Beveren Bezet

Gravin Maria, 2 mei 1916

Mijn lieve René

Ik heb gisteren een brief van tante Phina ontvangen waarin ze ons de beste wensen van de hele familie overmaakt voor het paasfeest.

Ze voelt zich een beetje verongelukt omdat ik haar nog geen foto’s van de kinderen en de Lovie heb gestuurd. Ook in Folkestone keken de kinderen uit naar hun welverdiende vakantie. Tante Phina en oom Charles waren zeer benieuwd naar de resultaten van de examens en de proeven. Hoewel ze veel vooruitgang verwachten, vreest tante Phina dat ze toch niet zo goed zullen zijn als die van onze oudste jongens in Versailles.

De vastenbezinningen nemen er veel tijd in. De uitgeweken Belgen worden begeleid door abt Colle, de directeur van het college. Bidden is zo ongeveer het enige wat ze ginder kunnen doen, in deze trieste tijden. Veel bidden en hopen dat deze duistere krachten die Europa geselen, eindelijk een halt worden toegeroepen. Vertrouwen en alle harten hoog, dat is ginder  – gelukkig – de teneur.

Uit België geen nieuws, schrijft ze nog, maar dat mag niet verwonderen.

Hier gaat alles goed, ik schrijf je later nog uitgebreid, lieve René.

Alle kinderen groot en klein en je oom omhelzen je.

Ik stuur je zelf ook heel veel liefs,

Je tante Maria

Verveling in de loopgraven (1916)

Pentekening Frans Struyf. Getiteld: aux tranchées secteur tranquil., 1916. GAB, daboek Frans Struyf, f° 66

Pentekening Frans Struyf. Getiteld: aux tranchées, secteur tranquil, 1916.  Door de uitzichtloosheid van de loopgravenoorlog en het tijdelijk stilvallen van de vijandigheden nam de neerslachtigheid in de rangen van het Belgische leger toe. Soldaten leden massaal aan ‘le cafard’, een gevoel van neerslachtigheid en heimwee zoals meermaals beschreven door frontsoldaat Struyf. GAB, dagboek Frans Struyf, f° 66.

Daniël Frans Struyf, 25 april 1916

Er zijn nu al vier maanden van dit derde oorlogsjaar verstreken. Vier maanden waarin er niets bijzonder is gebeurd, niets dat het waard is om er in mijn dagboek een aantekening over te maken. Niets om me elke dag opnieuw rekenschap van te geven. Het leven is hier alleen nog maar eentonig en droevig. Een dagboek bijhouden in deze omstandigheden is helemaal overbodig. Ik neem dus afscheid, tijdelijk misschien, de tijd zal dat moeten uitwijzen.

 

gravin Maria, 24 april 1916

Mijn lieve René,

Ik ben zo blij dat je mijn fotootjes hebt ontvangen en dat ze je plezier doen. Bij een volgende gelegenheid probeer ik je er nog enkele te sturen. Het is inmiddels heel moeilijk geworden om aan fotografiemateriaal te geraken. Bovendien kan ik hier in huis niet ontwikkelen, noch afdrukken. Zodoende moet ik mijn fotoreeks waarmee ik 11 jaar geleden ben gestart, zo goed als stopzetten.

Dank je wel voor je brief, lieve René, en ook voor de nieuwtjes. Je schrijft dat je vertrek uit Auvours in de week van 8 april was gepland. Ik hoop maar dat je mijn brief nog ergens te velde ontvangt. Vergeet niet me te verwittigen wanneer je aan het front bent aangekomen. Ik zal zo gelukkig zijn je terug te zien, lieve René. Stel je voor dat het alweer drie jaar geleden is dat we elkaar voor het laatst zagen!

Overmorgen komen Joseph en Raymond thuis voor een vakantie van een tiental dagen. Wij verheugen ons daarop… en zij ook. Het was heel lastig om paspoorten te verkrijgen, het verkeer wordt hoe langer hoe moeilijker. Dankzij de vriendelijkheid van commandant van Tilt en generaal de Jonghe hebben we dan toch een speciale toelating ontvangen.

Wat kan ik vertellen over ons leven hier? Niet echt veel. Naar ons gevoel volgen de gebeurtenissen elkaar niet snel genoeg op om enige verandering in de toestand te kunnen brengen.

Het weer is prachtig, bijna heet. Dat ziet er dus goed uit voor de vakantie van de kinderen. Zo jammer dat dat nieuw leven in de natuur altijd weer gepaard gaat met de dood … Helaas domineert dat laatste het leven rondom ons. En de vooruitzichten zijn verre van geruststellend. Men heeft het over 4 tot 5 jaar oorlog!
Mijn lieve René, ik moet je snel weer verlaten, ik wil dat mijn brief vandaag nog kan vertrekken.
Je oom en neven en nichten zenden je alle liefs en ik voeg er een knuffel en een zoen aan toe.

Je tante Maria

Cécile, 18 april 1916

Eléonore,

wat ik nu weer heb meegemaakt. Stomverbaasd was ik. Remi, dat kleine, blonde ventje van Hof ter Saksen, die vroeger bloemen bij ons aan huis bracht, ken je die nog? Die werkt nu bij nonkel Henri in de bakkerij. Ik was er even langsgegaan, vragen hoe het daar gaat, en passant informeren naar neef Florent. Ik ben er iets meer dan een uur gebleven, ze hielden net middagpauze; kletsen met tante Virginie en onze nichtjes is af en toe plezant. Zo saai is het hier geworden, kun je nagaan. Maar het vreemdste gebeurde toen ik naar huis wilde gaan. Die Remi kwam plots achter me aan. Hij wenkte me, deed teken dat ik dichterbij moest komen – het was in de gang, we waren daar helemaal alleen. Ik vond het vreemd, maar ik dacht: wat kan me hier nu overkomen? Dus ik liep naar hem toe. “Wat is er?” vroeg ik hem, misschien niet al te beleefd, als ik er nu aan terugdenk. “Ik heb wat voor je,” zei hij. Bloemen, dacht ik stomweg, ook al zag ik er geen. Wat kon Remi anders voor me hebben? Toen hief hij zijn hemd een beetje op, ik keek vlug weg want ik dacht “wat krijgen we nu?” en toen haalde hij er een stapeltje brieven vanonder, het zat tussen de band van zijn broek. “Ik hoop dat je er blij mee bent,” zei hij. “Maar wees er voorzichtig mee. Zorg dat niemand ze ziet.” Toen lachte hij en ging weer naar achteren, naar de werkplaats. En ik stond daar, met dat pakketje in mijn handen. Een stapeltje brieven, bijeengebonden met een touwtje. En jouw handschrift op de enveloppes. En ons adres. Vlug heb ik ze tussen de rand van mijn rok gestoken, met mijn blouse erover, ik wist niet beter, en ben vlug naar huis gegaan. Gelukkig is het niet ver; anders had ik het niet gehaald, vrees ik. En hier liggen ze nu, jouw brieven. Ik moet ze nog lezen, maar eerst moest ik dit neerschrijven. Ik begrijp er niks van. Natuurlijk had ik al gehoord van routes en sluipwegen voor brieven van en naar het front, maar hoe wij zoiets moesten aanpakken, wisten we niet. En nu dit. Wat heeft Remi met jouw brieven te maken? Hoe komt hij eraan? De volgende keer dat ik hem zie, zal ik hem zeker op de vuurrooster leggen. Maar nu ga ik eerst je brieven lezen. Eindelijk!

Je zus Cécile, die nog steeds trilt van stomme verbazing en hoopvolle verwachting

De doorgangspoort in de elektrische draad te Prosperpolder

De elektrische draadversperring is in Prosperpolder een aantal keren verplaatst. Over één van die verplaatsingen, die van februari 1916, zijn we ingelicht dankzij de aantekeningen in het dagboek van E.H. Van Haelst, de pastoor van Prosperpolder. Op de foto verbroederen Duitse en Nederlandse grenswachters aan de streng bewaakte doorgangspoort, vermoedelijk in de Carolusstraat.

De elektrische draadversperring is in Prosperpolder een aantal keren verplaatst. Over één van die verplaatsingen, die van februari 1916, zijn we ingelicht dankzij de aantekeningen in het dagboek van E.H. Van Haelst, de pastoor van Prosperpolder. Op de foto verbroederen Duitse en Nederlandse grenswachters aan de streng bewaakte doorgangspoort, vermoedelijk in de Carolusstraat.

E.H. De la Croix, 12 april 1916

In mijn vorig bericht beloofde ik u, waarde lezer, meer informatie over de situatie in de parochie Prosperpolder, alwaar den elektrieken draad zuidwaarts is verplaatst. Welnu, confrater Van Haelst is erin geslaagd me enig nieuws te doen toekomen. Nieuw-Arenberg, de helft van Rapenburg, heel den Ouden Doel en het gedeelte van Prosperpolder aan de overkant van de Carolusstraat zijn van pastoor en parochie afgescheiden. Het andere deel van Prosperpolder is bij Holland gevoegd. De inwoners van de Hollandse zijde moesten de verplaatsing van de draad bekostigen. De hele toestand veroorzaakt veel twist en tweedracht onder de nochtans zeer vredelievende bevolking, schrijft pastoor Van Haelst. De inwoners langs de Hollandse kant waren gered, maar de mensen van Rapenburg en in de Carolusstraat die op minder dan 100 meter van den draad wonen, moesten hun huizen ontruimen. Vooraleer de afscheiding definitief werd, heeft mijn confrater het bisdom verwittigd. Alle parochianen die buiten de draadversperring wonen, zijn tijdelijk toegevoegd aan de parochies van Doel en Kieldrecht.
Hoewel van België afgescheiden, blijft het uitgesperde Prosperpolder onderworpen aan alle Duitse verordeningen en opeisingen. De Duitsers hebben de heer Rotthier, de beheerder van de hertog, en koster Feremans aangesteld als dienstdoende burgemeester en secretaris. Zij moeten alle Duitse verordeningen uitvoeren. Levensmiddelen geraken vanuit Holland Prosperpolder nog steeds niet binnen, tenzij het gesmokkeld wordt. Aangezien de grens zeer streng bewaakt wordt, kan dit alleen maar gebeuren met veel last, veel moeite en veel gevaar…

Remi, 4 april 1916

Ik heb je net weer een brief geschreven, Stan. Hopelijk komt deze aan. Op mijn vorige heb ik geen antwoord gekregen. Misschien is het daar nog te vroeg voor, sommige brieven doen er een paar maanden over. Ze moeten ook zo’n lange omweg maken. Ik geef ze nu soms ook door. Het is plezant werk, mensen gelukkig maken. Al geef ik ze meestal niet persoonlijk af; het is beter dat ze me niet zien. Zeker als ik de ontvanger in kwestie niet persoonlijk ken, schuif ik de brief gewoon onder de deur of zo, zonder dat iemand het merkt. Hoe minder mensen ervan weten, hoe beter. Soms, als ik zo’n brief in mijn handen houd, denk ik wel eens: wat zou erin staan? Goed nieuws? Slecht nieuws? Zijn er tranen op gedrupt? In welke omstandigheden is deze geschreven? Het zijn klompjes goud die ik dan in handen heb, Stan. Nooit, maar dan ook nooit, mogen de moffen te weten komen hoe we het doen. En nooit mogen ze die brieven in handen krijgen. Wat er dan allemaal kan gebeuren… ik heb al van alles gehoord. Staan er beledigingen aan de Duitsers in – en die schrijf je vlug hoor, zelfs zonder het te weten – dan krijgt de ontvanger of de schrijver een boete van 500 Mark. En dikwijls vliegt die nog de gevangenis in ook. Maar daarvoor moeten er niet eens slechte dingen over de moffen in staan. Een gesmokkelde brief ontvangen of schrijven volstaat al.

Straks ga ik naar een voetbalwedstrijd van het Rode Kruis kijken. De opbrengst is voor de Belgische krijgsgevangenen in Duitsland. We kennen er heel wat, dus ik geef graag een beetje van het weinige dat ik heb om hen te helpen. Ook wielerwedstrijden organiseert het Rode Kruis soms om geld in te zamelen voor de krijgsgevangenen; spijtig dat wij in Beveren geen velodroom hebben. Met dat geld worden dan kleren gekocht en opgestuurd naar de Belgen in de kampen. Het zou ook van pas komen voor de soldaten die geïnterneerd zijn in Nederland, zoals onze Gust. Alleen al in dat kamp van Harderwijk zitten er meer dan honderd uit Beveren en omgeving. Maar benefietacties voor de geïnterneerden laten de pinhelmen niet toe. Wat er dan opgestuurd wordt, kunnen ze niet controleren natuurlijk, terwijl ze dat met spullen voor Duitsland wel kunnen. En controle, daar draait alles om bij hen. Gelukkig zit jij in vrij België, Stan. Laat ons hopen dat wij dat binnenkort ook kunnen zeggen.

Portret van René de Bergeyck

René de Bergeyck La Haye 29-04_1915_Archief de Bergeyck col BdB -561-009
Archief de Bergeyck, deelarchief de Bergeyck, nr. 531

De 28ste april 1915 verblijft René de Bergeyck in Den Haag, klaar om naar Engeland te vertrekken waar hij zich bij het Belgisch leger zal inlijven. Voor zijn afreis laat hij zich nog portretteren. Mogelijk bezorgt hij afdrukken van deze foto aan zijn tantes Phina en Maria, waarvoor gravin Maria hem in haar brief van 28 maart 1916 merkbaar tevreden bedankt.

 

gravin Maria, 28 maart 1916

Mijn lieve René

Ik was al enige tijd van plan je te bedanken voor je laatste brief, maar zo overbelast door mijn drukke briefwisseling, dat ik er tot vandaag niet toe ben gekomen.
Bij deze een welgemeende dank om ons op de hoogte te houden van alles wat jezelf aangaat, want alles wat jij doet, interesseert ons in hoge mate. Tante Phina heeft me je foto bezorgd – ben je erin geslaagd er een naar je lieve ouders te sturen? Wat zal hen dat een vreugde bezorgen! Ik wacht vol ongeduld op de dag dat je eindelijk bij ons op bezoek zult kunnen komen, mijn lieve René!

Ik begrijp dat het kampleven je niet meer kan begeesteren. Alle soldaten denken er zo over: ze verkiezen zonder uitzondering het front boven de opleiding.
Jean Ullens, je moet hem kennen, is aan de beterhand en heel tevreden sinds hij hier in de streek is gelegerd. In een paar maanden tijd is hij 12 kg bijgekomen!
Dankzij Louise d’Ursel en de prins de Ligne die hier aan het front verblijft, heb ik nieuws ontvangen uit bezet België. Mijn broer Benoit, die pastoor is in Etterbeek, is door de Moffen vier maanden lang gevangen gezet. De hele familie maakt het goed, maar is de despotische bezetting meer dan moe aan het worden.

Raymond en Joseph hebben me verteld van de brief die je hen hebt geschreven. Ze zijn er heel gelukkig mee. Je weet dat we hen enkele weken geleden hebben bezocht in Parijs? Ze waren vrij goed geluimd, niettegenstaande het strenge regime waaraan ze op school onderworpen zijn. De studies lopen vlot, ik ben werkelijk heel tevreden. Ik hoop dat ze in de paasvakantie – vanaf de 19de april – kunnen naar huis komen. Ik stuur je nog twee kleine fotootjes die ik vorig jaar heb genomen. Ik hoop dat ik je ermee een plezier doe.

Ik moet hier ophouden met schrijven, lieve René, maar niet voor ik je omhelsd heb en je alle liefs van ons allen heb overgemaakt,

tante Maria