Het was weer even slikken, Stan. Naast de smokkel van brieven en kranten, is nu ook het vervoeren of het bij zich hebben van foto’s verboden. Bovendien worden alle fietsen en fietsbanden inbeslaggenomen; vanaf 20 september mogen alleen bedienden en werklieden, belastingambtenaren, politieagenten, tolbeambten, dokters en veeartsen zich nog met de fiets verplaatsen als ze daarvoor de toelating krijgen. En Lokeren is veroordeeld tot een boete van 10 000 Mark omdat een deel van de bevolking vrijwillige arbeiders voor Duitsland uitgejouwd heeft toen die op het punt stonden te vertrekken. Het werkt allemaal zo beklemmend, Stan. Zeker dat van die vrijwilligers – binnenkort zijn die op, zegt Fabrice, en dan gaan ze mannen verplichten om voor hen te gaan werken. Ik moet zeggen dat Fabrice niet de enige is die er zo over denkt en daar voor vreest. Stel je voor. Ik mag er niet aan denken dat ze mij oppakken en naar Duitsland voeren. Het zou zo verkeerd zijn. Hoe kun je nu voor de vijand werken? Ik begrijp de reacties in Lokeren dus wel, al is het niet verstandig om zo duidelijk je mening te uiten. En ik wil Cécile niet kwijt net nu we naar elkaar aan het toegroeien zijn. Het was zo plezant om met haar door de velden te wandelen en te praten. Raar, dat ook. We begrepen elkaar zo goed. Het was net of ik daar met jou liep, Stan – nee, zo was het niet. Het was heel anders, maar net zo plezant. Ik hoop maar dat het weer nog een tijdje goed blijft, zodat we die wandeling nog eens kunnen overdoen.
Brieven WOI
Cécile, 29 augustus 1916
Eléonore,
ik ben met Remi gaan wandelen. En het was nog plezant ook. Wel wat raar en onwennig. Het is niet van mijn gewoonte; en wat weet ik ook van Remi? In het begin wist ik echt niet wat ik moest doen of zeggen. Gelukkig stelde hij me op mijn gemak. Met niks speciaals eigenlijk, gewoon door hoe hij is. We zijn de kant van Haasdonk opgegaan, en het waren inderdaad schone plekjes die hij me liet zien; wat zijn die polderwegen toch schoon eigenlijk. Soms was het wel spannend, als we voorbij een wachtpost moesten of een patrouille tegenkwamen. Maar Remi bleef altijd kalm, hij weet het aan te pakken. Voor de rest hebben we gepraat. Over de oogst die eraan komt bijvoorbeeld. Zo vertelde hij me dat alle eenjarige, gepelde en ongepelde wijmen van 1 meter tot 1,8 meter in beslag worden genomen, en dat je voor de bewerking, het verhandelen of vervoeren ervan de toelating van de Etappen Inspektion nodig hebt (die hebben daar een speciale centrale voor). Ook huiden en vellen van koeien, ossen, vaarzen, stieren, paarden, kalveren, schapen, lammeren, geiten, konijnen, hazen, honden, katten, hamsters en reeën worden opgeëist. Die moeten allemaal naar de stapelplaats voor huiden en vellen in Gent gebracht worden, in de Keizer Karelstraat of in de stapelplaats aan statie Gent-Oost. Ook verschillende stoffen – geweven, gebreide – en lintwaren moeten aangegeven worden: herenhemden, tule voor blousen, sluiers en voiles, stoffen voor meubels, tapijten en gordijnen. Zijn vrijgesteld: met tekeningen versierd tafellinnen en kinderbretellen. Ook wie meer dan een bepaald aantal herenwanten, sjaals, handdoeken, zakdoeken (niet dameszakdoeken die geborduurd of van kant zijn!), beddenlakens en herenhemden in voorraad heeft, moet dat opgeven. Wat de boeren betreft: die moeten hun gerst afgeven. “Alleen als je toelating krijgt, mag je 160 kg voor 1 hectare bouwland achterhouden om te gebruiken als zaaigoed. Dat moet wel in afzonderlijke zakken bewaard worden, met een plakkaatje erop met een verplichte tekst. En er zijn maximumprijzen voor rogge, tarwe, haver, spelt, masteluin en gerst vastgelegd. Vanmorgen hing de affiche uit.” Ik heb me wel mispakt aan Remi, moet ik zeggen. Ik dacht altijd dat hij zo’n sloom ventje was, maar wat weet hij veel. En toch loopt hij niet te koop met zijn kennis; het is omdat ik erover begon dat hij vertelde wat hij wist. Ik was onder de indruk, ja. Ik weet niet of hij onze wandeling plezant vond. Ik weet ook niet of ik dat laten merken heb. Ik weet niet eens of we opnieuw afgesproken hebben. “Volgende keer gaan we de andere kant op,” zei hij wel. “Vrasene, Nieuwkerken.” Maar wanneer die volgende keer is? Ik zou het wel willen, denk ik. In dat geval moet ik wel een ander smoesje verzinnen; nu heb ik mama gezegd dat ik nog eens langs meester Staut wilde. Zomaar, zien hoe het met hem gaat, informeren naar Jozef Van Hul. Papa was niet thuis, mama twijfelde, maar toch liet ze me gaan. Trouwens, nu we het er toch over hebben: hoe zou het eigenlijk met Jozef zijn? Misschien moet ik toch eens naar meester Staut. De volgende keer als ik afspreek met Remi. (Maar bewaar wel mijn geheim, hè.)
Je toegenegen zus Cécile
Cécile, 15 augustus 1916
Dag Eléonore,
mama had geen schoner cadeau voor moederdag kunnen krijgen dan jouw brief! En wij die dachten dat jij achter het front verbleef, in Proven bij gravin Maria. Nu blijkt dat je in Engeland woont, bij een vriendin van gravin Maria, als gouvernante voor haar kinderen. Jij in Engeland, het is toch even wennen. Hoe is het leven daar? Merk je daar veel van de oorlog? En zijn er veel andere Belgen? Hoe kwam het eigenlijk dat je wegging bij gravin Maria? Wilde je dat zelf? O, ik hoop zo dat deze brief met al mijn vragen snel in Engeland geraakt, en dat jij me snel antwoordt. Morgen ga ik naar Remi om hem deze brief te geven.
Over Remi gesproken, vorige week zei hij me dat hij schone plekjes kende om te gaan wandelen. En dat hij me met veel plezier zou meenemen om ze me te leren kennen. Ja, Remi. Altijd rond de pot draaien, altijd zo verlegen en beduusd, en nu zo zeker van zichzelf. Hij is erg veranderd, weet je. In de positieve zin. Wat zou jij doen, ingaan op zijn uitnodiging? Als dank voor alles wat hij al voor ons heeft gedaan zou het niet misstaan, denk ik. En eigenlijk wil ik het ook wel, eens weg uit het dorp. Ik speel wel met de kinderen in het park van Ter Gaever, maar dat is toch niet hetzelfde. Alleen: wat zullen mama en papa ervan zeggen? Of moet ik het verzwijgen voor hen? Maar hoe speel ik dat dan klaar? Ik bedenk wel iets, in een volgende brief laat ik het je weten.
See you soon (zoals ze in Engeland zeggen) and take care!
Een warme omhelzing van je altijd toegewijde zus Cécile
Remi, 8 augustus 1916
Ze zijn ons park aan het afbreken, Stan.
Met het kasteel valt het nog mee, ook al lopen die pinhelmen er in en uit of het daar allemaal van hen is. Maar wat ze met het park aan het doen zijn… het is onherkenbaar.
Bomen gerooid, smalspoor aangelegd, loodsen gebouwd – het ziet er niet uit. En ik maar tegen Cécile zeggen dat ik schone plekjes kende, dat ik haar wel eens wilde meenemen als ze er behoefte aan had om eens buiten het dorp te zijn. “Je voelt je er niet zo verstikt,” zei ik, en zo is het ook, al moet je goed uitkijken waar je loopt. Het kwam omdat ze zei dat het dorp haar soms zo beklemde; vroeger ging ze in augustus altijd op reis, maar nu kon dat niet meer en ze miste het. Vandaar dat ik over de veldwegels en de holle paden begon. Hoe zij reageerde? Op haar manier. “Ik zal erover nadenken,” zei ze. Niet afkerig, maar toch wat terughoudend en uit de hoogte. Misschien heb ik het wat te direct gezegd; misschien moet je met zulke meisjes omzichtiger te werk gaan. Nou ja, het is gebeurd, en de klok kan ik niet terugdraaien. Anders deed ik het meteen! Dan ging ik terug naar – pakweg – mei 1914; toen was alles nog normaal. Je hebt de groeten van ons moeder; vorige week ben ik bij haar langsgegaan. Gezien de omstandigheden gaat het goed met haar. Ook Gust stelt het wel. En jij? Zolang geleden weeral dat ik nog van je gehoord heb.
Gravin Maria, 3 augustus 1916

De prinsen Sixtus en Xavier van Bourbon-Parma in het uniform van het Belgisch leger, flankeren koningin Elisabeth. Bron: belgiëroyalist.blogspot.be
Mijn lieve René
Onze brieven hebben elkaar gekruist. Ik vermoed dat jij mijn brief ongeveer op hetzelfde ogenblik hebt ontvangen als ik de jouwe.
Ik ben zo blij dat je je hebt geamuseerd tijdens je verblijf bij ons. Je lieve woorden maken me erg gelukkig. Je kunt me geen groter plezier doen dan naar de Lovie terug te keren wanneer je daar aan toe bent. Wij ontvangen je altijd met het grootste genoegen.
Onze collegestudenten zijn thuis sinds zaterdag en hebben hun plaats tussen hun broers en zussen weer ingenomen! Gérard is zondag naar Engeland vertrokken. Hij zou nu in Bembridge op het eiland Wight moeten zijn. Hij is helemaal alleen ingescheept en leek opgetogen eindelijk te kunnen bewijzen dat hij een grote jongen is! De P.v.W.(1) is afscheid komen nemen en heeft ons bij diverse gelegenheden op het hart gedrukt hoezeer het hem speet ons te moeten verlaten. Hij heeft me beloofd me zijn portret te sturen. De prinsen van Bourbon-Parma hebben enkele dagen voor het vertrek van de P.v.W. hun opwachting gemaakt en het vieruurtje met ons gegeten. Ik heb hen aan de P.v.W. voorgesteld.
Je ziet dat we hier bekend volk over de vloer krijgen!
De nieuwe generaal is charmant en komt geregeld op bezoek.
Waar is Benoit? Stuur je me zijn adres, zodat ik hem kan schrijven?
Je oom en je neven en nichten laten je duizendmaal groeten en ikzelf omhels je met al mijn liefde.
Je liefhebbende tante
Maria
(1) P.v.W: de prins van Wales
Cécile, 25 juli 1916
Dag zus,
en het leven gaat maar door zonder enig vooruitzicht op verbetering. Twee jaar geleden maakte ik me nog klaar om op reis te vertrekken, nu zoek ik manieren om de dag door te komen. De scholen zijn gesloten; alleen bij de wezen van de nonnen kan ik nog iets gaan doen. Die wonen nu in kasteel Ter Gaever, tussen de Kallobaan en de Kasteeldreef, heb ik dat al niet verteld?

De weeskinderen die tijdens de Eerste Wereldoorlog op het domein van kasteel ter Gaever werden opgevangen, poseren met speeltuigen in het park. Archief de Bergeyck, collectie John Buyse
Ik ga er spelletjes spelen met de kinderen, of wat voorlezen. Nooit gedacht dat ik dat nog zou doen!
Wat ik je ook nog wil vertellen: ze hebben weer iets nieuws uitgevonden om ons te pesten. Alle “beweeglijke en onbeweeglijke” huishoud- en gebruiksvoorwerpen die koper, nikkel of tin bevatten, messing, brons, spinsbek, kunstzilver of alpaca worden inbeslaggenomen en afgehaald. Vrijgesteld zijn kerkelijke voorwerpen, armaturen van de waterleiding, van gas en de centrale verwarming, badverwarmers, deurklinken en venstergrendels, onbeweeglijk gemonteerde verlichtingstoestellen en gemonteerde meubelbeslagen (ik verzin het niet, ik schrijf het gewoon over!) en voorwerpen die een geschiedkundige of kunstzinnige waarde hebben. Ze worden niet zomaar gestolen, onze spullen, er is een prijs bepaald per kilo; en onmisbare gebruiksvoorwerpen (zoals kookketels, wasketels, braad- en kookpannen, kandelaars, badkuipen en pompen) kunnen tegen betaling door andere worden vervangen – al moet je kunnen aantonen waarom ze vervangen zo nodig is, en dat moet gemeld worden bij de Orts-(Etappen-)kommandantur. Wie voorwerpen achterhoudt, riskeert een gevangenisstraf tot vijf jaar en een geldboete tot 10 000 Mark. Zo sprak hertog Albrecht von Württemberg twee dagen geleden.
En dan mogen wij niet zuchten…
Cécile
Gravin Maria, 14 Juli 1916
Mijn lieve René
Hoe is je terugreis verlopen? Goed mag ik hopen? Wij waren zo gelukkig om je enkele dagen in ons midden te hebben, terwijl we nu betreuren dat die fijne dagen zo snel om waren.
Je hebt ongetwijfeld al vernomen dat de bombardementen op Poperinge maandagavond opnieuw zijn begonnen. Ze zijn de afgelopen dagen zeer gewelddadig geweest en ze houden maar niet op… voor geen ogenblik. Ik hoor die dodelijke granaten fluiten tot hier, achter mijn schrijftafel …
Maandag waren de kinderen net naar Poperinge vertrokken, maar ze zijn er niet aangekomen. Mademoiselle, Lilly, Linette en Gitta hadden net de stadsrand bereikt toen de aanval begon. Ze zijn onmiddellijk teruggekeerd. Mijnheer Simons en Baudouin Montens bevonden zich in het gevaarlijkste gedeelte van de stad, maar hebben het niet nodig geacht in een kelder te gaan schuilen. Helaas zijn er zoals steeds veel slachtoffers te betreuren, deze keer echter relatief weinig burgers.
Raymond en Joseph hebben me geschreven dat ze de 27ste naar huis komen. Ze zitten nu middenin de examenperiode en hebben geen tijd om aan hun correspondentie te werken. Gelukkig is Raymond hersteld van zijn ziekte maar hij vervloekt die drie weken die hij in het ziekenhuis heeft doorgebracht. Hij heeft er kostbare (studie)tijd verloren.
Baudouin Montens heeft ons het bezoek aangekondigd van twee hoge gasten die verbonden zijn aan de Belgische artillerie. Blijkbaar gaat het over de twee prinsen van Bourbon-Parma (1) die de P.v.W. (2) willen ontmoeten. Ik heb me laten vertellen dat ze heel charmant én bescheiden zijn.

Edward, de jonge prins van Wales, achter het front.
Ik moet mijn brief afronden, mijn lieve René. Je oom en je neven en nichten laten je groeten. Ikzelf omhels je met al mijn liefde.
Tante Maria
Verklaringen:
(1) Sixtus (1886-1934) en Xavier (1889-1977), prinsen van Bourbon-Parma, waren leden van een politiek verdeeld hoogadellijk huis. Hun zus Zita was de laatste Oostenrijkse keizerin (1892-1989) en twee van hun broers streden tijdens de Eerste Wereldoorlog in het Oostenrijkse leger. Sixtus en Xavier dienden aan de geallieerde zijde in het Belgische leger.
(2) P.v.W. (vertaling van Pce d.G.) staat voor de Prins van Wales. De Britse kroonprins Edward (1894-1972) diende tijdens de Eerste Wereldoorlog achter het front. Hij verbleef tussen mei en juli 1916 met het 14de legerkorps op het domein van het kasteel de Lovie.
Remi, 4 juli 1916
Ik ben er niet meer gerust in, Stan. Onlangs zijn in Haasdonk twee personen veroordeeld voor verboden briefvervoer. Drie en vier weken gevang. Dat is niet niks, hè. Ik ken hen niet; ik wist niet dat zij zich hier ook mee bezig hielden. Zo zie je maar met hoeveel we zijn en hoe slecht we elkaar kennen. Wie weet werken we voor hetzelfde netwerk; dat kan best. In elk geval: ik zal extra voorzichtig moeten zijn nu. Ermee stoppen kan ik niet; eens je erin zit, kan je er niet meer uit. En ik doe het graag. Omdat ik iets goeds doe voor de mensen. Omdat het zo bevrijdend werkt om langs die wegels en die prachtige polderwegen van ons te lopen. Onder de bomen, tussen de zingende vogels en de ritselende diertjes op de grond, zou je haast vergeten dat het oorlog is. Het leven lijkt er zo simpel.
Neem nu vorige week, toen Marie confituur wilde maken. Ze heeft een rode bessenstruik op haar koertje en die hing vol. Nu moet het lukken dat burgemeester Pypers op datzelfde moment een bekendmaking liet uithangen voor het aanvragen van suiker voor het maken van confituur. Wij blij toen we het hoorden natuurlijk – tot we die affiche lazen. Toen dachten we: laat maar zo; het was de eerste keer dat Marie confituur wilde maken, dus aan de eerste voorwaarde konden we al niet voldoen. Waarom maken we het elkaar toch zo moeilijk, vraag ik me dan af. Nou ja, ik weet wel waarom, rantsoenering enzo, maar toch. Dat zijn van die zaken die door mijn hoofd spoken als ik langs onze sluiproutes wandel en zie hoe schoon onze velden en paden en bossen erbij liggen deze zomer – zolang er geen moffen in de buurt zijn tenminste. Ook aan Cécile denk ik dan, en hoe het zou zijn om daar met haar te lopen. Vind je dat gek? Misschien moet ik haar eens vragen of ze mee wil; wie weet stemt ze toe.
Cécile, 27 juni 1916
Met al dat gedoe met die brieven zou ik nog vergeten dat er meer is dan mijn eigen, kleine oorlog. Zo was papa onlangs absoluut niet te spreken over het feit dat opperbevelhebber von Württemberg de provinciale verkiezingen in Oost- en West-Vlaanderen heeft laten afgelasten en de mandaten in de Bestendige Deputatie heeft laten verlengen. “Die dansen dan allemaal naar zijn pijpen,” zei papa misnoegd, “dat kan haast niet anders.” Het is trouwens de eerste keer dat ik papa zo weet reageren; hij is altijd nogal “meegaand” geweest, vond ik. Hij moet het wel echt beu zijn dat hij zijn mond niet meer kan houden. Dat hij maar oppast en zijn ongenoegen niet te luid ventileert. Je krijgt voor minder een kogel door je kop.
Twee weken geleden hing er nog een bekendmaking uit van de veroordeling van twee burgers omdat ze duiven bezaten. En in Haasdonk alleen al zijn er tussen 26 mei en 2 juni (op een week tijd dus!) 7 personen veroordeeld. Het stond in de gazet, met naam en toenaam: C. De Ben, A. De Moor en E. Staenssens zijn veroordeeld tot 6 weken gevangenis voor het omhakken van een populier die niet van hen was. P. Jacobs kreeg 4 weken gevangenis voor een verboden grensoverschrijding, terwijl datzelfde vergrijp A. Bastiaenssens 2 maanden hechtenis opleverde. En Ph. De Jardin werd veroordeeld tot 3 weken gevangenis voor verboden briefvervoer; Marie De Beule-Beets kreeg daar 4 weken hechtenis voor. (Waarom de namen van de mannen afgekort werden en die van de vrouw voluit, weet ik niet – dat veronderstel ik tenminste.) Ik hoop maar dat geen van mijn brieven op die manier onderschept is. Of een van jou. Je ziet maar hoe gevaarlijk het is. En de mensen zijn het zo beu, Eléonore; zelfs aan het grootste geduld komt vroeg of laat een einde. Ik heb het gevoel dat ik niets anders doe dan wachten. Op brieven. Op nieuws. Op jou.
Remi, 13 juni 1916
Brieven afgeven. Meer wilde ze niet. Zoals ik al had gedacht. Ik ben de postbus niet, had ik moeten zeggen. Maar ze zag er zo verlegen uit. Zo schoon ook. Wat kon ik anders doen dan de brieven aannemen en zeggen dat ik ervoor zou zorgen dat ze op hun bestemming geraakten? Het is te zeggen: tot in Holland. En ik zou het haar nog laten weten ook. Toen begon ze zo te blozen. Ik? Nee, ik niet. Maar ik voelde me heel wat, dat wel, daar moet ik niet over liegen. De moffen, die houden ons dan weer klein. Zo klein als maar kan. Vorige week nog werd een veehandelaar uit Melsele beboet – 1000 Mark! – omdat hij vee had verkocht in het Etappengebied. Mag dus niet. Ook de oogst van dit jaar mag niet vóór half september vervoerd, verkocht of verbruikt worden. De broer van Fabrice sakkert nogal. En de andere boeren ook. Je zou voor minder. En dan verschieten ze ervan dat we van alles in het geniep beginnen te doen. Maar wat willen ze dan? We moeten toch iets doen om te overleven. Als we hen laten doen, versmachten ze ons allemaal. Straks ga ik nog eens naar ons moe proberen te gaan. Daar achter de grens met het Etappengebied. Ik ken ondertussen nieuwe wegeltjes en sluikwegjes. Sluipwegjes, beter gezegd. Ik ga ze eens uitproberen. Kan altijd van pas komen. Ik zal haar de groeten doen. En zeggen dat alles goed met je gaat. Al weet ik dat niet zeker, het is zo lang geleden dat je nog geschreven hebt. Wel gek eigenlijk: ik maak anderen blij door brieven door te geven, maar zelf krijg ik er geen meer. Ontvang jij de mijne?