Ik heb slecht nieuws, Stan. Het gaat niet goed met vader. Ik weet niet wat er scheelt, maar elke dag is hij wat minder. Hij eet niet meer, drinkt niet meer, ligt maar naar lucht te happen en voor zich uit te staren. En we kunnen niks doen. Hij reageert niet eens op ons. Ook meneer doktoor wist niet veel te zeggen. Voor medicijnen hebben we sowieso geen geld meer; vader zijn ouderdomspensioen is al een tijdje niet meer uitbetaald, we zitten bijna door onze spaarcenten. Ik heb er geen goed oog in, Stan. Ik denk dat ik maar best de familie bijeenroep, zodat ze hem nog een laatste keer kunnen zien. Wie dat wil natuurlijk. En wie kan, nu het dorp doormidden is gesneden. Maar blijkbaar kun je een pasje aanvragen en daarmee kun je dan naar de andere kant. Hopelijk duurt dat niet te lang, zo’n pasje aanvragen. Als jij kunt, kom je dan ook? Maar wacht niet te lang. Kom zo snel je kunt. Het zal nodig zijn, vrees ik.
Brieven WOI
Daniël Frans Struyf, 15 augustus 1915
Vandaag is het Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaart. Onze aalmoezenier zal vandaag een mis opdragen in de schuur van de compagnie te Leisele. Wij gaan er met enkele makkers naartoe. Tot mijn verbazing blijkt de arme priester geen misdienaar te hebben om de viering te assisteren. Niemand durft zich van deze godsvruchtige taak te kwijten dus meld ik mij aan als vrijwilliger. De priester is zeer tevreden en de mis kan starten. Mijn vrienden lachen mij wel wat uit maar ik ben gewoonweg blij dat ik een medemens gelukkig heb kunnen maken.
Cécile, 10 augustus 1915
Dag zus,
moet je nu wat weten? Heel deze oorlog is onze schuld! Tenminste, dat beweert keizer Wilhelm. Hij heeft heel deze toestand nooit gewild, de volledige verantwoordelijkheid ligt bij de vijand. Wij dus. Dat noem ik nog eens durven. Net of wij dit wilden! Je zou eens moeten zien hoe we eraan toe zijn na één jaar oorlog, tien maanden bezetting. In Beveren alleen al zijn er meer dan 3000 mensen afhankelijk van steun van het Komiteit; het bureel van Weldadigheid vangt er nog eens zoveel op. De kleinere instellingen van weldadigheid, zoals Vincentius a Paulo en de Kleine Familie, werken niet meer door geldgebrek. Veel ouderdomspensioenen worden niet meer uitbetaald, en de handel en de nijverheid liggen op hun gat zodat er elke dag nieuwe werklozen bij komen. Ik ken de exacte cijfers niet van buiten, maar ik heb de lijsten gezien en ze zijn lang. Ik vul ze nu zelf in, die lijsten. Mama heeft werk voor me gevonden bij het Komiteit. Ik help zowat hier en daar, een paar uur in de week: ik klasseer de briefwisseling met het Komiteit van Antwerpen, waar wij van afhangen, ik sorteer de aanvragen voor uitbetaling van achterstallige vergoedingen, ik vul de lijsten van bedeling aan. Papierwerk dus. Later vertel ik je er wel meer over, ook over het Komiteit. Nu moet ik afronden, ik moet bijna vertrekken. Waar houd jij je dezer dagen zoal mee bezig?
Liefhebbende groeten,
Cécile
Gravin Maria, 2 augustus 1915
Mijn lieve René
Nieuws uit Folkestone: de jongens zijn met vakantie en amuseren zich te pletter, ondanks het minder goede weer. Het badseizoen in Folkestone komt maar niet op gang. Er is nochtans veel volk aanwezig dat hoopvol de zon afwacht, dat voelt tante Phina aan de lijve en dan vooral aan de prijzen van de levensmiddelen die maar blijven stijgen.
De beslissing is gevallen, schrijft tante Phina. Ze blijven nog enkele maanden in Engeland, en kijken uit naar een nieuwe – grotere – villa. Ze hoopt te kunnen verhuizen in september of oktober. De broer van hun keukenmeid heeft acht dagen verlof bij tante Phina en oom Charles doorgebracht en heel binnenkort verwachten ze hun dienstknecht, die bij de 1ste jagers te paard is. Uit Beveren is er helemaal geen nieuws. Van je familie evenmin. Gelukkig maar dat jij je grootmoeder uit Nederland af en toe hoort!
Veel liefs van ons allen,
Tante Maria
Remi, 23 juli 1915
Stan, weet jij wat er bedoeld wordt met “groene bladeren met of zonder opschrift”? Ik sta hier weer zo’n affiche te lezen, een bevel van graf von Westarp, Generalleutnant und Etappeninspecteur, en ik ben bang dat ik het niet al te best begrijp. Het dragen, uitstallen en verkopen van de Belgische kleuren, dat begrijp ik, en beeltenissen van de koninklijke familie, dat ook. Maar die groene bladeren met of zonder opschrift? Dat is dus allemaal verboden. Ordelinten of ordetekens dragen ook. Je riskeert gevangenisstraffen tot 5 jaar en een geldboete tot 5000 Mark. En weet je waarom? Omdat er twee dagen geleden, op de nationale feestdag, heel wat met Belgische vlaggetjes zouden hebben rondgelopen, of helemaal uitgedost op hun zondags zijn gaan wandelen. Naar ’t schijnt zijn er in Antwerpen massa’s mensen bloemen gaan leggen aan het koninklijk paleis op de Meir en bij het standbeeld voor Leopold I. Dat hoor ik hier net vertellen. “Overdrijven en uitdagen” is dat volgens de Duitsers. Het kan aan mij liggen, maar ik heb er niet veel van gezien. Hier is alles nogal rustig gebleven, vind ik. Ja, er waren wat winkeliers die hun winkel hadden gesloten, met rolluik ervoor en al, en dat mocht niet, het moest een gewone werkdag zijn. En jij? Heb jij iets gezien of meegemaakt of gedaan dat “overdrijven en uitdagen” is? Kon je het me maar laten weten.
Cécile, 16 juli 1915
Zus, ik heb er even over gedaan, maar ik heb net een besluit genomen: ik ga me inzetten voor de gemeenschap. Ik ga mama en Elfriede helpen met het Komiteit – ik moet het hen nog zeggen, ik vond dat jij het als eerste mocht weten, ik weet niet eens of ze iets met me kunnen doen. Maar dat zal wel, er is zoveel werk! Desnoods ga ik bij de veldpolitie die burgemeester Pypers heeft opgericht. De bedoeling is dat die veldpolitie bestaat uit boeren en dat ze gezamenlijk hun velden gaan bewaken. Er wordt zoveel gestolen. Naar ’t schijnt zakken ze zelfs vanuit ’t Stad af om onze velden te plunderen. En het ziet er niet naar uit dat de Fritzen daar veel tegen gaan doen. Daarom moeten wij het doen. Want zo kan dat niet verder, dat begrijpt iedereen. Langs de andere kant sluiten de pinhelmen ons dan weer op. Zo ziet het er tenminste naar uit. Ik heb horen zeggen dat ze op de grens in Prosperpolder een elektrische draadversperring aan het bouwen zijn, en dat ze van plan zijn dat over de hele lengte van de grens te doen. Weet jij daar iets van? In elk geval was er onlangs een verordening van opperbevelhebber Albrecht von Württemberg die zegt dat het voortaan verboden is nog schriftelijke mededelingen van welke aard dan ook, zoals brieven en kranten, over de Belgische grens te brengen. Bouwen ze daarvoor dat elektrische hek? Wie weet, misschien ligt daar nog een toekomst voor mij! Je ziet het, zus, ik ben niet van plan om me te laten wegzinken in eeuwig geklaag en gezeur. Na een jaar niksen en me wentelen in zwartgallige gedachten, ga ik eindelijk weer iets doen! Als je de komende tijd dus niet veel van me hoort, weet je waaraan dat ligt. In ieder geval: tot later, en houd je goed! Cécile
Maria Cornet d’Elzius de Peissant, 10 juli 1915
Liefste René
Ik heb net een brief ontvangen van tante Phina uit Folkestone. Net zoals ik, is ook zij heel erg bezorgd om jou, want om het leven in een kamp zoals Auvours aan te kunnen, heb je een ijzersterk gestel en een stevige moraal nodig. Is dat na twee maanden kampleven nog allemaal intact? Noch in Folkestone, noch in Proven hebben we enig nieuws van je ouders ontvangen. Heeft je mama je misschien rechtstreeks kunnen bereiken?
Tante Phina en oom Charles hebben een brief ontvangen van Richard, de hoofdtuinier van Cortewalle en Ter Vesten. Hij kijkt uit naar hun thuiskomst. Volgens hem is het in Beveren heel rustig, hoewel het er krioelt van de Duitsers! Tante Phina en oom Charles weten werkelijk niet wat te doen. Ofwel terugkeren begin september, ofwel een tweede winter in Folkestone doorbrengen? Een verlenging van hun ballingschap lijkt hen helemaal geen aantrekkelijk idee. De definitieve keuze zal wellicht afhangen van wat de andere Belgen in Folkestone beslissen te doen, schrijft tante Phina. Ze verwacht dat velen van hen voor de winter naar het vaderland zullen terugkeren. Misschien volgen ze dan wel?
Een stevige omhelzing van ons allemaal,
Tante Maria
Maria Cornet d’Elzius de Peissant, 30 juni 1915
Lieve René,
Wij krijgen op De Lovie geregeld bezoek van Belgische officieren. Ze zijn hier zeer welkom, want wij leven hier nu al 15 maanden volledig afgezonderd van de rest van België.
Wij zijn omringd door ruïnes. Gelukkig heeft het bombardement van Poperinge tot nog toe weinig schade veroorzaakt maar toch zijn de burgers vertrokken, uit angst voor wat gebeurd is met Ieper. Daar is niet één onbeschadigd huis meer te vinden. De brokstukken bedekken er de lijken: het is afgrijselijk.
Sinds oktober hebben we heel veel soldaten op het domein: Fransen, Engelsen, militairen verbonden aan het hoofdkwartier, personeel van de ambulancediensten, en ga zo maar door. Ook op dit ogenblik zit alles vol. Er hangt hier heel veel animo in de lucht.
Van bommen zijn we tot nog toe gespaard gebleven, afgezien van de explosie van een grote granaat die net voor het kasteel neerviel en een massa shrapnels alle kanten van het terrein opstuurde. Als souvenirs van die vermaledijde oorlog.
Tante Maria
Remi, 22 juni 1915
Stan, ik heb toch zo moeten lachen! Vanmorgen hing er een nieuwe verordening uit: voertuigen moeten rechts van de weg rijden, niet in het midden. Lijkt me logisch, dacht ik eerst, en ik schonk er niet veel aandacht aan. Maar toen ik wat later in de polder liep, passeerde er mij een boerenkar. Het was Pros, je weet wel, en omdat we die kennen, wilde ik roepen: “Hé, jij moet rechts rijden!” Voor de lol natuurlijk. Want doe dat maar eens, met zo’n grote boerenkar op die smalle polderwegen, die kunnen alleen in het midden rijden. Maar net op dat moment kwam er een Feldwebel op zijn fiets aan, en die begon al van ver te gebaren en te roepen dat Pros met zijn kar uit de weg moest. Daarbij zwierde die Fritz van links naar rechts over de weg. Pros reed gewoon door. In het midden van de weg. En toen armwiekte die pinhelm zo driftig dat hij zijn fiets niet meer onder controle had. Met het stomste gezicht dat er bestaat reed hij gewoon de beek in. Toen moest ik zo hard lachen – en Pros ook – dat ik weg moest duiken, anders had die Feldwebel het zeker gehoord. En wat was er dan van mij terechtgekomen? Het duurde wel even voor ik mijn gezicht weer in de plooi had. Ik ben toen maar vlug omgekeerd, anders had ik die Fritz nog moeten helpen ook.
Ik kwam van Melsele toen het gebeurde. Ik had er een boodschap moeten overbrengen van meneer pastoor. Dat doe ik wel meer de laatste tijd. Ik vind het plezant, dan zie ik nog eens wat, ik neem niet altijd de kortste weg. En weet je wat ik daar zag? Rond de Smoutpot zijn ze houten huizen aan het bouwen. Het Nationaal Hulpkomiteit van Antwerpen doet dat voor de families wiens huizen zijn afgebroken door ons leger, toen die de ring rond Antwerpen wilde dichtmaken, weet je nog? Ik heb er even staan praten met Jozef Truyman, die woont daar met zijn familie. Hij vertelde me over zijn zoon Alfons, die aan het front zit. Al sinds oktober is die vermist. Hij is het laatst gezien in Keiem; sindsdien is er niks meer van hem vernomen of teruggevonden. Waarschijnlijk is hij dood. Zoals zovelen ondertussen. Hij was maar 22 jaar. Ken jij hem toevallig? Ik heb verteld over jou, en dat ik van jou ook nog steeds niks heb gehoord. Maar dat jij dood zou zijn, nee, dat kan ik niet geloven. Laat dus gauw iets weten. Fabrice heeft me beloofd dat hij ervoor ging zorgen dat jouw brieven bij mij terechtkwamen, weet je nog? Het is wel al een paar dagen geleden dat ik Fabrice nog gezien heb. Drie dagen geleden hing er weer zo’n plakkaat uit, we hebben het nog samen staan lezen, het ging over de nieuwe afbakening van het grensgebied en over de paspoorten, en toen was hij opeens weg en sindsdien heb ik hem niet meer gezien. Raar type toch. Benieuwd wanneer hij weer zal opduiken. En laat ons hopen dat hij dan een brief van jou voor mij bij zich heeft.
Cécile, 15 juni 1915
Dag Eléonore, mama vertelde me daarnet een verhaal! Ze had het van Elfriede, van het Komiteit. Het gaat over ene Stanislas Vertez en zijn vrouw. Ze wonen in Vrasene, maar Stanislas is een tijdje geleden uitgeweken naar Nederland. Hij zou in Terneuzen zitten. Zijn vrouw en hun vijf kinderen zijn enkele weken geleden ook naar daar vertrokken, met een bewijs om daar wekelijkse onderstand te verkrijgen. Maar nu heeft die vrouw haar vijf kinderen naar haar ouders in Beveren teruggebracht en is toen zelf weer naar Holland vertrokken. Zonder een adres achter te laten! De ouders van die vrouw zitten nu met de handen in het haar. Ze hebben het zelf allesbehalve breed. Omdat ze hun dochter en schoonzoon niet kunnen bereiken, eisen ze nu, via het gemeentebestuur van Beveren, onderstand van het Armbestuur van Vrasene, waar de kinderen ingeschreven staan. Maar dat Armbestuur zit naar eigen zeggen zonder middelen. Er zijn zoveel werklozen, de laatste dagen alleen al zijn er tweehonderd bijgekomen nu ook de wijmenbewerkers en de mandenmakers zonder werk zijn gevallen. Dat Armbestuur van Vrasene heeft dus het Nationaal Komiteit van Antwerpen gevraagd de kinderen te willen opnemen. En het heeft erop aangedrongen om de uitbetaling van de onderstand van 14 frank aan de ‘harteloze’ moeder in Terneuzen te stoppen. Geen idee hoe dat zal aflopen. Wat een toestand, hè? Er wordt nogal schande gesproken over dat koppel, wat had je gedacht. Maar er is niemand die weet wat er echt achter zit. Wat zou die vrouw bezield hebben om haar kinderen in België achter te laten? Ze moet toch weten dat het hier niet alles is, ze vlucht er zelf van weg. Zelf zit ze met haar man in Terneuzen. En wat is daar de reden voor? Zo zie je maar hoe moeilijk het hier is geworden. Je hoort steeds meer zulke verhalen van mensen die niet meer weten wat te beginnen. En je zou ze moeten zien, de vrouwen en kinderen als ze slecht nieuws ontvangen van hun man en vader aan het front. Soms – nee, elke dag wat meer – begin ik te beseffen dat ik eigenlijk niet eens zoveel te klagen heb. Ik heb nog steeds een dak boven mijn hoofd, woon nog altijd in een gerieflijk huis, heb ouders die voor me zorgen, heb elke dag te eten en zolang ik me aan de regels houd ben ik redelijk veilig. Op café ga ik sowieso niet, dus mij raakt het niet dat die voortaan om 10 uur moeten sluiten. Lastiger is het met die verordening die zegt dat de nationale kleuren en hymnen van de landen waar Duitsland mee in oorlog is, verboden zijn. Ik vond het juist zo plezant om mijn haar vast te binden met een zwart, een rood en een geel lintje – dat doen ze in Antwerpen en in Brussel ook, heb ik horen zeggen. Daar binden ze bijvoorbeeld ook de pralinedoosjes dicht met lintjes in die drie kleuren. Geweldig toch! En hoe het komt weet ik niet, maar als ik langs een café passeer en hoor hoe ze daar de Brabançonne of de Marseillaise of de Vlaamse Leeuw zitten te brullen, voel ik de aandrang om mee te gaan brullen. Het werkt zo aanstekelijk! Daarom dat het nu verboden is, waarschijnlijk. Ik zal die lintjes dus maar laten, voortaan stilletjes voor me uit neuriën en er vooral niet te veel misbaar rond maken. Zo erg is dat allemaal niet, vergeleken met de miserie van al die anderen. Toch? Je zus, Cécile