Beveren Bezet

Jozef Simons, 2 mei 1915

Oorlog in zijn volle betekenis

De beschieting van Poperinge is sinds enige dagen stilgevallen. De Duitsers sparen hun granaten zeker op voor de frontlinie … Gisteren en eergisteren keerden heel wat Poperingenaars terug naar hun huizen. Vandaag, zondag, leest een priester om 8 uur de mis in de Sint-Bertinuskerk en ik besluit er ook heen te gaan. Ik geniet van mijn wandeling, het is mooi weer, maar nog een beetje koel, zo vroeg in de ochtend.

In de getroffen stad zie ik daken zonder pannen en gebroken ruiten. In de Pottestraat kom ik langs een granaatput van zo’n 3 meter diep en met een omtrek van wel 30 stappen. De Grote Markt heeft weinig geleden, hoewel van een van de grotere huizen alleen nog een muur recht staat waartegen een bordje hangt: ‘vaccinatiebureel’. In de Sint-Bertenskerk zijn de pas herstelde ramen nog intact. Ze waren op 12 maart, bij een aanval met een Taube, aan diggelen gegooid.
Na de mis loop ik verder rond in de stad. Ze heeft minder schade opgelopen dan de Engelse pers liet uitschijnen. Vooral de Veurnestraat en de stationsbuurt zijn zwaar getroffen. Misschien moet het ergste nog komen?

Aan een pas heropende herberg troepen wat jonge mannen samen om een pint te pakken. Ze zijn tussen de 18 en de 25. Ze moeten zich voor 15 mei aanmelden en kijken ernstig. Ze zijn zich hier, zo dicht bij de frontlijn, maar al te goed bewust van de volle betekenis van dat vreselijke woord: ‘oorlog’.

 

Naar J. Simons, Schetsen en verhalen van een kanonnier, Excelsior Brugge, 1926. Deel I Brieven uit de oasis, p. 28-30

Daniël Frans Struyf, 29 en 30 april 1915

Vandaag maken wij ons gereed om terug naar het front te vertrekken. Dit nieuws vervult ons met vreugde! Wij worden verdeeld in groepjes van 12 mannen, 1 korporaal en 1 onderofficier. Eens ons boeltje gereed, gaan wij een laatsten maal naar de stad om er aankoopen te doen. Wij keren terug om nog eens goed te slapen opdat wij morgenvroeg fris en kloek zijn voor het vertrek. Ik drink een goed glas wijn en slaap weldra zonder iets te merken van de ratten en luizen .

30 april 1915 – Om 5 uur ’s morgens worden wij op appel geroepen. We krijgen brood en vlees en ontvangen onze soldij. Daarna trekken we naar het station waar wij groep per groep op de trein worden gebracht. Rond 10 uur vertrekken we richting Adinkerke waar iedere groep verdere bevelen krijgt om zijne vaste bestemming te vervoegen. Vaarwel Frankrijk, dat ons steeds goed behandeld heeft! Niettegenstaande alle gevaren en miserie in ons geliefde en kapotgeschoten  België, verlangen wij allen om onze vaderlandse grond opnieuw te mogen betreden. Vaarwel Frankrijk, God bescherme u!

Struyf_071

La Belgique Martyre. Ingekleurde tekening van Daniël Frans Struyf. België wordt hierbij voorgesteld als een bloedende leeuw met vaandel in Belgische driekleur. Op de achtergrond branden de Ieperse lakenhallen. Rechtboven de Duitse adelaar (met Rijkskroon), die geduldig een nieuwe aanval afwacht.

 

JOZEF SIMONS, 28 april 1915

Poperinge onder vuur

Oorlogsnieuws verwacht u van ons, uit Vrij België, van achter het front, uit de hoppestreek die nu lijkt op een reusachtig legerkamp waarin verschillende huids- en uniformkleuren in elkaar overlopen? Steeds moeilijker wordt het: mijn laatste brief, vol met interessante wetenswaardigheden over plaatsnamen, militairen en legeroversten is door de censuur verticaal geklasseerd. Ik onderneem nu een nieuwe poging, in de hoop dat dit bericht u wel bereikt.

Het belangrijkste nieuws van de week is voor ons een kwestie van leven en dood: sedert vorige vrijdag slaagt Frits erin om ons onder vuur te nemen. Dagelijks komen, met Duitse stiptheid, vier Oostenrijkse marmieten van kaliber 305 voorbij om drie kilometer verder neer te vallen, met een gekmakend gebulder te ontploffen en Poperinge te ‘vermoorden’. Gisteren en vandaag zijn er geen mensenlevens te betreuren. De stad is verlaten en in de vernielde Veurnestraat is de hop van de zolders op straat geslingerd.

Helemaal anders ging het er zondag aan toe. Toen viel de eerste bom op het gasthuis dat nog niet was ontruimd. De granaat scalpeerde een ziekenzuster, terwijl de vrouw die ze te drinken gaf, helemaal werd verpletterd. In diezelfde zaal vonden nog drie andere zusters en zes zieke burgers de dood…

 

Naar J. Simons, Schetsen en verhalen van een kanonnier, Excelsior Brugge, 1926. Deel I Brieven uit de oasis, p. 25-26

E.H. De la Croix, 22 april 1915

Er is weer schokkend nieuws uit het klooster. Zestien gewapende Duitse soldaten houden er een grote huiszoeking. Ze kammen heel het gesticht uit: zelfs de kapel en het altaar blijven niet gespaard! Vier soldaten, met de bajonet op het geweer, houden aan alle uitgangen de wacht. Ze vergezellen zelfs de zusters die de rang van de schoolkinderen naar het dorp begeleiden.

Zuster Tarsilla deelt me mee dat het Belgische leger het belangrijkste slachtoffer van deze huiszoeking is geworden. Alle instrumenten die de Belgische soldaten bij hun vlucht in het krijgshospitaal hebben achtergelaten – ze zijn gemerkt met het opschrift Service de santé de l’Armée – zijn door de Duitsers aangeslagen. Daar is een koffer bij met gesteriliseerde pansementen en veel materiaal van de brancardiers. Het ergste is misschien wel dat de Duitsers hebben aangekondigd dat ze nog zullen terugkeren. De zusters blijven angstig en ongerust achter … Houdt dit alles ooit nog op?

Daniël Frans Struyf, 13 april 1915

Eindelijk, het is 13 april 1915 en wij ontvangen het bevel om te verhuizen naar Ardres waar het depot van de Genie gevestigd is. Met zeventien collega’s vertrekken wij, zeer tevreden om weldra onze oude strijdmakkers terug te vinden. Na een vier uur durende mars komen wij in Ardres toe en krijgen een slaapplaats toegewezen bij een boer. Hier brengen we enkele dagen door. Voor het eerst sinds 1914 kunnen we een goed bad nemen, wat ons zeer goed doet. Vandaag worden wij bevolen om gedurende 24 uur de wacht te houden. Het is eerder een tijdverdrijf want ik geloof niet dat er hier enig gevaar bestaat. Als iemand de brug passeert moeten wij de papieren van de voorbijgangers controleren. Er zouden immers spionnen in de buurt rondlopen. ’s Nachts trekken wij met twee man tegelijk de wacht op. Alles verloopt naar wens. Rond 2 uur komt men ons aflossen. We gaan een lekker glas wijn drinken en trekken in de stad rond. In de verte horen we het onophoudelijke gedonder van de kanonnen (…)

Omdat ik geen tabak meer heb, koop ik hier een pakje en betaal het één frank tachtig voor 50 gram! Als ik hier nog lang moet blijven, zal ik gauw geruïneerd zijn! Ik verveel mij hier te pletter. Ik krijg zelfs goesting om terug te keren naar het front. Daar valt tenminste iets te beleven.

Gelukkig, ik krijg opnieuw een kaartje van Mr. Van Haaren. Enkele regeltjes maar, iedereen verkeert in goede gezondheid in Antwerpen! Ik schrijf ogenblikkelijk een lange brief terug waarin ik hem vraag of hij mij ook post van mijn echtgenote kan bezorgen, dat zou mij zeer gelukkig maken. Ik hoor opnieuw gedonder, de gevechten aan de IJzer zijn opnieuw begonnen. Wanneer zal deze vervloekte oorlog nu eindigen? Men zegt ons dat de Duitsers honger lijden. Als dat waar is, hoe zit het dan met vrouw en kinderen? Wij hebben genoeg om te eten. Ik werp hier vaak het eten voor de varkens; wat zouden mijn kinderen smullen als ze hier waren.

Vandaag delen ze sigaretten en tabak uit aan de soldaten en in de namiddag krijgen we nieuw ondergoed. ’s Avonds zijn we uitgenodigd voor de algemene repetitie van een benefietconcert ten voordele van de gewonde Belgische en Franse soldaten. Het belooft een zeer mooie voorstelling te worden. Om half elf gaan we slapen maar ik kan de ogen niet sluiten omdat ik voortdurend geplaagd word door ratten en jeuk. Bovendien krioelt het stro van de luizen. Daarom besluit ik om de rest van de nacht in de weide, onder de open hemel, door te brengen …

Remi, 7 april 1915

Ik heb Marie van onze Gust gezien, Stan! Heel even maar. Het gebeurde nogal stommelings; ik botste bijna tegen haar op in de Kloosterstraat, net toen ik van bij Cécile kwam. Marie werkt nu bij bakker Borgelioen op de Markt in Beveren. Hard werk, zei ze, maar wel plezant. Ik vroeg haar wanneer ze eens bij moeke en vake langskwam, maar daar antwoordde ze niet op. En toen ik haar vroeg of ze iets wist van onze Gust kon ze ook al niks zeggen. ‘Als ik iets weet, laat ik het je horen,’ beloofde ze, en toen ging ze vlug naar de bakkerij.

Hoe ze daar nog brood kunnen bakken is me trouwens een raadsel. De Duitsers nemen alles voor zich. Zo goed als na elke mis wordt er voorgelezen hoeveel kilo graan er die keer ingeleverd moet worden. En anders laten ze het uitbellen of afroepen. Overal hoor ik de boeren zeggen dat ze bijna niks meer in voorraad hebben; ze zijn niet eens zeker of ze wel kúnnen leveren. Nochtans… In Melsele (ook dat heb ik van horen zeggen) hebben de boeren onlangs meer dan 25 000 kg aardappelen aan Louis Franck kunnen leveren – dat is die schepen van Antwerpen, die zich nu bezig houdt met het Komiteit. Ik weet niet wat ik daar van moet geloven.

De laatste dagen is het hier nogal stormachtig weer. Bij jou ook? Er zijn telefoondraden afgeknakt. Dat zal wel weer een hoop gedoe geven, we zullen ze wel weer “gesaboteerd” hebben.

Fabrice zit in een lastige situatie, Stan. Zijn naam staat op de lijst met mannen die om de twee weken afgeroepen wordt op het dorpsplein. De Duitsers doen dat om te zien of ze er nog zijn en niet naar Nederland zijn vertrokken om zo naar het leger achter de IJzer te kunnen – iets waar Fabrice het ook wel eens over heeft. Het is nu zover gekomen dat mannen tussen 18 en 45 jaar geen pas meer krijgen om naar Nederland te gaan. Niet dat dat hen tegenhoudt; dan steken ze te voet de grens over, er zijn er genoeg die de achterafwegen kennen. Maar nu met dat Meldeamt is alles weer anders geworden. Als je naam afgeroepen wordt en je bent er niet, dan wordt je vader opgepakt, zeggen ze. En in jouw plaats naar Duitsland of Rusland gestuurd. Welke zoon doet zijn vader zoiets aan? Zoals je ziet, Stan: het is niet simpel om hier weg te geraken. Straks moet ik nog blij zijn dat jij al weg bent.

Daniël Frans Struyf, 3 april 1915

Het is 6 uur ’s ochtends. Wij vertrekken vanuit Wulpen naar Peuplinges in Frankrijk waar wij rond 3 uur in de namiddag toekomen. Onze expeditie bestaat uit verschillende regimenten en aangezien het depot in Peuplinges huisvesting biedt aan het 10e Linieregiment weet het commando niet goed wat met ons aan te vangen. In afwachting worden wij ondergebracht in een hoeve waar wij naar hartenlust stro vinden om onze brits op te maken. Eens ons bed in gereedheid gebracht, trek ik met een kameraad het dorp in. Sinds vanmorgen hebben wij niets meer gegeten of gedronken. Vermits wij nog bijna een kilo bitter op zak hebben, kloppen wij aan bij een huis met de vraag ons wat koffie uit te schenken. Een oude grijze vrouw komt openen en voordat wij nog maar één enkel woord uitgesproken hebben, begint de bejaarde bewoonster te jammeren en te klagen. Beleefd geef ik onze wens te kennen en bied haar het pak koffie aan. Maar wat wij toen te horen kregen, hou je niet voorwaar niet voor mogelijk! De vrouw zegt dat ze niets te maken wil hebben met Belgische soldaten die te lui en laf zijn om hun eigen vaderland te verdedigen en die hier grote sier houden terwijl Franse landgenoten in België sneuvelen!

De voordeur vlamt vlak voor onze gezichten dicht. Gans uit ons lood geslagen, blijven wij nog even perplex op haar eigendom talmen. De oude vrouw komt opnieuw buiten en bedreigt ons met haar hond. Wij willen geen ruzie met haar en besluiten uiteindelijk om toch maar de wijk te nemen. We kloppen wat verder aan bij een huis en worden daar zeer hartelijk ontvangen door een brave vrouw die ons binnen laat en ons rantsoen koffie klaarmaakt. Wij vertellen haar ons wedervaren bij de oude vrouw. Onze gastvrouw lacht ons toe en zegt niet verwonderd te zijn door de reactie van haar buurvrouw. De oude vrouw was immers een verbitterde oude weduwe die voor de oorlog samenleefde met haar enige zoon. Bij het begin van de oorlog was haar jongen naar België gestuurd en was daar in de buurt van Charleroi gesneuveld. Door deze treurige gebeurtenis was de oude vrouw zeer diep gebroken en had ze een afkeer ontwikkeld voor Belgische soldaten. Tot zover het verhaal van de oude beklagenswaardige weduwe die moederziel alleen achterbleef in haar huisje in Peuplinges…

Goed verwarmd door de dampende koffie gaan wij, na onze gastvrouw veelvuldig bedankt te hebben, een wandeling maken in het dorp en keren rond half 10 terug naar onze hoeve waar wij op het frisse stro in slaap vielen en doorsnurkten tot de volgende morgen.