Beveren Bezet

Cécile, 17 november 1914

Liefste zus,

kom maar vlug naar huis, alles is hier rustig. Tenminste, dat beweert onze nieuwe burgemeester, de heer Pypers. Jawel, Richard Pypers, de gemeentesecretaris. Het stond op een affiche, en als het op een affiche staat, is het waar! Zo gaat dat hier tegenwoordig. Ze hangen die aan het gemeentehuis en op de pomp op de Markt; sommige zijn niet alleen in het Nederlands maar ook in het Duits. Wat niet meer mag, wat er moet en wat de straffen zijn als we “wanorde” veroorzaken, het staat er allemaal op. Handig hoor. Een voorbeeld: na negen uur ’s avonds mag je de straat niet meer op; drankhuizen en herbergen moeten dan gesloten zijn. Ze mogen daar geen sterke dranken meer schenken (in het Duits staat er dat wijn en bier toegelaten zijn, maar in de Nederlandse tekst is dat weggelaten – toeval?). Wie gestolen goederen bezit, wanorde verwekt of niet meteen gehoorzaamt aan een bevel zal aan de Duitse krijgsoverheid overgeleverd worden. En door de wanordelijkheid van een of meerdere personen zal de gehele gemeente moeten lijden. Wat zeg je daarvan? Post wordt niet meer rondgedeeld. Hoeveel brieven heb je al verstuurd? Hoeveel heb je er van mij ontvangen? Deze zal je waarschijnlijk ook niet bereiken. Ik schrijf hem toch, het lucht op. En straks verscheur of verbrand ik hem, ik kan maar beter oppassen. Voor je het weet krijgt een van hen deze brief in handen, en dat zou een ramp zijn. Kritiek kunnen ze niet verdragen. Ze hebben ook een veel scherper gehoor dan wij. Onlangs hing er een affiche waarin ze beweerden dat er om vijf uur ’s ochtends in het noorden, het westen en het zuiden van de gemeente (lach niet!) geweerschoten gehoord waren – niemand van ons die ook maar iets had gehoord – en daaruit leidden ze af dat er nog steeds vuurwapens in omloop waren. Die moesten natuurlijk meteen ingeleverd worden. In die affiche werd trouwens opgeroepen om desnoods je buren te verklikken; onze “plicht”, zo verwoordden ze het. Wat ik je ook nog wil vertellen: ik ga niet meer naar school. De scholen zijn terug open, maar maman en papa zagen het niet zitten om me daar tussen de soldaten achter te laten; die zijn daar ingekwartierd. Naar de schilderlessen bij meester Staut mag ik ook niet meer. Niet zo erg, zonder Jozef is er niet veel aan. Wat nog? O ja, we hebben onze telefoon moeten afgeven, dat heb je misschien al gemerkt. En de winkel is zo goed als leeg. De Duitsers zijn met het meeste gaan lopen, zonder ervoor te betalen natuurlijk, al laten sommigen voor de vorm een bonnetje achter. Maar meestal “eisen” ze het gewoon op. En geven we het niet, dan nemen ze het gewoon. Zoals in het kasteel Bosdam, nog niet zo lang geleden. Het moet daar een ware strooptocht geweest zijn; de schade zou oplopen tot 14 000 frank! Dat arme dametje Van Male de Ghorain heeft het al zwaar te verduren gekregen. Nee, ze schamen zich voor niets, die pinhelmen. Nieuwe waar voor de winkel komt niet binnen. Alles ligt plat, ook de haven. Door de blokkade van de Britten. Ze blokkeren Duitsland, en daar horen wij nu bij. Straf, hè! Het is al zover gekomen dat veel gezinnen honger lijden. Daarom is er een liefdadigheidscomité opgericht, dat zorgt voor voedselbedeling. Elvire, de vriendin van maman, is een van de oprichters. Die heeft weeral iets omhanden. En ik? Ik zit hier met mijn vingers te draaien. En brieven te vullen met mijn verwarde gedachten. Kun jij het wat stellen met de kinderen? Wat zou ik ervoor geven om je terug te zien. Schrijf je vlug?

Je zusje Cécile

Remi, 10 november 1914

Stan, waarom laat je niks van je horen? Zit jij ook aan de IJzer? Ik wist niet eens waar dat lag, ik heb het moeten opzoeken in een oude atlas. Geloof je wel dat we het gebulder van de kanonnen daar soms tot hier horen? Vooral in de namiddag; dan moet het daar erg zijn. En staat het daar echt allemaal onder water? Hier ook nog steeds, sommige stukken. Of ben jij ook naar Nederland gevlucht? Ik heb horen zeggen dat er daar zo’n 30 000 Belgische soldaten in kampen opgesloten werden. Door de Nederlanders dan nog wel! Daar begrijp ik niks van. Of ben je gevangengenomen door de Duitsers en naar kampen in Duitsland gevoerd? In dat geval had je evengoed hier kunnen blijven. Hier is het al Duitsland wat de klok slaat. Overal zitten ze. In Haasdonk alleen al een paar honderd. In het Fort, maar ook in leegstaande huizen (van mensen die gevlucht zijn en niet zijn teruggekomen) en zelfs in huizen die nog bewoond zijn. Ook in het klooster en in de pastorij verblijven er; ze hebben er alles overhoop gehaald, meneer pastoor kon er niet om lachen. En in het kasteel zitten er ook. Meneer heb ik al even niet meer gezien. De laatste keer vroeg hij me om een kist te begraven in het park, niemand mocht het zien of weten; ik heb ze begraven, die kist, onder de beuk achter de oranjerie waar we zo graag onze boterhammen opaten. Hij was heel boos, meneer, weet je nog, omdat er zoveel Belgische soldaten bij hem ingekwartierd werden. Hij zou het nu eens moeten zien… De Duitsers zijn hier nu heer en meester. Op elk gebied. En ze zijn niet gemakkelijk, Stan. Nee, ze hebben geen huizen in brand gestoken en zomaar lukraak mensen gedood, het is niet gegaan zoals Fien heeft verteld. Maar ze doen moeilijk voor het minste. Het uur bijvoorbeeld. Dat is aangepast. Alle klokken moesten een uur vooruit gezet worden. We leven nu volgens de Duitse tijd. Dat willen ze toch. Natuurlijk doen wij dat niet. In stilte blijven we ons eigen uur gebruiken. In stilte, jawel. Als ze horen dat je het Belgische uur gebruikt, krijg je een boete. Kun je dat nu geloven? Je wordt voor alles gestraft tegenwoordig. Als je weigert Duits geld te gebruiken – dat moet nu – krijg je “ernstige moeilijkheden”. Als je met een zaklamp schijnt, denken ze dat je lichtsignalen geeft – aan wie of wat, weet ik niet. Ook dan word je gestraft “volgens de krijgswetten”. Duiven mag je ook al niet meer hebben; ze mogen niet meer uitvliegen en iedereen die er bezit, moet ze aangeven. Anders: gestraft volgens de krijgswetten. Wapens in huis hebben: zware straffen. (Al kan ik dat nog begrijpen.) Ook voor wie hout, bouwmateriaal of gereedschap meeneemt uit de loopgraven die de Belgen nog hebben aangelegd, zijn ze niet mals. Wie het vrijwillig terugbrengt binnen de opgelegde termijn, zal gespaard worden; dat beloven ze. Maar daarna mogen ze zomaar je huis doorzoeken, en o wee als ze iets vinden. En wie ze betrappen aan de loopgraven, wordt gewoon doodgeschoten. Dat staat allemaal op de affiches die ze aan het gemeentehuis ophangen. Ook wat we hen moeten komen brengen, staat daarop. Want ze hebben van alles nodig! Hooi, stro, noem maar op. En ze moeien zich met alles. Zo mogen boeren hun graan en aardappelen niet meer verkopen zonder toestemming. En hun vee mag geen roggemeel meer eten. Ja, Stan, zover gaat het. Niet moeilijk dat we niet meer op ons gemak zijn. Soms durf ik amper de deur uit. Boris is weggelopen, hoe of wat weet ik niet, hij lag altijd aan moeke haar voeten, met zijn snuit op haar tenen, en opeens was hij weg. Ik ben hem gaan zoeken, de hele streek heb ik afgelopen – tenminste, dat was ik van plan. Ik werd weggejaagd toen ik bijna aan Melsele-polder was (die staat nog steeds onder water, je weet wel, om de fortengordel rond Antwerpen dicht te maken) en sindsdien durf ik niet goed meer. Maar morgen ga ik naar de Borgelioens, een herfstboeket wegbrengen. Niemand heeft het me gevraagd, maar ik doe het toch maar. Dan weet ik of ze er nog zijn, en of alles goed gaat met Cécile. Laat jij me iets weten van jou?

E.H. De la Croix, 3 november 1914

Vandaag heropenen de zusters de school in Haasdonk. De lessen werden al op 1 augustus gedwongen opgeschort, omdat men de leslokalen opeiste om militairen te logeren te leggen: Belgen tot 8 oktober en vanaf 23 oktober Duitsers. De Duitse bezetter heeft moeder Tarsilla nu opdracht gegeven die schorsing op te heffen. Zij laat me weten dat de lessen voor vier klassen gewoon in de schoollokalen zullen hervatten. Twee andere klassen krijgen elders in het klooster een onderkomen. De twee laagste bewaarklassen blijven voorlopig dicht. De vijand eist immers dat vier schoollokalen te hunner beschikking blijven. Al met al een goede zaak, nu ook het grootste gedeelte van onze gevluchte parochianen teruggekeerd is.

Daniël Frans Struyf, 1 november 1914

Allerheiligen! Wat een droevige feestdag hier aan het front. Onze vrienden, de telegrafisten, zijn bezig om een loopgracht te verbinden met het algemeen hoofdkwartier en gebruiken bomen – de weinige die er nog resten – als telefoonpalen. Ik kijk hen na terwijl ze moedig doorwerken zonder acht te geven aan het moordend staal dat rond hun hoofden vliegt. Met een man of zeven werken zij naarstig door, lachend bij het dreigende gevaar. Plots valt een houwitser met een scherp gefluit in hun midden en ontploft. Boem! De rol telefoniedraad wordt met enorme kracht weggeslingerd. Het exploderende schroot snijdt als een scherp mes de hand af van de telegrafist die de telefoondraad vasthield: zijn hand hangt nog met een velletje vast aan zijn arm. Heel kalm zie ik de gewonde telegrafist met de andere hand een mes uit zijn zak halen. Hij trekt het lemmet met de tanden uit en volbrengt zelf de verminking. De hand valt, hij aanschouwt een ogenblik zijn bloedende wonde en valt neer naast zijn drie dode makkers. Ik snel hem toe maar ben te laat. Ook hij is overleden, ongetwijfeld bezweken aan het vele bloedverlies. Wenend keer ik terug naar onze hoeve en vertel mijn makkers wat ik gezien heb.

 

Daniël Frans Struyf, 26 oktober 1914

26 oktober 1914. Wij staan nog steeds aan de IJzer en verbieden de Duitsers de doortocht ten spijt van alle oorlogsslachtoffers, want de IJzer mag en zal niet prijsgegeven worden! Het waterpeil van de rivier blijft stijgen en vormt in het landschap een uitgestrekt meer waar hier en daar afgebroken boomstammen of puin van stukgeschoten boerderijen ronddrijven. Lijken worden met het water voortgestuwd en schijnen ‘rond te zwemmen’. De IJzer vormt aldus een onneembare barrière tussen ons en de Duitsers.

Aangezien de Franse troepen de hele sector van Pervijze tot Diksmuide op zich genomen hebben, krijgen wij de opdracht om ons voortaan bezig te houden met de sector van Nieuwpoort. Alle nachten trekken wij naar de eerste linies om de loopgrachten te versterken, er nieuwe schuiloorden in te brengen voor onze moedige piotjes die er nu dag en nacht verblijven met de voeten in het water.

Daniël Frans Struyf, 17 oktober 1914

Aan de IJzer

Het is nu op den Yzer, dit klein rivierken, dat wij voortaan strijden zullen tot der dood om het laatste strookje Belgischen grond aan den duitschen klauw te ontrukken en trachten hem te beletten verder te gaan

De slag bij Keiem

De dag breekt eindelijk aan en wij trekken op naar het dorp Keiem, gelegen aan de overzijde van de IJzer. Langs de oever van de rivier graven onze Linietroepen duchtig verder aan de loopgraven. Via een geïmproviseerde pontonbrug (passerelle) kunnen wij naar de overkant. In het dorp moeten wij twee bloemmolens opblazen – dan kunnen de Duitsers deze alvast niet meer gebruiken als observatiepost. Ik word aangeduid om met enkele mannen de kerk van Keiem te vullen met droog brandhout en – in geval van uiterste nood – de kerktoren met explosieven te laten ontploffen. Nooit zal ik vergeten hoe de eerbiedwaardige grijze pastoor schreide als een kind toen wij de toren inklommen. Een brigade cyclisten geeft dekking aan onze actie: zij rijden rond op de fiets en proberen de bewegingen van de vijand nauwgezet op te volgen. Rond zes uur komt een wielrijder, gans bezweet, melden dat de Duits in aantocht is. Wij moeten ons spoeden en zo vlug mogelijk aftrekken. Ik klim opnieuw in de toren en gooi petroleum op het hout. Een tweede wielrijder waarschuwt dat de Duitsers op twintig minuten genaderd zijn. In paniek vergeten mijn makkers dat ik nog steeds boven in de toren zit en steken ze de kerk in brand. Een verstikkende rook ontwikkelt zich. Ik laat mij voorzichtig naar beneden glijden, en weet mij ternauwernood aan het gevaar te onttrekken. Wat een geluk! In looppas trekken we ons terug naar de noodbrug en verschuilen ons achter de dijk. Enkele anderen blijven achter om de loopbrug te doen springen maar zijn helaas te laat. De Duitsers zijn reeds tot aan de IJzer opgetrokken en schieten met scherp. Hun machinegeweren maaien onze strijdmakkers weg als graan onder de zijs. Het wordt een ware slachtpartij. De Duitsers willen tot elke prijs de IJzer oversteken en wij trachten hen dit te beletten. Kogels fluiten in het rond en onze geweerlopen staan roodgloeiend van het vuren. Enkele moedige soldaten offeren zich als martelaren op om de koorden van de pontonbrug door te snijden en weten zo de verbinding tussen de twee oevers te breken. De Duitsers zijn furieus en schieten onophoudelijk. Weldra stopt het vuurgeschut en trekt de vijand zich terug. Wij zijn overwinnaar maar deze slag heeft ons verschrikkelijk veel mensenlevens gekost. Van een hele compagnie blijft er nog juist één officier en soldaat ongedeerd over, alle anderen zijn dood of gewond. Maar het belangrijkste is dat de Duitsers de IJzer niet overgestoken zijn.