Beveren Bezet

Cécile, 12 oktober 1915

Dag Eléonore,

wat een dag. Ik weet niet hoe het komt, maar het gaat me niet af. Niet dat het zo druk is. Niet drukker dan anders, bedoel ik. Ik denk dat ik het me te veel begin aan te trekken. Daarnet heb ik nieuw ondergoed moeten bestellen voor het weeshuis. Ze zijn nog steeds met zo’n 25-tal, de weesmeisjes in Beveren, tussen 4 en 21 jaar. Eerst stond ik er niet bij stil, maar toen dacht ik: bedelen om ondergoed, is dat nou niet erg? En toen vroeg ik me af hoe het moest zijn om in tijden als deze het zonder ouders of familie te moeten stellen. Zonder vader zijn er heel wat, maar zonder moeder? Zo helemaal zonder iemand? Weet je, nogal wat arme of verlaten kinderen worden tegenwoordig door de gemeenten naar Nederland gestuurd – in totaal zou het al om enkele duizenden kinderen gaan. Kinderrechter Dierckxsens, van de afdeling voor Hulp aan Oorlogswezen en Bescherming voor Kinderen van het Komiteit, is daar faliekant tegen: “Kinderen mogen niet uit hun gezin of hun omgeving verwijderd worden!” Ik denk dat hij gelijk heeft. Wat moeten die kinderen immers in Nederland, waar ze niemand kennen en waar alles zo anders is? Daar staat natuurlijk wel tegenover dat die arme doetjes dan hier op een degelijke manier opgevangen en ondersteund worden. Volgens onze tabellen zijn er in Beveren alleen al zo’n 2000 kinderen jonger dan 16 jaar wiens ouders werkloos zijn, die dus best wel wat ondersteuning kunnen gebruiken. En dan gaat het nog niet eens over wezen! Er wordt al veel voor hen gedaan, maar misschien moeten we nog meer doen. Misschien moet IK meer doen dan enkel tabellen invullen en brieven sorteren. Ik weet waar jij voor zou kiezen, maar zou het ook iets voor mij zijn, denk je?

Veel liefs van je zus, die hunkert naar je goede raad.

Daniël Frans Struyf, 5 oktober 1915

Oktober 1915. Onze aalmoezenier, een professor uit het Sint-Jans Berchmanscollege van Antwerpen komt ons tijdens onze werkzaamheden een bezoek brengen en nodigt ons allen uit om ’s avonds de lofviering te komen bijwonen in de kerk van Wulveringem. Wij beloven  te komen en trekken weldra met enkele makkers ter kerk in het aangename gezelschap van onze aalmoezenier. Mijnheer Steynen, want zo heet hij, is waarlijk een lieftallige en goede man die ons zoveel als hij kan troost en ons steeds aanmoedigt. Hij probeert ons steeds het laatste oorlogsnieuws te brengen.  Ja, onze aalmoezenier is een ware en oprechte vriend, bij wie ik steeds terecht kan om mijn hart te luchten, zodat ik met een onbezwaard gemoed mijn werk kan hervatten.

Daniël Frans Struyf, 29 september 1915

Tot spijt van luitenant Waucquez en mijn makkers verlaat ik vandaag de 13de compagnie om de 23ste compagnie in Wulveringem te vervoegen. Het regent pijpenstelen en ik ben dan ook gans doorweekt als ik toekom in Wulveringem. De nieuw opgerichte compagnie is ondergebracht in een hoeve juist achter de kerk van Vinkem. Bij mijn aankomst ga ik bij de brigandier der guiden plaats zoeken. Deze jongen is afkomstig uit Herentals en al vlug kunnen we het goed met elkaar vinden. Onze compagnie heeft de opdracht om de belangrijke wegen in goede staat te houden en de materiaalwagens die aan de tramstatie toekomen, te lossen. Sergeanten en korporaals werken in een goede verstandhouding en helpen elkaar waar nodig. Ik denk dat het hier nog beter zal gaan als gedacht! Op dit ogenblik gaan we de grote baan van Veurne naar Ieper, kapot gereden door het drukke verkeer, opnieuw rijklaar maken. Het is ’s nachts bitterkou in de schuur. Daarom maken wij een eigen strohut waar we met zen getweeën in kunnen liggen.

67 Permissionnaires - Allerhande

Lossen van oorlogsmaterieel. Foto genomen door de Lokerse brancardier en fotograaf Gustaaf Drossens (collectie Herman Magherman)

Gravin Maria, 23 september 1915

Mijn lieve René,

Ik ben blij dat je nog steeds gezond en wel bent! Van harte gefeliciteerd met je bevordering tot korporaal: je zult Auvours nu wel heel snel verlaten, niet?

Met ons gaat ook alles goed, hoewel de Engelse soldaten ons leven beheersen. Voor Raymond en Joseph is dat helemaal niet erg. Zij beleven de tijd van hun leven. Zij laten geen gelegenheid voorbijgaan om de soldaten op te zoeken, trekken af en toe een kaki-uniform aan en gaan dan aan de haal met een paard van de officieren. Ze kunnen allebei makkelijk doorgaan voor een jonge officier. We ontvangen geregeld nieuws uit Folkestone. De kinderen zijn er wat ziek geweest, maar niets ernstig. De schoolvakantie is er net afgelopen. De oudsten volgen nog steeds de lessen aan het klein katholiek Belgisch college. De vier andere scholieren zijn extern op het pensionaat van St. Mary. Met het weer is het nog goed gekomen. Ze genieten van een mooie nazomer wat bij tante Phina vooral heimwee naar huis teweegbrengt. Veel Belgen vertrekken uit Folkestone naar Frankrijk. Ze zijn bang voor een tweede winter aan de natte Engelse kust. Tante Phina ontvangt blijkbaar geregeld post uit België. In Beveren is alles relatief rustig, afgezien van de Duitse bezetting uiteraard. Tante Maria en oom Georges Vilain XIIII verblijven in Bazel en zijn er heel tevreden.

Duizend zoenen van ons allen,

Tante Maria

E.H. De la Croix, 21 september 1915

SC_2015_24_003_Prosperhoeve

De Prosperhoeve was eigendom van Engelbert-Marie uit het adellijk huis van Arenberg (1872-1949). Van oorsprong een Duits geslacht werden de Arenbergs tijdens de Eerste Wereldoorlog verdacht van vijandige sympathieën. Na de oorlog werd Prosperpolder daarom door de Belgische staat onder sekwester geplaatst (collectie Guido Hullebroeck).

Ik liet u in mijn bericht van vorige maand weten dat hier geruchten de ronde deden over een afsluitingsdraad die de Duitsers te Kieldrecht langs de Nederlandse grens hebben geplaatst en over Kieldrechtenaren die uit hun huizen werden gezet. Wel, ik vernam onlangs dat al in de maand juli een gelijkaardige draad in Prosperpolder zou geïnstalleerd zijn. De Duitsers hebben die draad onder elektriciteit gezet. Dat is iets waarmee de meeste van onze mensen nog niet vertrouwd zijn, en daarom levensgevaarlijk! Het fijne weet ik er nog niet van, maar desondanks vrees ik dat het daar aan de grens niet goed zal aflopen …

Remi, 14 september 1915

Ons vader is gestorven, Stan. Het was te verwachten, ik had je verwittigd. Gisteren was de begrafenis. Het was een mooie dienst, en nagenoeg iedereen was er. Behalve jij. Nu is alles achter de rug en zit ik hier weer alleen. Met ons moeder. Ze houdt zich sterk; soms denk ik dat ze het niet echt beseft. Maar ik, ik weet me geen raad. Onze spaarcenten zijn op; va zijn pensioen is weggevallen en van jouw militievergoeding zien we niks. Omer en Henriëtte hebben ons wat toegestopt, maar veel hebben die ook niet op overschot – dat beweren ze toch. Ver zullen wij met dat beetje in elk geval niet springen. En over ons in huis nemen of een job voor me heeft niemand van hen het gehad. Ik moet dus mijn plan maar zien te trekken. “We hebben het allemaal moeilijk, Remi.” Het zal wel. Alleen Marie van onze Gust zei dat ze zou uitkijken voor me. Lief van haar. Maar ik kan er beter niet op zitten wachten, dat weet ik wel. Ik zal zelf een oplossing moeten zien te vinden. Alleen: er is nergens nog werk. En om als werkloze beschouwd te worden ben ik niet oud genoeg. Daar moet je zestien jaar voor zijn én moet je kunnen bewijzen dat je in juni en juli 1914 minstens veertien dagen hebt gewerkt. Anders had ik kunnen gaan klussen voor de gemeente of voor het Komiteit, wegenis- en straatwerken, van die dingen, dan had ik drie frank per week gekregen. Misschien niet in geld, ze betalen liefst in natura (met spullen of eten, wil dat zeggen) maar het zou tenminste iets geweest zijn. Of ik had een cursus of een technische leergang kunnen gaan volgen, die richt het Komiteit vooral voor jonge werklozen in: tekenlessen, elementaire meetkunde, werktuigkunde, boekhouden, talen. Stel je voor, Stan: ik weer naar school! Maar ik ben dus niet oud genoeg. Volgend jaar misschien. Maar dat duurt nog even. En hoe komen we die tijd door? Ja Stan, nu mijn hoofd er allerminst naar staat moet ik me met zulke zaken bezighouden. En niemand die me iets komt zeggen, ik moet het allemaal zelf uitzoeken. Al moet ik eerlijk zijn: meneer pastoor helpt me waar hij kan. Maar veel kan ook hij niet doen. Dat hij maar vlug een post als knecht of manusje-van-alles voor me vindt. Alles neem ik aan, zolang het maar betaald is én niet voor de moffen. Anders zal het het Armenbureel worden. Of de goot.

Cécile, 7 september 1915

Dag zus,

wat zeg je hiervan: ik werk nog steeds voor het Komiteit. Al een hele maand lang. En elke dag leer ik iets nieuws. Wat een organisatie is me dat toch, zeg. Ik heb er nu iets meer zicht op. Wij hier in Beveren horen bij de vesting Antwerpen en ook wat het Komiteit betreft zijn wij daarom een onderdeel van het Komiteit van Antwerpen. Dat zetelt in de Nationale Bank; algemeen voorzitter is Louis Franck. Voorzitter van de afdeling Hulp is de heer Carlier, die zit in de Graanmarkt. Ik zie hier nogal wat brieven aan en van die twee passeren! De voorzitters van het Komiteit in Beveren zijn vrederechter Dirix en burgemeester Pijpers; notaris Lesseliers is ondervoorzitter en griffier Lampers is de secretaris. Dan zijn er nog een aantal leden, alleen maar belangrijke mannen (wat had je anders verwacht?): de voorzitter van het Weldadigheidsbureel, de heer Van Acker; onderpastoor Nyssens (die is ook schatbewaarder), enzovoort. De zittingen van ons Komiteit vinden plaats op de griffie. Ondertussen zijn meer dan 3000 personen volledig afhankelijk en een paar tientallen gedeeltelijk afhankelijk van steun van ons Komiteit. Geld krijgen ze niet, ze krijgen alleen bons (voor voeding, voor kleding,…); het zijn de wijkmeesters die die bons verdelen. Wat niet meer in de winkels te verkrijgen is, wordt verkocht in het gemeentemagazijn. Zoals ik in mijn vorige brief heb verteld vul ik dus vooral de lijsten in van wie wat ontvangt en wat er in- en uitgaat. Van tijd tot tijd begint het me wel eens te duizelen met al die cijfers – je kunt je niet voorstellen wat voor bedragen ik soms onder ogen krijg! Handenvol geld kost die hulp. En dan is het dikwijls nog niet genoeg. Maar het is wel nodig. Heel erg nodig. En dan moet ik weer een brief naar Antwerpen schrijven. Al een geluk dat ik geen brieven naar de Duitsers moet schrijven: sinds kort moet elke schriftelijke communicatie met de Duitsers in het Duits gebeuren. En ze hebben een lijst gepubliceerd met alle dagbladen die nog toegelaten zijn (het gaat om Het Volk, en de Volksvriend, en de Vlaamsche Post enzo) – dat is handig, dan weten wij op welke kranten we zeker niet moeten rekenen voor betrouwbare informatie! Heb jij toevallig nog nieuws?

Je liefhebbende zus,

Cécile

Bekendmaking toegelaten dagbladen

E.H. De la Croix, 31 augustus 1915

Onrustwekkend nieuws bereikt ons via omwegen vanuit de parochie Kieldrecht, nu gelegen in het Etappegebied. Daar is de bezetter een draad aan het plaatsen, langs de landsgrens met Nederland. De bewoners van de huizen die dicht bij de grens aanleunen, moeten allen ruimen: de woningen worden gebruikt als paardenstallen. Deuren en vensterluiken verdwijnen om te worden gebruikt als brandhout, ook planken vloeren en zolderbalken worden om dezelfde reden weggehaald.

Remi, 24 augustus 1915

Ik heb slecht nieuws, Stan. Het gaat niet goed met vader. Ik weet niet wat er scheelt, maar elke dag is hij wat minder. Hij eet niet meer, drinkt niet meer, ligt maar naar lucht te happen en voor zich uit te staren. En we kunnen niks doen. Hij reageert niet eens op ons. Ook meneer doktoor wist niet veel te zeggen. Voor medicijnen hebben we sowieso geen geld meer; vader zijn ouderdomspensioen is al een tijdje niet meer uitbetaald, we zitten bijna door onze spaarcenten. Ik heb er geen goed oog in, Stan. Ik denk dat ik maar best de familie bijeenroep, zodat ze hem nog een laatste keer kunnen zien. Wie dat wil natuurlijk. En wie kan, nu het dorp doormidden is gesneden. Maar blijkbaar kun je een pasje aanvragen en daarmee kun je dan naar de andere kant. Hopelijk duurt dat niet te lang, zo’n pasje aanvragen. Als jij kunt, kom je dan ook? Maar wacht niet te lang. Kom zo snel je kunt. Het zal nodig zijn, vrees ik.

Daniël Frans Struyf, 15 augustus 1915

Vandaag is het Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaart. Onze aalmoezenier zal vandaag een mis opdragen in de schuur van de compagnie te Leisele. Wij gaan er met enkele makkers naartoe. Tot mijn verbazing blijkt de arme priester geen misdienaar te hebben om de viering te assisteren. Niemand durft zich van deze godsvruchtige taak te kwijten dus meld ik mij aan als vrijwilliger. De priester is zeer tevreden en de mis kan starten. Mijn vrienden lachen mij wel wat uit maar ik ben gewoonweg blij dat ik een medemens gelukkig heb kunnen maken.