Month: november 2018

Cécile, 26 november 1918

We zijn niet gaan kijken toen de eerste Belgische soldaten het dorp introkken. We zijn niet de straat opgegaan om de Brabançonne mee te brullen en te staan zwaaien met onze Belgische vlag, die zolang opgerold in een hoekje op zolder heeft gelegen onder een metersdikke laag stof, half opgevreten door de motten. We zijn thuis gebleven. We hebben de laatste vier jaar voor ons geestesoog zien verschijnen. We hebben ons afgevraagd waar het allemaal goed voor is geweest. We hebben ons afgevraagd of we ons tot de verliezers of tot de winnaars rekenden. We wisten het antwoord niet. Zelfs toen ze het huis binnendrongen, kwamen we niet uit onze zetel. We bleven zitten in de salon en hoorden ze tekeergaan in de winkel. Het was daar gewoon kapotslaan om kapot te slaan, want veel buit zullen ze er niet aangetroffen hebben. Toen ze de salon binnenkwamen en ons zagen zitten, keken ze ons aan alsof ze spoken zagen en gingen ervandoor. We hebben hen niet meer teruggezien.

Mama wil weg. Ze wil naar haar familie in Limburg. Kijken wat er van hen is geworden. Kijken of we daar iets kunnen vinden dat op rust lijkt. Ik wil naar Engeland. Naar Eléonore. Ik wil haar graf zien. Ik wil zien waar zij geleefd heeft. En gestorven is. Ik zal mama wel kunnen overtuigen. En anders ga ik alleen.

Remi, 19 november 1918

Het is voorbij. Vorige week is de wapenstilstand ingegaan, en wij zijn bevrijd. Zingend zijn de laatste Duitsers vertrokken – jawel, de meeste waren maar wat blij dat ze naar huis konden! – en zingend zijn de Belgen en de Britten en de Fransen en de Amerikanen en wie weet nog meer hier gepasseerd op weg naar Antwerpen. Wat een vreugdetaferelen! Wat een uitzinnig volksfeest! Maar ook: wat een woede. Alle opgekropte boosheid en frustratie barstte open als een etterbuil. Afrekeningen, plunderingen, het was niet schoon om te zien. Sommige huizen zijn zwaar toegetakeld, en sommige mensen zwaar aangepakt. En het gaat nog altijd door. De draad is ondertussen afgebroken, naar het schijnt. Die heeft het ook niet lang overleefd. We zijn vrij, ja, maar het voelt wat onwezenlijk aan eigenlijk.

Cécile heb ik nog niet teruggezien. Het lijkt wel of hun huis leeg staat. Zijn ze ervandoor? Of is het geplunderd en houden ze zich nu ergens stil? Ik weet dat er zijn die hen met een scheef oog bekijken. Omdat haar vader iets te goed met de Duitsers kon opschieten. Tenminste, dat wordt gezegd. Veel heeft het hem anders ook niet opgebracht. Hij ligt daar nu ook maar in zijn put. Ik ga er nog wel eens langs.

Maar eerst de familie opzoeken. Nu de binnengrenzen open zijn, kan het weer. Benieuwd hoe ik hen ga aantreffen. En ook wie ik nog ga aantreffen. Ik heb er wat schrik voor, eigenlijk.

 

Frans Struyf, 11 november 1918

Vandaag is de oorlog afgelopen. De Duitsers hebben de vrede ondertekend en trekken zich in wanorde terug. Binnen hun rangen maken de Duitse soldaten revolutie en ze komen in opstand tegen hun overheden. Eindelijk is de overwinning binnen. Ik krijg mijn verlof en vertrek zonder iemand te verwittigen richting huis. Ik ga langs bij mijn vader om te informeren of mijn vrouw en kinderen nog leven. Angstig trek ik aan de bel, en meteen komt mijn vader zelf de deur openen. Oh hemel, hij is niets veranderd, kloek en sterk staat hij daar voor mij. Met een brede glimlach werp ik mijn armen om hem. Met mijn vader ga ik daarna mijn zuster bezoeken. Zij bekijkt mij alsof ik Lazarus ben: verrezen uit het graf. Maar ik popel van ongeduld om mijn kinderen te zien. Rond vijf uur ’s avonds kom ik in het gezelschap van mijn vader thuis aan. Ik had hen zo graag verrast maar ze waren op de hoogte gesteld van mijn komst. Op de hoek van de straat zie ik eindelijk mijn lieve echtgenote, fel vermagerd, doch sterk en gezond, blozend als een kriek. Zij kan geen woord uitbrengen. Ik trek haar naar mij toe en geef haar vurige kussen. Mijn kinderen lijken mij niet meer te herkennen. Enkel de oudsten plengen een traan. Oh wat een heuglijke dag, dank God dat hij mij het geluk heeft geschonken hen allen, zonder uitzondering, terug te vinden? Nu zijn alle lijden, ontberingen en verdriet vergeten.

Bevrijding van Haasdonk op 15 november 1918. Belgische soldaten te paard met stalen helmen rijden het dorp van Haasdonk binnen ter hoogte van de kerk in de Keizerstraat. Collectie Gemeentearchief Beveren

Cécile, 5 november 1918

Burgemeester Lesseliers laat weten dat we niet mogen ingaan op opeisingen van de soldaten, tenzij we er een ontvangstbewijs voor krijgen. Weet hij dan niet hoe het er in de straten aan toegaat? Weet hij niet dat de soldaten hun spullen aan belachelijk lage prijzen verkopen aan ons? Weet hij niet dat andere soldaten gewoon nemen wat ze willen? Weet hij wel dat ook zijn eigen mensen dat doen? Alle fatsoen is weg. De opslagplaatsen van de Duitsers worden massaal geplunderd. Kolen, schoenen, dekens, maar ook munitie, het ligt zomaar voor het grijpen. Niemand schaamt zich. En niemand grijpt in. Zeker nu met al die vluchtelingen, die door het dorp trekken, is elk overzicht weg.

En wat te denken van die raid op de kazerne? Er waren mannen uit Stekene ondergebracht – weerbare mannen, die de Duitsers in hun aftocht meenamen. Toen hun vrouwen hoorden dat ze in de kazerne in Beveren zaten opgesloten, kwamen ze in stoet naar hier om hun mannen terug te halen. Ze kochten de wachters om, of smokkelden vrouwenkleren de kazerne in en vermomden hun mannen als vrouwen om hen buiten te krijgen.

Deze situatie is echt niet langer houdbaar.