren aan het opstoken zodat we het toch maar een beetje warm krijgen in huis. Mama hoest zich de longen uit het lijf; ze is fel vermagerd de laatste tijd, ik hoop maar dat ze niet ziek wordt. Ik heb me ook niet zo best gevoeld de laatste weken, ik had zelfs geen puf om je te schrijven of om er met Remi op uit te trekken. Nee, Eléonore, we zitten op ons tandvlees, in meerdere opzichten. Hopelijk komt er snel beterschap.

Cécile

Gravin Maria, 8 januari 1917

Mijn lieve René

Ik heb net je brief van 5 januari ontvangen en haast me om je te vragen of je niet graag een briefje naar je ouders zou willen versturen, samen met je portret? Ik maak me sterk dat zij via dezelfde weg een antwoord zouden kunnen laten bezorgen. Ik kan je echter onmogelijk uitleggen welke weg die brieven zullen volgen. Tante Marie-Thérèse heeft me uitdrukkelijk gevraagd daarover discreet en voorzichtig te blijven.
Vooraleer ik je foto naar je mama en papa verstuur, wacht ik dus nog even op een briefje van jou. Let op dat je daarin niets schrijft dat de Moffen zou kunnen achterdochtig maken. Onderteken gewoon met René de Bergeyck en schrijf in de hoek van de eerste bladzijde ‘voor Kat’.
Ooohhh, ik ben zo gelukkig dat ik mag meewerken aan het welslagen hiervan!

Dank je wel voor de brief van sergeant Van Campenhout. Ik heb hem met veel interesse gelezen maar tegelijk heeft hij me intriest gemaakt! Het is verschrikkelijk te beseffen dat je het huis dat de herinneringen bewaart aan je familie, aan je kinderjaren en aan je jeugd, nooit meer zult terugzien.
Het is hier zeer druk, lieve René, en bovendien wil ik deze brief dringend verzenden. Ik stuur je duizend zoenen mee. Weet dat ik alles zal doen wat in mijn macht ligt om de gevolgen van deze vreselijke periode voor jou te verzachten.

Je liefhebbende tante,
Maria

Gravin Maria, 29 december 1916

Mijn lieve René,

Hartelijke dank voor je lieve brief en de heel geslaagde foto’s! Je doet me met beide foto’s een groot plezier! Het is heel lief van je dat je zo geïnteresseerd in onze familienieuwsjes. Ik beloof je dat ik je zoveel mogelijk zal proberen te schrijven om je op de hoogte te houden.
Het vervelende is dat ik nog steeds zo’n uitgebreide briefwisseling moet verzorgen. Een groot aantal van die correspondenten ken ik niet persoonlijk, niet via vrienden, niet via familie, maar ik kan het niet nalaten om hen af en toe enkele bemoedigende woorden te sturen. Die arme jonge mensen zitten gescheiden van hun familie en vrienden en krijgen vaak helemaal geen nieuws van hen. De Belgen zijn zonder twijfel het hardst te beklagen.

Ik mag je niet vergeten vertellen dat ik een klein briefje heb ontvangen van tante Marie-Thérèse met de aankondiging van de geboorte van haar vijfde kind, een vijfde zoon (op 29 november). De brief is niet gedateerd en is eergisteren aangekomen. Ze geeft geen enkel detail over de situatie daar, maar schrijft wel dat iedereen in uitstekende gezondheid verkeert. Als je een klein woordje met je laatste foto naar je lieve moeder en vader zou willen sturen, kan ik dat gemakkelijk proberen via tante M(arie) T(hérèse). Ze heeft me een uitstekende tip heeft gegeven … Maar misschien heb jij ondertussen ook een manier gevonden?

Het kleine kerstfeestje hier is goed verlopen. De sfeer was niet al te somber, ondanks het slechte weer. We hebben de middernachtmis met gezangen gevierd en waren ’s avonds met het hele gezin uitgenodigd voor het diner bij de generaal, de kleine François inbegrepen! Na de maaltijd deelde men speelgoed uit voor alle leeftijden. Je begrijpt dat de kinderen het heel erg naar hun zin hadden!

De generaal is werkelijk charmant. Hij doet er alles aan om sympathiek over te komen. Hij heeft ons al meerdere keren verrast met mooie concerten van soldaten die terug waren van het front. Die concerten vinden plaats in de hal van het kasteel, ze zijn echt leuk.
Ik ken die jongen waar je het over hebt in je brief heel goed. Is dat niet de zoon van Désiré Van Campenhout? Je zou me een groot plezier doen indien je hem nieuws zou willen vragen over de Verbrande Brug. Ik geloof dat alles vernietigd is! Immens treurig …

Om te eindigen stuur ik je mijn allerliefste wensen naar aanleiding van 1 januari, mijn lieve René! De laatste dagen van 1916 vliegen voorbij maar geven ons wat ruimte, misschien als voorbode van de vrede … Een goed teken voor 1917! Ik koester heel veel hoop! Duitsland wil zijn verzwakking niet toegeven, maar voor ons is het de zon die opkomt!

Ik omhels je met al mijn liefde, mijn lieve René.
Je toegewijde tante
Maria

E.H. De la Croix

Haasdonk en het omliggende beleefde een trieste Kerstdag.
Het is nu officieel: de Duitse regering heeft de gemeenten Doel en Kieldrecht verantwoordelijk gesteld voor het deserteren van vele dienstplichtige mannen. De meesten zijn naar Nederland kunnen ontkomen, zoals ik u al eerder berichtte. De twee gemeenten moeten elk een boete van 3000 mark betalen. Terwijl zij het geld bij elkaar brengen, word ik hier clandestien op de hoogte gebracht van het nieuws dat de burgemeester van Melsele, de heer Joseph ‘s Heeren, gisteren is aangehouden en gevangen gezet. De gemeente slaagde er niet in de door de Duitsers vereiste hoeveelheid aardappelen te leveren. Hoe lang moeten we dit erbarmelijke bestaan en deze waanzinnige bezetting met zijn allen nog verdragen en volhouden?

Gravin Maria, 17 december 1916

Lieve René

Duizend maal dank voor je lange brief van 1 december die me heel veel plezier heeft gedaan. Het is zondag vandaag, ik heb wat tijd voor mezelf en wil die gebruiken om een beetje met jou te praten.
Ons leven gaat hier de normale gang die je bekend is, zo nu en dan afgewisseld met een concert gespeeld door soldaten die terug zijn uit de loopgraven, een uitnodiging om bij de generaal op bezoek te komen en boodschappen doen in Poperinge. Dat is het zowat. Ik ga af en toe naar St-Omer met een van die heren die hier iedere week met de auto langskomen. Het is een mooie route, vooral in de omgeving van Cassel. Ik heb je toch al verteld dat Raymond, Joseph en Gérard nu schoollopen in St-Omer? Ze zijn er heel tevreden en lopen hoog op met hun leerkrachten die zeer vriendelijk zijn. Er zijn 374 leerlingen, onder wie slechts een dozijn Belgen. Ze hebben me geschreven dat hun vakantie begint op 30 december.

Heb ik je al verteld dat we de prins en de prinses of Teck (oom en tante van de P.v.W.) hier hebben ontvangen (1)? Ze waren heel charmant voor ons én voor de kinderen. De prinses ziet er jong uit en is erg mooi. Ze was net terug van een verblijf in Spanje waar ze enkele weken heeft doorgebracht bij haar nicht, de koningin (2).

schermafbeelding-2016-12-15-om-21-04-03

De prins en de de prinses van Teck bij een officieel bezoek in april 1914.

Wat denk je van de Franse overwinning? Dat is een goed antwoord op de Duitse rekening! De Engelsen hebben besloten stand te houden en de hele wereld geeft hen gelijk. Het zou ongelukkig zijn nu het toneel te verlaten na al die opofferingen. Bovendien zijn nog niet al hun troepen ter plaatse. Duitsland zal zich hoe dan ook moeten overgeven… daarover bestaat niet de minste twijfel (3).
Ik wist niet dat Georges Cornet in Parijs is? Zijn zijn vrouw en zijn kinderen bij hem? Bezorg me in je volgende brief hun adres, zodat ik Jeanne kan schrijven.

Onze gezondheid is – goddank – uitstekend, evenals onze gemoedsgesteldheid. De kleintjes zijn fel gegroeid en François is onherkenbaar!
Mijnheer Simons verblijft sedert twee maanden in Canteret (4) en is vrij tevreden. Hij wou naar het front vertrekken maar momenteel worden alle aanvragen geweigerd. Vermoedelijk zal hij pas in de lente kunnen gaan. Hij zit er in een speciaal peloton.

Tot ziens, mijn lieve René. Ik stuur je veel liefdevolle zoenen van mezelf, je oom en je neven en nichten in afwachting van je komst. Ik durf je in deze tijd van het jaar niet uit te nodigen, want het leven op het platteland is nu maar triest en eentonig.

Vele lieve groeten,
Je liefhebbende tante Maria

(1) prins Alexander of Teck (1874-1957), broer van koningin Mary van Engeland (1867-1953) en prinses Alice of Albany (1883-1881), dochter van de jongste zoon van koningin Victoria, prins Leopold of Albany, huwden in 1904. In de Eerste Wereldoorlog diende hij als hoofd van de Britse afvaardiging bij het Belgische leger.
(2) Victoria Eugenie (1887-1969), prinses van Battenberg, enige dochter van prinses Beatrice, jongste dochter van koningin Victoria van Engeland, huwde in 1906 met koning Alfons XIII van Spanje (1886-1941).
(3) gravin Maria verwijst hier ongetwijfeld naar het einde van de Slag om Verdun (15 december 1916)
(4) Normandië, Frankrijk

Auguste Van Leuvenhage

Auguste Van Leuvenhage werd geboren in Beveren op 30 augustus 1897. Zijn ouders zijn Edouard François Van Leuvenhage en Maria Ludovica Boon. Het gezin woonde in de Krabbenhoek in Beveren.

In het najaar van 1916 – Auguste was net negentien geworden, de Grote Oorlog en de Duitse bezetting van België duurden al twee jaar – begonnen de Duitsers werkloze jongeren en mannen op te roepen om voor hen te gaan werken. Ook Auguste werd opgeroepen. Ondanks het feit dat hij beweerde in dienst te zijn bij Frans Boon, fruitenier, werd hij op 30 november 1916 weggevoerd.

In haar standaardwerk De Groote Oorlog, Het koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog geeft Sophie De Schaepdrijver een indruk van hoe de treinreis moet verlopen zijn. “In onverwarmde veewagens, zonder water of sanitair, werden de dwangarbeiders weggevoerd. (…) Na drie dagen en nachten reizen kwamen de gedeporteerden aan in de zogeheten Verteilungsstellen: deels geëvacueerde krijgsgevangenenkampen in afgelegen streken in Noord- en Oost-Duitsland, zwaar bewaakt en omgeven door hoge barrières van prikkeldraad. Ze werden ondergebracht in onverwarmde barakken op strozakken. De eerste winter van de deportaties vroor het geregeld 20 graden. Per dag kregen de gevangenen een kwart kilo brood, een liter rapensoep en enige mokken koffiesurrogaat. Na verloop van tijd werden sommigen geselecteerd om te gaan werken. Al snel ondervonden deze mannen dat de arbeidsomstandigheden niet waren wat de collaborerende pers had voorgespiegeld. Ze waren ondervoed en slecht behuisd, hadden geen zeep, en werden dagelijks geconfronteerd met de Duitse schaarste en de harde discipline van de oorlogsindustrie.” (Sophie De Schaepdrijver, heruitgave 2013, p 243-244)

Auguste kwam terecht in het kamp van Güben bij Cottbus, tegen de Poolse grens. In dat kamp werden oorlogsmachines gebouwd en synthetische vezels vervaardigd. Auguste verbleef er drie maanden.

Daarna werd hij naar het kamp van Heilsberg overgeplaatst, waar hij zes weken bleef. Heilsberg ligt in het tegenwoordige Polen, dicht bij de Litouwse grens, en heet vandaag Lidzbark Warminski. Het kamp bevond zich in een bos ten oosten van de stad. De jongens en mannen die hier terechtkwamen, moesten een weg aanleggen naar de verderop gelegen stad Bartenstein (nu Bartoszyce). In het kamp woonden en werkten verschillende nationaliteiten samen, waaronder Russen, Roemenen, Britten, Fransen, Italianen en Belgen. Voor de dwangarbeiders die stierven in het kamp – waaronder 45 Belgen – werd enkele jaren geleden een monument opgericht op de plaats in het bos waar het voormalige kamp heeft gelegen.

Ook in het kamp van Regenheid/Ragenheid (?) werd Auguste gedwongen aan het werk gezet.

Gelukkig vergat zijn familie hem niet. Per maand stuurden ze hem een vooraf door de Duitsers samengesteld pakket van 25 frank; zulke pakketten bevatten o.a. worsten, paté, peperkoek, gelei, zeep, tabak. Daarnaast zonden ze hem een paar werkschoenen, een paar zondagse schoenen, werkkleren en zondagse kleren.

Veel soelaas brachten deze zendingen wellicht niet. Het leven was hard en het werk zwaar voor de dwangarbeiders. Ze werden niet of nauwelijks (0,30 pfennig per dag) betaald en kregen onvoldoende te eten. Toen Auguste en andere kampbewoners daarvoor in staking gingen, werd hij (volgens de documenten) gevangengezet in het kamp van Tilsit (nu Sovjetsk, Kaliningrad, Rusland) of, (volgens de foto) in Ragnit (nu Neman, Kaliningrad, Rusland). Voor zijn onkosten moest hij daar 67,68 Mark betalen.

Auguste Van Leuvenhage met andere Belgische burgerlijke gevangenen in het kamp van Ragnit, 12 juni 1917. Auguste is de man uiterst links.

Auguste Van Leuvenhage met andere Belgische burgerlijke gevangenen in het kamp van Ragnit, 12 juni 1917. Auguste is de man uiterst links. (privé-collectie Etienne Van den Hende)

Omdat er een storm van internationaal protest opstak om de deportaties en de gedwongen tewerkstellingen, begonnen de Duitsers vanaf de zomer van 1917 de gedeporteerden naar huis te laten terugkeren. Auguste keerde terug op 10 september 1917, na 10 maanden gedwongen arbeid in Duitsland. Hij kwam er relatief goed vanaf, wat zeker niet voor alle gedeporteerden opging. Van de naar schatting 60.000 weggevoerde Belgen, stierven er zo’n 1.316 in Duitsland. Veel anderen keerden ziek of kreupel terug. “Op de stations kwamen groepjes broodmagere mannen aan, schurftig en stinkend en met hun zwart uitgeslagen voeten in klompen. Ze waren gehuld in lompen waarop allerlei onheilspellende cijfers en kruisen waren gekalkt. Ze wankelden op hun gezwollen benen, afgestompt en schichtig tegelijk door de ondervoeding en mishandeling, naar getuigen meldden. (…) Van honderden jongemannen – bijna negenduizend gedeporteerden waren nog geen achttien jaar oud toen zij werden weggevoerd – was de gezondheid geknakt. Mannen van dertig kwamen als ziekelijke oudjes terug,” schrijft Sophie De Schaepdrijver in De Groote Oorlog, Het koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog. (p 248)

Na de oorlog, op 15 september 1919, werd Auguste opgeroepen door het Belgische leger om zijn dienstplicht te vervullen. Ondertussen was hij getrouwd met Agnes Marie Emma Audenaert. Het koppel woonde in de Krabbenhoek in Beveren, had één dochter, Maria, en Auguste werkte als landbouwersknecht. Tot 18 juni 1921 was hij milicien bij de Jagers te voet, o.a. in Doornik, Sint-Niklaas en Duisburg (Duitsland). Zijn gedrag en wijze van dienst waren, volgens zijn mobilisatieboekje, heel goed.

Auguste Van Leuvenhage als dienstplichtige

Auguste Van Leuvenhage als dienstplichtige (privé-collectie Etienne Van den Hende)

Ondertussen probeerde Auguste erkenning te krijgen als weggevoerde. In november 1920 werd hem 150 frank toegewezen door de Rechtbank voor Oorlogsschade. In juli 1921 werd hem nog eens 200 frank toegekend – verminderd met de eerder ontvangen 150 frank.

In juli 1922, juli 1923, juli 1925, juli 1933 en mei 1935 meldde hij zich aan voor de “monsteringen der getalsterkte” van het Belgische leger; bij die laatste monstering leverde hij zijn uniform definitief in.

Vijf jaar later vielen de Duitsers België opnieuw binnen. Weer werd Auguste door de Duitse bezetters weggevoerd naar Duitsland.

Ook na de Tweede Wereldoorlog bleef Auguste erkenning zoeken als weggevoerde tijdens de Eerste Wereldoorlog. In juli 1969 kreeg hij van het Bestuur voor Oorlogsslachtoffers nog de Kaart van Weggevoerde 1914-1918. “Samen met u verheug ik mij erover dat op die wijze Uw verdienste na zovele jaren wordt erkend,” liet de toenmalige minister van Volksgezondheid Nameche er bij vermelden. In 1971 kreeg hij een eenmalig pensioen voor burgerlijke oorlogsslachtoffers van 500 frank.

Auguste Van Leuvenhage met zijn vrouw en vijf kinderen bij zijn 50-jarige huwelijksjubileum

Auguste Van Leuvenhage met zijn vrouw en vijf kinderen bij zijn 50-jarige huwelijksjubileum (privé-collectie Etienne Van den Hende)

Op 6 juli 1980 stierf Auguste in Kallo, waar hij inwoonde bij zijn tweede dochter Zoé. Hij werd begraven in Beveren, waar hij het grootste deel van zijn leven gewoond had. Zijn vrouw Emma was hem al voorgegaan. Samen hadden ze 5 kinderen grootgebracht: Maria, Zoé, Roger, Henri en Paul. Van beroep was hij dokwerker in de haven van Antwerpen; om een centje bij te verdienen teelde hij aardbeien op een lap grond die nu in de wijk Levergem ligt. Na zijn pensioen ging hij als hulp werken bij een fruitenier; daarvoor moest hij om 2 uur ’s nachts opstaan om naar de veiling te gaan. Maar Auguste was niet alleen een harde werker. Hij  was ook een man die graag onder de mensen kwam en graag een pintje dronk; na het pintje teveel zong hij zijn lievelingslied “De valse liefde”. Hij was ook lid van de schutters met boog en pijl. Over zijn ervaringen tijdens de oorlog sprak hij niet of nauwelijks. Het is nu pas dat zijn kleinkinderen en nakomelingen dit verhaal te weten komen.

 

(Karen Dierickx)

Gravin Maria, 1 december 1916

Mijn lieve René,

Ik besef dat je lang op mijn antwoord hebt moeten wachten en wil me verontschuldigen dat ik je niet eerder heb geschreven! Je weet hoe mijn dagen gevuld zijn! Ze zijn veel te kort, als je het mij vraagt. En mijn correspondentie blijft heel omvangrijk!
Dank je wel voor alle nieuwtjes die je me hebt gestuurd. Je doet me daarmee een groot plezier.
Weet je al dat ik met Alix naar Lourdes ben geweest voor twaalf dagen? In oorlogstijd is het een lange en vermoeiende reis, maar ons verblijf daar heeft ons dat helemaal doen vergeten! Het weer was schitterend en een aantal dagen zelfs heet. De natuur zag er even frisgroen uit als in september. Ik heb veel troost en dankbaarheid gevonden in dat heilige oord, waar iedereen zo ingetogen en intensief bidt! Alle Belgische soldaten die daar vertoefden – en het waren er heel veel – maakten indruk met hun uniform en hun vroomheid. Het klopt wat ze zeggen: het zijn de besten die je daar aantreft.

Heb ik je al verteld dat we bezoek hebben gekregen van onze Koning? Hij heeft een volledige dag op de Lovie doorgebracht. Hij was ontzettend vriendelijk voor ons, interesseerde zich voor het leven hier, bedankte ons voor de gastvrijheid waarmee we hare majesteit de koningin hebben ontvangen en feliciteerde ons met onze moed. ‘Ik hoop’, zo voegde hij eraan toe, ‘dat u hier ook in de toekomst in alle veiligheid kunt verblijven’ en hij wenste ons en de kinderen alle geluk toe.
Toen hij het portret van je grootvader in het salon zag staan, sprak hij met zeer veel lof over hem en vertelde hij dat hij hem zeer goed had gekend.

Jij bent vast en zeker nog niet op de hoogte van het feit dat Raymond, Joseph en Gérard nu in het College van St-Bertin in St-Omer verblijven? Raymond doet de retorica en Joseph zit in de poësis. De school heeft veel leerlingen (375) en alle leerkrachten zijn zeer vriendelijk. Het instituut was gesloten sinds het begin van de oorlog, maar de bisschop heeft het in oktober opnieuw geopend. Van zodra ik hiervan op de hoogte was, heb ik hen ingeschreven. Versailles is ver en moeilijk bereikbaar als gevolg van alle problemen met de paspoorten. Ze voelen zich alle drie gelukkig in St-Bertin en hun leerkrachten zijn voorlopig zeer tevreden.
Bezorg je mij het adres van Benoit van zodra je dat te pakken krijgt? Ik zou hem graag uitnodigen om enkele dagen bij ons door te brengen.
Je oom en je neven en nichten laten me je groeten en ikzelf omhels je met al mijn liefde,

Tante Maria

Eerwaarde De la Croix, 28 november 1916

Het wegvoeren van jonge mannen blijft maar doorgaan. Officieel zegt de bezetter dat hij alleen werklozen wegbrengt om achter het front of in Duitsland te gaan werken, maar iedereen weet dat de lijn tussen werklozen en (tijdelijk) werkenden zeer dun is. Ook Kieldrecht ontsnapte de afgelopen weken niet aan de opeisingen van werklozen. Die werden naar Sint-Gillis getransporteerd om vandaar te vertrekken naar het Duitse front. Dat was teveel voor Kieldrecht! Een groot aantal jongelingen vertrok ’s nachts bij laag tij langs Doel en Ouden Doel via de Schelde en kwam – gelukkig! – in Holland aan. Ze vreesden noch het water, noch de kogel. In Nederland wilden ze het Belgisch leger vervoegen. Pas op maandagochtend ontdekten de Barbaren de vlucht. Uit Kieldrecht en Doel zijn alles samen wel 200 mannen gevlucht, zo vertelt men. Onmiddellijk moesten alle achtergebleven weerbare mannen voor het gemeentehuis verzamelen om naar Sint-Gillis te vertrekken. Een eerloze Duitse soldaat wandelde met een vriendelijke grijns op het gelaat langs de rijen: ‘Wees gerust, heb geen angst, ’t is alleen maar voor controle’. De bevolking van Kieldrecht was er getuige van hoe de jongens vertrokken, omringd door soldaten met geladen geweren. Voor zover ik heb vernomen, is nog niemand teruggekeerd.