Brieven WOI

Remi, 8 september 1914

Stan, ik denk dat ik begin te begrijpen waarom je per se tegen de Duitsers wilde gaan vechten. Ons Fien is hier, met haar kleintjes en haar schoonouders. Halsoverkop zijn ze weggevlucht uit Dendermonde; ze zijn heel dat eind te voet gekomen, met de twee kleinsten in een kruiwagen! De Duitsers staken er alle huizen in brand en vermoordden lukraak mannen, vrouwen, zelfs kinderen. Dat zegt ze, en ik geloof haar, ik moet maar naar hen kijken en de schrik in hun ogen zien. Ze willen de grens over, naar Nederland, en nog verder als het moet. Desnoods zwemmen ze naar Amerika, zeggen ze. Zo bang zijn ze. ‘Morgen zijn ze hier,’ zeggen ze steeds weer. En dan die blik in hun ogen. Met moeite hebben we hen kunnen overhalen om toch enkele dagen bij ons te blijven, om wat op hun positieven te komen. Maar gerust zijn ze niet. Misschien moeten we wel met hen mee, Stan? Hoe ik dat moet klaarspelen met moeke en vake weet ik wel niet. Wat denk jij? Wat moet ik doen? Als het echt zo erg is… Overal waar de Duitsers hun kop laten zien gaat het zo, naar ’t schijnt. Voorlopig hebben we er hier nog geen gezien. Zeppelins ook niet, maar na die aanval op Antwerpen zijn we er ook hier bang voor geworden. Belgische soldaten, die zien we hier wel. Veel zelfs. Overal zitten er. Zelfs in het kasteel! Meneer is er niet zo blij mee; ik kijk vooral uit of ik jou nergens zie. Ook bij gewone burgers zijn er ingekwartierd (zo noemen ze dat). En in ’t Geestelijk Hof in Beveren, daar zitten er zo’n kleine driehonderd. Meneer pastoor heb ik horen zeggen dat ze klagen omdat het er te klein is, en dat er niet genoeg stro is, en dat het niet vers is, dat stro. Voor de rest leggen ze loopgraven aan. Vooral langs de weg van Haasdonk naar Temse, van Beveren naar St-Niklaas, van Zillebeke naar Vrasene, van De Keet naar de Vliegenstal. Niet alleen soldaten, ook mannen uit het volk, die worden dan “opgeëist” door het leger. Als het moet breken ze zelfs huizen en boerderijen af. Ja, je hoort het goed. Ik heb het zelf gezien, in Nerenhoek en Klaverenaas, ik moest daar in de buurt zijn. De boerderij van Meersman, je weet wel, die is al afgebroken, en ook die van Heyndrickx. En van Domien Vijt. En nog zeker tien meer. Ook hier in Haasdonk. Allemaal met de grond gelijk gemaakt. Zelfs de boomgaarden moeten eraan geloven. En de struiken. En de gewassen op de velden. Ik hoef je niet uit te leggen dat de boeren daar niet blij mee zijn. En dan graven ze greppels, en leggen er rollen prikkeldraad voor. En vanaf de Vliegenstal tot aan de grens zetten ze alles onder water. Naar ’t schijnt doen ze dat voor de verdediging van Antwerpen. Hier, aan onze kant, is de fortengordel niet af; hier zit een groot gat. Als de Duitsers erin slagen om de Schelde over te steken, bij Temse bijvoorbeeld, of bij Dendermonde (daarom wordt daar zo hard gevochten), kunnen ze via dat grote gat van ons zo naar Antwerpen opmarcheren. En de koning en de koningin zitten daar. Ik heb dat ook allemaal maar van horen zeggen, hoor. Voor de rest begrijp ik er ook niet veel van. Maar als ik naar ons Fien kijk, en naar haar kleintjes, dan weet ik dat die kerels tegengehouden moeten worden. En dan kun jij vlug terug naar huis komen. Swa zou ergens achter Antwerpen zitten, zegt ons Fien. Onze Gust ook. En jij? Als jij daar ook ergens bent, kom je hen misschien wel tegen. Doe jullie best, Stan. Dat doe ik hier ook.

Cécile, 1 september 1914

Liefste zus,

ik begin bang te worden. Wat gebeurt er toch? Ik heb net een brief gekregen van Dorothée, een vriendin van op het pensionaat, en wat zij me schreef… Ze verblijft bij familie in een dorpje ergens tussen Sint-Truiden en Tongeren – nou ja, verbleef, want ze zijn gevlucht. Naar Nederland. Voor de Duitsers. Hoe die ginds tekeer gaan… Je houdt het niet voor mogelijk. Als ik Dorothée niet beter kende, zou ik denken dat ze zwaar aan het overdrijven was. Maar blijkbaar is het waar. Rond Luik, in Dinant, in heel Wallonië, ook in Leuven en Aarschot moet het zo erg geweest zijn. Enfin, overal waar de Duitsers opduiken. Zijn dat nou echt zulke onmensen? Niet dat hier alleen maar mooie dingen gebeuren hoor. Die andere vriendin van mij, Steffie, is zonder pardon het land uitgezet. Alleen maar omdat haar vader uit Oostenrijk komt. Eerst hebben heethoofden hun koffiehuis in Antwerpen kort en klein geslagen. Alsof dat wat helpt. Van Jozef heb ik niks meer gehoord. Hoe gaat het bij jullie? Wees blij dat je ver weg zit. Na die zeppelinaanval op Antwerpen hebben we het hier toch maar benauwd gekregen. Je zult er wel van gehoord hebben: in de nacht van 24 op 25 augustus is ’t Stad gebombardeerd. ’s Anderendaags zagen we de rookpluimen tot hier; er zijn huizen afgebrand en er zijn doden gevallen. Niemand mag na acht uur ’s avonds de straat nog op, van onze kant mag niemand meer de Schelde over, alles moet verduisterd zijn, ook de straatverlichting mag niet meer branden. Papa heeft de etalage van de winkel met planken dichtgetimmerd; het ziet er niet uit. Sindsdien hebben we geen zeppelin meer gezien. Vliegtuigen dan weer wel, en hun gebulder maakt me al net zo zenuwachtig. En dan al die soldaten die door het dorp trekken… Belgische, maar er zijn ook Engelsen bij. Ze trekken op naar Antwerpen. Soms hoor ik fluisteren dat er hier en daar in de streek Duitse verkenners worden gezien – ulanen, noemen ze die. Voor alle zekerheid heeft maman de portretten van de koning en de koningin maar uit de etalage gehaald. Niemand zag ze trouwens, met die planken ervoor. En van de burgemeester mogen we geen gas meer gebruiken in de keuken. Weet je, Eléonore, ik word daar allemaal heel zenuwachtig van. Als het aan mij lag, waren we hier weg. Ik wil niet wachten tot die Duitsers, waar zulke vreselijke dingen over worden verteld, hier zijn. We zouden niet de eersten zijn die ervandoor gingen. En ook niet de enigen. Zovelen pakken hun valiezen. Zelfs de graven van Cortewalle. Daar moeten we het dus niet voor laten. Maar papa wil er niet van horen. Hij laat de winkel niet achter, zegt hij, en dat is zijn goede recht, maar wat heb ik daar nou aan? Ik wil hier weg. Eléonore, wil jij me helpen? Kun jij een goed woordje voor me doen bij maman en papa? En bij je gravin? Dan kom ik naar je toe. Ik zal je voor eeuwig dankbaar zijn.

Je toegewijde en bange zusje,
Cécile

Remi, 25 augustus 1914

Stan, ik zit hier nu al zeker een half uur met je foto in mijn handen. De eerste dagen kon ik dat niet, ik was te boos op je, maar nu wil ik het begrijpen. Ik probeer het, ik doe mijn best, echt waar, maar het lukt me niet. Waarom ben je toch vertrokken? Je had gelijk: ze hadden ons land niet mogen binnenvallen. De koning had duidelijk nee gezegd. Maar om te vechten hebben we toch een leger? Waarom moest jij dan ook nog eens gaan? Je leek al net zo dronken als al die anderen. Je stond daar maar te lallen en te brallen en stoer te doen. Zat jij ook op deze oorlog te wachten? Ik niet. Dat mag je gerust weten. We hadden het toch goed? Wij twee, zij aan zij bloembollen planten, fruitbomen snoeien, wilgen knotten, waterpartijtjes aanleggen… Voor mij was dat genoeg. Voor jou dus niet. Nu zie ik dat. Stiekem wilde jij weg; zodra je kon ging je ervandoor. En mij liet je hier zomaar achter. Alleen. Wat moet ik zonder jou beginnen? En vake, met zijn lamme been, en moeke met haar halfblinde ogen? Je zult me wel niet geloven, maar in die korte tijd dat jij weg bent, zijn ze nog eens zoveel ouder en dunner geworden. Het lijkt wel of ze oplossen in de lucht. Als je niet vlug terugkomt, blijft er niks meer van hen over. Kom je vlug terug? Waar ben je? Zit je in het fort? Het zit er vol soldaten. Wat heb je al gezien en meegemaakt? Ik weet niet wat ik me moet voorstellen bij deze oorlog, en hoe jij in dat plaatje past, zie ik al helemaal niet. Ik zie alleen wat hier gebeurt. En hier is alles opeens anders. De mensen lopen er zenuwachtig bij, Stan. Opgejaagd. Overal zien ze spionnen. Je weet wel, Maurice, die altijd met zijn verrekijker zijn velden zit te bespieden opdat er niemand een biet zou uittrekken, die is opgepakt. Omdat hij spioneerde. Voor de Duitsers. Zogezegd. En daarnet hoorde ik vertellen dat er in het dorp een man is opgepakt omdat hij sigaretten uitdeelde aan de soldaten die hier voorbij trekken. Het zouden vergiftigde sigaretten geweest zijn! En toen ik vanochtend het boeket bij Borgelioen ging afgeven (mevrouw stond erop), zag ik dat sommige winkels leeg waren. En de kerk zat vol. Naar ’t schijnt wordt ook de kapel van Gaverland onder de voet gelopen. En de beeweg. Trouwens: het was Cécile die de bloemen aannam, en dat maakte me blij. Niet dat ze opeens vriendelijk was of zo, denk dat maar niet, maar voor een keer keek ze me niet aan of ik een vies beest was dat uit de riool kwam gekropen. Ze keek me gewoonweg niet aan. Net of ze hier niet was, maar ergens ver weg. Maar ze was nog altijd even mooi als anders. Tegen je foto durf ik zoiets wel te zeggen. Niet alles verandert. Maar goed, Stan, ik geef het op. Het wordt tijd dat ik ga slapen. Misschien begrijp ik je morgen. Misschien ook niet. Laat je snel iets weten? Of nog beter: kom vlug terug. Slaapwel, Stan, waar je ook bent. God sta je bij.

Cécile, 18 augustus 1914

Liefste Eléonore,

Moet je nu wat weten… Of heb je het al gehoord, daarginds in Proven? We zijn in oorlog. Kun je dat nu geloven? Het Duitse leger is ons land binnengevallen. Het heeft nog steeds te maken met de moord op die Oostenrijkse prins, ondertussen al meer dan een maand geleden. Wat dat met ons te maken heeft, begrijp ik nog altijd niet. Maar dat zal wel aan mij liggen. De laatste dagen was het hier heel onrustig. Voortdurend vertrokken groepjes mannen. Om de grens te bewaken, net als in 1870. Hun vrouwen en kinderen liepen met hen mee tot aan het station; je had er die huilden en krijsten, maar er waren er ook die stonden te zwaaien en hoera’en net of die mannen naar de Olympische Spelen vertrokken. “Een paar weken, hooguit,” werd er gezegd. Ook papa dacht dat het wel mee zou vallen, onze forten zijn zo sterk. Dat beweren ze allemaal, maar echt geloven doen ze het toch niet. Waarom blijft de sfeer anders zo gespannen? De vrouwen lopen erbij als kippen zonder kop. Winkel in winkel uit – maar ons lopen ze voorbij. Aan likeur hebben ze blijkbaar geen behoefte. En nu staat het dorp natuurlijk helemaal op zijn kop. Nog meer Belgische vlaggen hangen uit, nog meer mannen vertrekken, overal troepen mensen samen. En je moet de garde civique zien paraderen. Op dit moment wordt er gezongen – het raam staat open, de laatste dagen is het zo warm, er hangt onweer in de lucht, bij jullie ook? Het is iets over moordlustige en op buit beluste Pruisen die zich niet aan afspraken houden, en over dappere Belgen die de beschaving gaan verdedigen. Wat laat het volk zich toch gemakkelijk opzwepen… Hoewel, ook maman blijft niet achter: ze heeft de portretten van de koning en de koningin in de etalage geplaatst. Maar dat is allemaal het ergste niet. Het ergste is dat ik heb horen zeggen dat ook Jozef vertrokken is. In dat geval heb ik helemaal niks meer om naar uit te kijken. Ja, ik ben nog steeds boos op maman en papa omdat ik niet met Maud mee mocht. En ja, ik loop hier nog steeds hele dagen te bokken. Ik voel me hier zo opgesloten. Lach maar, zus, ik hoor je schateren tot hier, maar zeg nou zelf: het is toch niet eerlijk. Het enige wat mijn doodsaaie dagen enigszins doet oplichten zijn nou net mijn ontmoetingen met Jozef – als hij hier langsloopt, of als hij opduikt bij meester Piet. Ik ga erheen wanneer ik kan. De laatste keer hadden we het over Ensor en zijn doodshoofden en maskers; het was zo boeiend. En nu dit… Pff, wat een gedoe. Als het maar vlug voorbij is allemaal. Of wat denk jij? Weet jij meer? Hoe gaat het trouwens met de gravin? En met de kinderen? Maken ze het je niet te lastig? Hoe je het volhoudt… Het zou niks voor mij zijn. Toch ben ik jaloers op je. Jij hoeft dit tenminste allemaal niet te verdragen. Kon ik maar daar bij jou zijn. Schrijf je me vlug?

Voor altijd je toegenegen zusje,

Cécile