We worden nat, Stan. Het dak van ons huis is zo lek als een zeef. Niet te verwonderen ook, met dat slechte weer van de laatste tijd. Ik ben erop gekropen, op het dak, en ook Tist is komen kijken, maar volgens hem is er niet veel aan te doen. Een nieuw dak, dat was alles. En er zijn nog mankementen aan het licht gekomen. Maar voor al die reparaties hebben we het geld niet. En dat met de winter voor de deur. We moeten hier dus weg, Stan. Marie zei dat we voorlopig bij haar konden intrekken, maar daar wilde ons moe niks van weten. Wat is dat toch tussen die twee? Ik snap het niet. Maar goed, na veel vijven en zessen heeft Henriëtte haar goed hart getoond. Ons moe kan bij haar intrekken. Morgen help ik haar verhuizen. Ik mocht ook als ik wilde, per slot van rekening hebben ze plaats genoeg in die boerderij van hen, maar ik wil niet. Een paar maanden geleden zou ik nog gezegd hebben: waarom niet? Maar nu niet meer. Ze komt er wat laat mee aanzetten. Zeg nou zelf: dat zou toch geen doen geweest zijn.
Ze wonen daar zo ver, aan de andere kant van het dorp, over die fameuze grens met het Etappengebiet. En dat terwijl ik elke dag naar Beveren moet; ik wil mijn job niet verliezen. Nee, ik ga wel bij Marie wonen. Het is klein, haar huisje, maar gerieflijk. En dichter bij het werk. Dan moet ik niet met pasjes en controleposten enzo beginnen, veel moet ik daar allemaal niet van weten. Zodra je denkt: nu heb ik het door, veranderen ze alles weer! De gewone controles op straat zijn zo al lastig genoeg. Maar ik ga wel proberen om ons moe zo dikwijls mogelijk te bezoeken. En af en toe zal ik langs ons huis passeren. Gewoon. Om te zien hoe het er mee is. Het zal zo goed als leeg zijn (de meubels verhuizen we mee), maar een leeg huis, alleen… Je weet nooit wat daarmee gebeurt. En als dit alles achter de rug is, moeten we er toch naar kunnen terugkeren, niet? En als jij plots naar huis zou komen… dan weet je ons wel te vinden, hè? Weet je, ik zal hier een briefje achterlaten. Voor het geval dat. Zodat je niet verloren loopt als het zover is.
Brieven WOI
René komt aan bij zijn tante Josephina in Folkestone, Engeland

Nachten van Cortewalle, editie november 2015
Gravin Maria, 16 november 1915
Cécile, 6 november 1915
Dag zus,
weet je nog dat ik schreef dat ik meer wilde doen dan enkel tabellen invullen en brieven sorteren? Ik heb mama gevraagd of ik mee mocht helpen bij de soepbedeling. Je zou dat soms eens moeten zien, zo’n soepbedeling! Misschien mag ik volgende keer mee naar de zusters van het Nieuw Geestelijk Hof, hier bij ons in de straat. Op één voorwaarde: dat er niet net een epidemie is uitgebroken, tyfus of mazelen, zoals eerder dit jaar. Toen sloten de scholen zelfs om de besmetting in te dijken. In armere wijken vallen er dan dikwijls heel wat slachtoffers, zelfs doden, vooral kinderen. Mama is zo bang dat ik ook ziek zou worden. Zelfs de moffen zijn er bang voor, voor die uitbraken van besmettelijke ziektes. Daarom kwamen ze aanzetten met verplichte inentingen tegen de pokken. Maar bijna niemand vertrouwde het. “Gif, dat spuiten ze onze kinderen in, ja!” Hoe dan ook: ik kijk al enorm uit naar al die dankbare gezichtjes van die doetjes als ze hun kom soep en hun koek krijgen!
Voorlopig zit ik dus nog tussen de papieren. Ik heb net een kopie van een brief aan de Duitse gouverneur onder ogen gekregen, over de situatie in Melsele. Daar zijn 180 werklozen, en 130 noodlijdende gezinnen. De maandelijkse uitgaven aan werklozen en noodlijdenden bedraagt momenteel 500 frank, evenveel als wat de gemeente in juni heeft uitbetaald aan werklozen voor de werken die ze uitgevoerd hebben. In oktober was dat laatste bedrag al gestegen tot 2500 frank. We kunnen nochtans wat bijverdienen (contant of in bonnen). Blijkbaar zamelen de pinhelmen eikels, kastanjes en beukennoten in; voor die laatste krijg je zelfs 45 Mark per 100 kilo! Om het rotten tegen te gaan, moet je wel zo snel mogelijk laten weten hoeveel je zult inzamelen; dan krijg je de nodige instructies. Waar halen ze het toch?!
O ja, voor ik het vergeet: Marie-Jeanne (die ken je nog wel, hè?) is bevallen van een flinke dochter. Ze heeft haar Elisabeth genoemd. Mooi van haar, niet? Heel wat minder mooi is hoe sommige andere vrouwen zich gedragen. Tot ’s avond laat zitten die met de pinhelmen te pintelieren en te flikflooien. Nee, Eléonore, niet bij iedereen brengt de oorlog het beste in de mensen naar boven. Hoe zit dat bij jullie, daar achter het front? Kon je het me maar laten weten.
Je zus, die vol verwachting uitkijkt naar haar aanstaande soepbedeling.
http://www.kidscam.be (De Groote Oorlog door Kinderogen, Brussel. In de Soep)
Remi, 30 oktober 1915
Marie van onze Gust heeft woord gehouden: ze heeft werk voor me gevonden! Bij bakker Borgeljoen, op de Markt in Beveren, waar zij ook werkt. Ik doe er van alles, ik ren me de benen van onder het lijf, maar ik heb tenminste een inkomen, hoe klein ook. Moeder en ik kunnen er het hoofd mee boven water houden, we hebben het altijd zuinig aan gedaan.
Nu ik elke dag in Beveren kom zie ik ook het een en ander. De rijen mannen die staan aan te schuiven aan het gemeentehuis of aan de Broederschool om zich te laten controleren, de zogeheten Meldeamten, bijvoorbeeld. De ene keer zijn het alle mannen die geboren zijn tussen 1885 en 1891, dan weer zijn het alle mannelijke inwoners geboren tussen 1892 en 1897. Ook leden van de burgerwacht moesten zich onlangs aanmelden in de Broederschool. Echt gerust zien die mannen er nooit uit, zoals ze daar staan te draaien en te keren, 20 minuten voor het opgegeven uur, mooi in de rij volgens het nummer van hun Meldekarte – wie weet wat de Duitsers met hen van plan zijn!
Ook triest om te zien: ons geliefde Hof ter Saksen. Het lijkt wel of ze alles kapot willen maken. Het ziet er naar uit dat ze loodsen aan het bouwen zijn, en een spoorlijn aan het aanleggen zijn. Waar kan dat toch goed voor zijn? Het is net als met die pinnekensdraad die ze op de grens met Nederland zetten, daar zit dan nog eens stroom op ook. En ze gaan zelfs tot in de Schelde!



Ook op andere vlakken zijn de pinhelmen heel druk bezig: bijna elke week hangt er wel een nieuwe affiche met veroordelingen, zelfs terdoodveroordelingen! Zo was er nogal wat te doen over de executie van die Engelse verpleegster uit Brussel, Edith Cavell. Heb jij daar ook over gehoord? En hier was het laatst nog Alois Van Dam – ken jij die, hij zou van Beveren zijn. Acht dagen gevang kreeg hij, zogezegd omdat hij de telefoonleidingen niet wilde bewaken.![]()
Ze vinden altijd wel iets. En altijd moet het in het lang en in het breed uitgehangen worden. Bij het zien van die affiches denk ik wel eens aan Fabrice. Elke keer ben ik bang zijn naam ergens te zien staan, ik heb het al eerder gezegd, ik heb altijd het gevoel gehad dat hij met louche zaken bezig is. Ik concentreer me op mijn werk, en op niks anders. Het leven is zo al lastig genoeg.
Gravin Maria, 19 oktober 1915

Kasteel Couthof langs de huidige Couthoflaan gefotografeerd omstreeks 1900 (Privécollectie; ‘Westhoek verbeeldt’) http://www.westhoekverbeeldt.be/afbeelding/7828e306-bbc5-11e3-a96f-7f03de76d281
Lieve René,
Ik heb je onlangs een lange brief geschreven, maar ik begrijp uit je kaartje dat je die niet hebt ontvangen. Ik zal er moeten op letten om je meer banale nieuwtjes te sturen, want de censuur wordt hier steeds strenger. En dat is best begrijpelijk, gezien de omstandigheden.
Samen met de baron en de barones de Maeseman – onze buren – zijn wij de enige overgebleven kasteelbewoners in het kleine vrije België. Alle anderen zijn gedwongen geweest te vertrekken. Ik hoop dat we hier tot het einde van de oorlog kunnen blijven!
Mijnheer Simons vertrekt in de loop van volgende week naar het opleidingskamp en Raymond zou hem maar wat graag volgen. Hij is echter nog zo jong (16 jaar en 5 maanden), dus zal je oom zijn best doen hem van dat idee af te brengen. Raymond zelf droomt er echter van om zijn leraar te volgen, helemaal tot bij de artillerie.
Af en toe krijgen we op De Lovie het bezoek van jonge mannen uit Beveren die in de loopgraven zitten. We zien hen heel graag komen, want we leven hier ten slotte te midden van vreemden!
Tante Maria

Raoul Emmanuel Lucio François-Xavier, baron de Mazeman de Couthove (1854-1923), was burgemeester van Proven in opvolging van zijn vader Jules Maziman (1811-1879). Hij trouwde in 1889 met Mathilde van Outryve d’Ydewalle (1867-1945), dochter van senator en volksvertegenwoordiger Eugène-Edouard. (Privécollectie)
Cécile, 12 oktober 1915
Dag Eléonore,
wat een dag. Ik weet niet hoe het komt, maar het gaat me niet af. Niet dat het zo druk is. Niet drukker dan anders, bedoel ik. Ik denk dat ik het me te veel begin aan te trekken. Daarnet heb ik nieuw ondergoed moeten bestellen voor het weeshuis. Ze zijn nog steeds met zo’n 25-tal, de weesmeisjes in Beveren, tussen 4 en 21 jaar. Eerst stond ik er niet bij stil, maar toen dacht ik: bedelen om ondergoed, is dat nou niet erg? En toen vroeg ik me af hoe het moest zijn om in tijden als deze het zonder ouders of familie te moeten stellen. Zonder vader zijn er heel wat, maar zonder moeder? Zo helemaal zonder iemand? Weet je, nogal wat arme of verlaten kinderen worden tegenwoordig door de gemeenten naar Nederland gestuurd – in totaal zou het al om enkele duizenden kinderen gaan. Kinderrechter Dierckxsens, van de afdeling voor Hulp aan Oorlogswezen en Bescherming voor Kinderen van het Komiteit, is daar faliekant tegen: “Kinderen mogen niet uit hun gezin of hun omgeving verwijderd worden!” Ik denk dat hij gelijk heeft. Wat moeten die kinderen immers in Nederland, waar ze niemand kennen en waar alles zo anders is? Daar staat natuurlijk wel tegenover dat die arme doetjes dan hier op een degelijke manier opgevangen en ondersteund worden. Volgens onze tabellen zijn er in Beveren alleen al zo’n 2000 kinderen jonger dan 16 jaar wiens ouders werkloos zijn, die dus best wel wat ondersteuning kunnen gebruiken. En dan gaat het nog niet eens over wezen! Er wordt al veel voor hen gedaan, maar misschien moeten we nog meer doen. Misschien moet IK meer doen dan enkel tabellen invullen en brieven sorteren. Ik weet waar jij voor zou kiezen, maar zou het ook iets voor mij zijn, denk je?
Veel liefs van je zus, die hunkert naar je goede raad.
Gravin Maria, 23 september 1915
Mijn lieve René,
Ik ben blij dat je nog steeds gezond en wel bent! Van harte gefeliciteerd met je bevordering tot korporaal: je zult Auvours nu wel heel snel verlaten, niet?
Met ons gaat ook alles goed, hoewel de Engelse soldaten ons leven beheersen. Voor Raymond en Joseph is dat helemaal niet erg. Zij beleven de tijd van hun leven. Zij laten geen gelegenheid voorbijgaan om de soldaten op te zoeken, trekken af en toe een kaki-uniform aan en gaan dan aan de haal met een paard van de officieren. Ze kunnen allebei makkelijk doorgaan voor een jonge officier. We ontvangen geregeld nieuws uit Folkestone. De kinderen zijn er wat ziek geweest, maar niets ernstig. De schoolvakantie is er net afgelopen. De oudsten volgen nog steeds de lessen aan het klein katholiek Belgisch college. De vier andere scholieren zijn extern op het pensionaat van St. Mary. Met het weer is het nog goed gekomen. Ze genieten van een mooie nazomer wat bij tante Phina vooral heimwee naar huis teweegbrengt. Veel Belgen vertrekken uit Folkestone naar Frankrijk. Ze zijn bang voor een tweede winter aan de natte Engelse kust. Tante Phina ontvangt blijkbaar geregeld post uit België. In Beveren is alles relatief rustig, afgezien van de Duitse bezetting uiteraard. Tante Maria en oom Georges Vilain XIIII verblijven in Bazel en zijn er heel tevreden.
Duizend zoenen van ons allen,
Tante Maria
Remi, 14 september 1915
Ons vader is gestorven, Stan. Het was te verwachten, ik had je verwittigd. Gisteren was de begrafenis. Het was een mooie dienst, en nagenoeg iedereen was er. Behalve jij. Nu is alles achter de rug en zit ik hier weer alleen. Met ons moeder. Ze houdt zich sterk; soms denk ik dat ze het niet echt beseft. Maar ik, ik weet me geen raad. Onze spaarcenten zijn op; va zijn pensioen is weggevallen en van jouw militievergoeding zien we niks. Omer en Henriëtte hebben ons wat toegestopt, maar veel hebben die ook niet op overschot – dat beweren ze toch. Ver zullen wij met dat beetje in elk geval niet springen. En over ons in huis nemen of een job voor me heeft niemand van hen het gehad. Ik moet dus mijn plan maar zien te trekken. “We hebben het allemaal moeilijk, Remi.” Het zal wel. Alleen Marie van onze Gust zei dat ze zou uitkijken voor me. Lief van haar. Maar ik kan er beter niet op zitten wachten, dat weet ik wel. Ik zal zelf een oplossing moeten zien te vinden. Alleen: er is nergens nog werk. En om als werkloze beschouwd te worden ben ik niet oud genoeg. Daar moet je zestien jaar voor zijn én moet je kunnen bewijzen dat je in juni en juli 1914 minstens veertien dagen hebt gewerkt. Anders had ik kunnen gaan klussen voor de gemeente of voor het Komiteit, wegenis- en straatwerken, van die dingen, dan had ik drie frank per week gekregen. Misschien niet in geld, ze betalen liefst in natura (met spullen of eten, wil dat zeggen) maar het zou tenminste iets geweest zijn. Of ik had een cursus of een technische leergang kunnen gaan volgen, die richt het Komiteit vooral voor jonge werklozen in: tekenlessen, elementaire meetkunde, werktuigkunde, boekhouden, talen. Stel je voor, Stan: ik weer naar school! Maar ik ben dus niet oud genoeg. Volgend jaar misschien. Maar dat duurt nog even. En hoe komen we die tijd door? Ja Stan, nu mijn hoofd er allerminst naar staat moet ik me met zulke zaken bezighouden. En niemand die me iets komt zeggen, ik moet het allemaal zelf uitzoeken. Al moet ik eerlijk zijn: meneer pastoor helpt me waar hij kan. Maar veel kan ook hij niet doen. Dat hij maar vlug een post als knecht of manusje-van-alles voor me vindt. Alles neem ik aan, zolang het maar betaald is én niet voor de moffen. Anders zal het het Armenbureel worden. Of de goot.
Cécile, 7 september 1915
Dag zus,
wat zeg je hiervan: ik werk nog steeds voor het Komiteit. Al een hele maand lang. En elke dag leer ik iets nieuws. Wat een organisatie is me dat toch, zeg. Ik heb er nu iets meer zicht op. Wij hier in Beveren horen bij de vesting Antwerpen en ook wat het Komiteit betreft zijn wij daarom een onderdeel van het Komiteit van Antwerpen. Dat zetelt in de Nationale Bank; algemeen voorzitter is Louis Franck. Voorzitter van de afdeling Hulp is de heer Carlier, die zit in de Graanmarkt. Ik zie hier nogal wat brieven aan en van die twee passeren! De voorzitters van het Komiteit in Beveren zijn vrederechter Dirix en burgemeester Pijpers; notaris Lesseliers is ondervoorzitter en griffier Lampers is de secretaris. Dan zijn er nog een aantal leden, alleen maar belangrijke mannen (wat had je anders verwacht?): de voorzitter van het Weldadigheidsbureel, de heer Van Acker; onderpastoor Nyssens (die is ook schatbewaarder), enzovoort. De zittingen van ons Komiteit vinden plaats op de griffie. Ondertussen zijn meer dan 3000 personen volledig afhankelijk en een paar tientallen gedeeltelijk afhankelijk van steun van ons Komiteit. Geld krijgen ze niet, ze krijgen alleen bons (voor voeding, voor kleding,…); het zijn de wijkmeesters die die bons verdelen. Wat niet meer in de winkels te verkrijgen is, wordt verkocht in het gemeentemagazijn. Zoals ik in mijn vorige brief heb verteld vul ik dus vooral de lijsten in van wie wat ontvangt en wat er in- en uitgaat. Van tijd tot tijd begint het me wel eens te duizelen met al die cijfers – je kunt je niet voorstellen wat voor bedragen ik soms onder ogen krijg! Handenvol geld kost die hulp. En dan is het dikwijls nog niet genoeg. Maar het is wel nodig. Heel erg nodig. En dan moet ik weer een brief naar Antwerpen schrijven. Al een geluk dat ik geen brieven naar de Duitsers moet schrijven: sinds kort moet elke schriftelijke communicatie met de Duitsers in het Duits gebeuren. En ze hebben een lijst gepubliceerd met alle dagbladen die nog toegelaten zijn (het gaat om Het Volk, en de Volksvriend, en de Vlaamsche Post enzo) – dat is handig, dan weten wij op welke kranten we zeker niet moeten rekenen voor betrouwbare informatie! Heb jij toevallig nog nieuws?
Je liefhebbende zus,
Cécile
