Brieven WOI

Cécile, 6 juni 1916

Jawel Elénore, het is me gelukt! Na lang wachten en heel veel geduld uitoefenen – meer dan ik had – heb ik eindelijk brieven kunnen meegeven aan Remi. Hij gaat ervoor zorgen dat ze bij jou geraken. Het is te zeggen: hij kan ervoor zorgen dat ze in Nederland geraken. En vandaaruit moeten ze een lange reis maken – via Engeland en Frankrijk – tot in dat kleine stukje vrij België waar jij zit. Trek er genoeg tijd voor uit als je ze ontvangt; het zijn er van mama en papa en van mij. En ik heb me niet bepaald ingehouden, moet ik zeggen. Ik heb je ook zoveel te vertellen. Twee jaar! Je houdt het niet voor mogelijk, en toch… Remi heeft me beloofd dat hij me zal laten weten wanneer ze in Nederland aangekomen zijn; dat kan morgen al zijn, maar evengoed pas volgende week. Of volgende maand. Wat ik me nu afvraag… Zou hij ze zelf wegbrengen? En hoe doet hij dat dan? Misschien moet ik het hem eens vragen, de volgende keer. Als hij me komt zeggen dat ze in Nederland zijn. Wel lief van hem, vind je ook niet? Hij zag er zo schattig uit toen hij het zei. Hij begon zelfs te blozen. En ik misschien ook. Wie weet. Ik kreeg het in elk geval warm. Koud krijg ik het dan weer van die moffen. Wat ze de afgelopen weken weer allemaal uitgevonden hebben om ons te pesten: voor 15 september mag de oogst van dit jaar niet verbruikt, vervoerd of verkocht worden. Het politieuur in het Etappengebied wordt bijgesteld naar 11 uur; in Melsele zijn boeren aangehouden die weigerden bepaalde landbouwproducten te leveren (vraag me niet welke, of wie) en in Haasdonk zijn voor de zoveelste keer inwoners veroordeeld (reden? geen idee). Zo dikwijls denk ik: ik trek me er niks van aan, ik sluit me ervoor af, maar dat lukt gewoon niet. Altijd sijpelt er wel iets door of vang je iets op. En dan weet je: ik moet op mijn tellen passen; ze zien alles, ze horen alles, ze weten alles. Zolang ze dat van Remi maar niet weten. Dat zou pas een ramp zijn.

Gravin Maria, 31 mei 1916

Mijn lieve René

Duizend maal bedankt voor je lange brief van 14 mei. Ik wou hem onmiddellijk beantwoorden, maar ik moest me eerst informeren in verband met je vraag om naar de Lovie te komen. Je hebt een laisser-passer nodig en dat compliceert je vraag. Bovendien beschikken wij zelf net over transportmogelijkheden.

Maar wat zal ik gelukkig zijn om je hier bij ons te hebben, mijn lieve René! Dat zal voor iedereen hier een welkome afleiding betekenen. Ik voeg hierbij een brief voor je kolonel. Wil jij hem afleveren met mijn groeten? Je hebt hem in elk geval nodig om je paspoort aan te vragen: de brief bevat de handtekeningen van de burgemeester en van de Engelse veiligheidsdienst.

Mag ik je van harte gelukwensen met je benoeming tot adjudant? Daarmee zal je vast en zeker meer voordelen krijgen. Het is de kroon op je werk, je hebt het meer dan verdiend.
Ik heb nieuws ontvangen van je oom Powis. Hij laat me weten dat een van zijn zonen twee maanden verlof heeft gekregen omdat hij in het kamp een bronchitis heeft opgelopen! Naar het schijnt verblijft je tante Elisa nog steeds in Holland. Zij ontvangt van tijd tot tijd nieuws van je grootmoeder die vertelt dat het leven in bezet België voortdurend duurder wordt.

Ik moet hier ophouden met schrijven, lieve René. Er melden zich bezoekers aan die ik moet ontvangen, dat begrijp je wel.
Dat God je mag beschermen tot het einde van deze verschrikkelijke oorlog.
Je oom en ikzelf omhelzen je met al onze liefde.
Je liefhebbende

Tante Maria

Remi, 24 mei 1916

Ik denk dat ik iets stoms gedaan heb. Het is te zeggen: iets dat slecht kan aflopen. Voor ons allemaal. Waarom wilde ik Cécile ook per se die brieven persoonlijk afgeven? Ik weet dat het beter is dat niemand weet wie het doet. En toch deed ik het. Zo fier als een gieter. “Hier, voor jou. Ik hoop dat je er blij mee bent.” En dat je me eindelijk ziet staan. Vind je me nu geen ferme kerel? Nee dus. Ik ben dom geweest. Ja, ze ziet me staan nu. Iets te veel naar mijn zin zelfs. Ze achtervolgt me. En ze houdt vol. En ik maar mijn best doen om haar te ontlopen. Omdat ik bang ben dat ik anders mijn mond voorbij praat. Omdat ik weer indruk op haar zal willen maken. En hoe kan ik weten of ze te vertrouwen is? Fabrice en Marie hebben het er zo ingehamerd: vertrouw niet zomaar iedereen. Beter nog: wantrouw iedereen. Wees steeds op je hoede. Zeker voor wie je het minst verwacht dat ze je zullen verklikken moet je uitkijken. Je weet maar nooit. Och, Stan, het is allemaal zo ingewikkeld. En zo moeilijk. Ik moet nog zoveel leren. Waarschijnlijk wil Cécile alleen maar brieven terugsturen. Maar ik ben geen postbus. Ik ben alleen maar bezorger. Hoe weten de anderen eigenlijk wie de postbus is? Ik weet het zelf niet. Dat moet ik Marie toch eens vragen. En ondertussen blijf ik Cécile uit de weg gaan. Zij een volhouder? Dan ik ook. Nog even.

Cécile, 9 mei 1916

Dag Eléonore,

het is om zot van te worden: dan loopt dat ventje Remi je altijd en overal voor de voeten, maar wil je hem per se spreken, dan vind je hem nergens. Nergens, hè. Ik doe nochtans mijn best, zoek hem waar ik kan, maar telkens ontglipt hij me. Ga ik naar nonkel Henri – waar hij als bakkersknechtje werkt – dan zegt die: Remi? Die heb ik er net op uit gestuurd voor… Denk ik hem op straat te zien, dan ga ik achter hem aan – en dan lijkt hij opgelost in de lucht. Of is het iemand anders. Ik heb me hier al goed belachelijk gemaakt, vrees ik; hopelijk heeft niemand het door, wat zullen ze anders wel denken. Het is alleen maar omdat ik hem wil vragen wat hij met die brieven van jou te maken heeft. En of hij er ook voor kan zorgen dat mijn brieven jou bereiken. Je hebt er geen idee van hoe blij ik was toen ik eindelijk van je hoorde. En mama en papa ook – ik kon het hen moeilijk niet zeggen, hè, ook al begrepen ze er net zo weinig van als ik. En nu wil ik je zoveel vertellen. ca_object_representations_media_66641_lowresdownloadMaar daarvoor heb ik Remi nodig. En die krijg ik dus maar niet te pakken. Onnozel word ik ervan. Gelukkig stel jij het goed. Al is het daar nogal een begankenis waar jij zit. Je zou het hier moeten zien. Onlangs nog liet burgemeester Pypers alle herbergen sluiten tussen 9 en 12 uur (torenuur, dus het uur van de moffen, niet het Belgische uur) omdat de weerbare mannen zich moesten gaan melden. Mochten ze zich niet eens moed indrinken voor ze zich door die pinnen moesten laten keuren. Ja, hoor mij, zoiets zou ik vroeger nooit gezegd hebben. Maar het is toch waar zeker. Hoe ze zo moeilijk kunnen doen. En hoe ze de burgemeester zo naar hun pijpen laten dansen. Maar nu ga ik weer op wacht zitten. Voor Remi. Ooit krijg ik hem te pakken, je zult wel zien.

Cécile

 

gravin Maria, 24 april 1916

Mijn lieve René,

Ik ben zo blij dat je mijn fotootjes hebt ontvangen en dat ze je plezier doen. Bij een volgende gelegenheid probeer ik je er nog enkele te sturen. Het is inmiddels heel moeilijk geworden om aan fotografiemateriaal te geraken. Bovendien kan ik hier in huis niet ontwikkelen, noch afdrukken. Zodoende moet ik mijn fotoreeks waarmee ik 11 jaar geleden ben gestart, zo goed als stopzetten.

Dank je wel voor je brief, lieve René, en ook voor de nieuwtjes. Je schrijft dat je vertrek uit Auvours in de week van 8 april was gepland. Ik hoop maar dat je mijn brief nog ergens te velde ontvangt. Vergeet niet me te verwittigen wanneer je aan het front bent aangekomen. Ik zal zo gelukkig zijn je terug te zien, lieve René. Stel je voor dat het alweer drie jaar geleden is dat we elkaar voor het laatst zagen!

Overmorgen komen Joseph en Raymond thuis voor een vakantie van een tiental dagen. Wij verheugen ons daarop… en zij ook. Het was heel lastig om paspoorten te verkrijgen, het verkeer wordt hoe langer hoe moeilijker. Dankzij de vriendelijkheid van commandant van Tilt en generaal de Jonghe hebben we dan toch een speciale toelating ontvangen.

Wat kan ik vertellen over ons leven hier? Niet echt veel. Naar ons gevoel volgen de gebeurtenissen elkaar niet snel genoeg op om enige verandering in de toestand te kunnen brengen.

Het weer is prachtig, bijna heet. Dat ziet er dus goed uit voor de vakantie van de kinderen. Zo jammer dat dat nieuw leven in de natuur altijd weer gepaard gaat met de dood … Helaas domineert dat laatste het leven rondom ons. En de vooruitzichten zijn verre van geruststellend. Men heeft het over 4 tot 5 jaar oorlog!
Mijn lieve René, ik moet je snel weer verlaten, ik wil dat mijn brief vandaag nog kan vertrekken.
Je oom en neven en nichten zenden je alle liefs en ik voeg er een knuffel en een zoen aan toe.

Je tante Maria

Cécile, 18 april 1916

Eléonore,

wat ik nu weer heb meegemaakt. Stomverbaasd was ik. Remi, dat kleine, blonde ventje van Hof ter Saksen, die vroeger bloemen bij ons aan huis bracht, ken je die nog? Die werkt nu bij nonkel Henri in de bakkerij. Ik was er even langsgegaan, vragen hoe het daar gaat, en passant informeren naar neef Florent. Ik ben er iets meer dan een uur gebleven, ze hielden net middagpauze; kletsen met tante Virginie en onze nichtjes is af en toe plezant. Zo saai is het hier geworden, kun je nagaan. Maar het vreemdste gebeurde toen ik naar huis wilde gaan. Die Remi kwam plots achter me aan. Hij wenkte me, deed teken dat ik dichterbij moest komen – het was in de gang, we waren daar helemaal alleen. Ik vond het vreemd, maar ik dacht: wat kan me hier nu overkomen? Dus ik liep naar hem toe. “Wat is er?” vroeg ik hem, misschien niet al te beleefd, als ik er nu aan terugdenk. “Ik heb wat voor je,” zei hij. Bloemen, dacht ik stomweg, ook al zag ik er geen. Wat kon Remi anders voor me hebben? Toen hief hij zijn hemd een beetje op, ik keek vlug weg want ik dacht “wat krijgen we nu?” en toen haalde hij er een stapeltje brieven vanonder, het zat tussen de band van zijn broek. “Ik hoop dat je er blij mee bent,” zei hij. “Maar wees er voorzichtig mee. Zorg dat niemand ze ziet.” Toen lachte hij en ging weer naar achteren, naar de werkplaats. En ik stond daar, met dat pakketje in mijn handen. Een stapeltje brieven, bijeengebonden met een touwtje. En jouw handschrift op de enveloppes. En ons adres. Vlug heb ik ze tussen de rand van mijn rok gestoken, met mijn blouse erover, ik wist niet beter, en ben vlug naar huis gegaan. Gelukkig is het niet ver; anders had ik het niet gehaald, vrees ik. En hier liggen ze nu, jouw brieven. Ik moet ze nog lezen, maar eerst moest ik dit neerschrijven. Ik begrijp er niks van. Natuurlijk had ik al gehoord van routes en sluipwegen voor brieven van en naar het front, maar hoe wij zoiets moesten aanpakken, wisten we niet. En nu dit. Wat heeft Remi met jouw brieven te maken? Hoe komt hij eraan? De volgende keer dat ik hem zie, zal ik hem zeker op de vuurrooster leggen. Maar nu ga ik eerst je brieven lezen. Eindelijk!

Je zus Cécile, die nog steeds trilt van stomme verbazing en hoopvolle verwachting

Remi, 4 april 1916

Ik heb je net weer een brief geschreven, Stan. Hopelijk komt deze aan. Op mijn vorige heb ik geen antwoord gekregen. Misschien is het daar nog te vroeg voor, sommige brieven doen er een paar maanden over. Ze moeten ook zo’n lange omweg maken. Ik geef ze nu soms ook door. Het is plezant werk, mensen gelukkig maken. Al geef ik ze meestal niet persoonlijk af; het is beter dat ze me niet zien. Zeker als ik de ontvanger in kwestie niet persoonlijk ken, schuif ik de brief gewoon onder de deur of zo, zonder dat iemand het merkt. Hoe minder mensen ervan weten, hoe beter. Soms, als ik zo’n brief in mijn handen houd, denk ik wel eens: wat zou erin staan? Goed nieuws? Slecht nieuws? Zijn er tranen op gedrupt? In welke omstandigheden is deze geschreven? Het zijn klompjes goud die ik dan in handen heb, Stan. Nooit, maar dan ook nooit, mogen de moffen te weten komen hoe we het doen. En nooit mogen ze die brieven in handen krijgen. Wat er dan allemaal kan gebeuren… ik heb al van alles gehoord. Staan er beledigingen aan de Duitsers in – en die schrijf je vlug hoor, zelfs zonder het te weten – dan krijgt de ontvanger of de schrijver een boete van 500 Mark. En dikwijls vliegt die nog de gevangenis in ook. Maar daarvoor moeten er niet eens slechte dingen over de moffen in staan. Een gesmokkelde brief ontvangen of schrijven volstaat al.

Straks ga ik naar een voetbalwedstrijd van het Rode Kruis kijken. De opbrengst is voor de Belgische krijgsgevangenen in Duitsland. We kennen er heel wat, dus ik geef graag een beetje van het weinige dat ik heb om hen te helpen. Ook wielerwedstrijden organiseert het Rode Kruis soms om geld in te zamelen voor de krijgsgevangenen; spijtig dat wij in Beveren geen velodroom hebben. Met dat geld worden dan kleren gekocht en opgestuurd naar de Belgen in de kampen. Het zou ook van pas komen voor de soldaten die geïnterneerd zijn in Nederland, zoals onze Gust. Alleen al in dat kamp van Harderwijk zitten er meer dan honderd uit Beveren en omgeving. Maar benefietacties voor de geïnterneerden laten de pinhelmen niet toe. Wat er dan opgestuurd wordt, kunnen ze niet controleren natuurlijk, terwijl ze dat met spullen voor Duitsland wel kunnen. En controle, daar draait alles om bij hen. Gelukkig zit jij in vrij België, Stan. Laat ons hopen dat wij dat binnenkort ook kunnen zeggen.

gravin Maria, 28 maart 1916

Mijn lieve René

Ik was al enige tijd van plan je te bedanken voor je laatste brief, maar zo overbelast door mijn drukke briefwisseling, dat ik er tot vandaag niet toe ben gekomen.
Bij deze een welgemeende dank om ons op de hoogte te houden van alles wat jezelf aangaat, want alles wat jij doet, interesseert ons in hoge mate. Tante Phina heeft me je foto bezorgd – ben je erin geslaagd er een naar je lieve ouders te sturen? Wat zal hen dat een vreugde bezorgen! Ik wacht vol ongeduld op de dag dat je eindelijk bij ons op bezoek zult kunnen komen, mijn lieve René!

Ik begrijp dat het kampleven je niet meer kan begeesteren. Alle soldaten denken er zo over: ze verkiezen zonder uitzondering het front boven de opleiding.
Jean Ullens, je moet hem kennen, is aan de beterhand en heel tevreden sinds hij hier in de streek is gelegerd. In een paar maanden tijd is hij 12 kg bijgekomen!
Dankzij Louise d’Ursel en de prins de Ligne die hier aan het front verblijft, heb ik nieuws ontvangen uit bezet België. Mijn broer Benoit, die pastoor is in Etterbeek, is door de Moffen vier maanden lang gevangen gezet. De hele familie maakt het goed, maar is de despotische bezetting meer dan moe aan het worden.

Raymond en Joseph hebben me verteld van de brief die je hen hebt geschreven. Ze zijn er heel gelukkig mee. Je weet dat we hen enkele weken geleden hebben bezocht in Parijs? Ze waren vrij goed geluimd, niettegenstaande het strenge regime waaraan ze op school onderworpen zijn. De studies lopen vlot, ik ben werkelijk heel tevreden. Ik hoop dat ze in de paasvakantie – vanaf de 19de april – kunnen naar huis komen. Ik stuur je nog twee kleine fotootjes die ik vorig jaar heb genomen. Ik hoop dat ik je ermee een plezier doe.

Ik moet hier ophouden met schrijven, lieve René, maar niet voor ik je omhelsd heb en je alle liefs van ons allen heb overgemaakt,

tante Maria

Cécile, 21 maart 1916

Dag Eléonore,

alles goed met jou? Met ons gaat het wel. Zolang we onze kop maar houden en hem intrekken. Ik wil maar zeggen: ze hebben het weer zwaar te pakken, de moffen. Niets of niemand ontsnapt aan hun paranoia. bijvoegsel bij verordening op duiven (januari 1916)Ze kunnen echt niks verdragen. Je weet dat ik tegenwoordig dikwijls op de scholen kom. Wel, de kinderen mogen er niets. Neem nu onschuldige dingen zoals je tong uitsteken naar een Duitser (nee, netjes is het niet, maar al bij al is het nu ook weer niet zo erg) of oorlogje spelen (jongens zijn nu eenmaal jongens) – zulke zaken worden zwaar bestraft. Vooral de ouders of de leerkrachten krijgen het dan hard te verduren: tot 1500 frank boete en zes maanden gevangenis. Grapjes of rijmpjes maken over de Duitsers, spotliedjes zingen, de Vlaamse Leeuw of de Brabançonne neuriën: 3000 Mark boete. Onlangs hing er een affiche uit, een verordening over de duiven, mét bijvoegsel van opperbevelhebber Albrecht von Württemberg: kinderen zijn niet verplicht hun ouders aan te geven of vrouwen hun man. Dat moest er nog bijkomen ook!volkstelling februari 1916 We zijn wel verplicht om elk geval van rode koorts, mazelen en dergelijke aan te geven. En vorige maand was er nog een volkstelling; dat was in de nacht van 9 op 10 februari. Kun je het je voorstellen? Ik moest meteen denken aan het kerstverhaal uit de Bijbel. Doen zulke toestanden zich ook voor bij jullie? Kon je het me maar laten weten.

Liefhebbende groeten van je zus Cécile

 

Remi, 7 maart 1916

Ik had geen keuze, Stan. Ik moest wel meedoen. Hoe kan ik op tegen Fabrice? En tegen Marie? Die avond, nadat Fabrice me alles had opgebiecht en me die postkaarten van jou had gegeven, heeft zij het me allemaal nog eens uitgelegd. Heel kalm en heel duidelijk. En toen zag het er toch wel wat anders uit. Misschien hebben ze wel gelijk. In elk geval: ik hoor er nu ook bij. Niet dat ik veel doe. Ik ga naar ons huis, breng er iets heen of haal er iets vandaan en geef het aan Marie. Dat bespaart Fabrice heel wat loopwerk. Maar mijn hart, dat ziet af! Het begeeft het bijna elke keer. Zo bang ben ik als ik iets vervoer. Ze hebben me uitgelegd hoe ik iets moet verstoppen – in de zoom van mijn jas (Marie heeft me leren naaien), of tussen het oude krantenpapier dat ik onder mijn onderhemd stop om het warmer te hebben. Ze gaan me ook nog een smokkeltas bezorgen, een met een dubbele bodem. En smokkelschoenen. En ze hebben me opgedragen wat ik moet doen of zeggen als ik ooit betrapt word. Niet dat ik het wil, Stan, maar nogmaals: ik heb geen keuze. Daar was Fabrice heel duidelijk in.

En dan die briefkaarten van jou, Stan. Wat heb je allemaal meegemaakt! Niet dat ik heel veel wijzer ben geworden, veel krijg je niet op zo’n kaart, maar ik heb toch min of meer kunnen volgen waar je allemaal geweest bent voor je in Ieper terechtkwam. En je bent op bezoek geweest bij gravin Maria en graaf Jozef, die zijn daar ook, in Proven! Wat een toeval! Heb je Eléonore, de zus van Cécile, van Delicatessen Borgelioen uit de Kloosterstraat, misschien ook al ontmoet? Die moet daar ook ergens zijn, achter het front. Als je haar ziet, zeg dan dat met Cécile alles goed gaat – ik zie haar soms van ver, ze werkt met haar moeder voor het Komiteit. Tenminste: als je daar nog bent, Stan. Je laatste postkaart is al meer dan een half jaar oud. Toch ga ik je een brief schrijven, ik zit er klaar voor. Ik heb nu een adres, en ik weet nu dat het kan, post van en naar het front. Daar hebben Marie en Fabrice alvast gelijk in: het maakt de mensen gelukkig. Als je het zo bekijkt is het inderdaad wel een goede zaak dat er mensen zijn die er hun leven voor willen riskeren.