Beveren Bezet

Cécile, 21 maart 1916

Dag Eléonore,

alles goed met jou? Met ons gaat het wel. Zolang we onze kop maar houden en hem intrekken. Ik wil maar zeggen: ze hebben het weer zwaar te pakken, de moffen. Niets of niemand ontsnapt aan hun paranoia. bijvoegsel bij verordening op duiven (januari 1916)Ze kunnen echt niks verdragen. Je weet dat ik tegenwoordig dikwijls op de scholen kom. Wel, de kinderen mogen er niets. Neem nu onschuldige dingen zoals je tong uitsteken naar een Duitser (nee, netjes is het niet, maar al bij al is het nu ook weer niet zo erg) of oorlogje spelen (jongens zijn nu eenmaal jongens) – zulke zaken worden zwaar bestraft. Vooral de ouders of de leerkrachten krijgen het dan hard te verduren: tot 1500 frank boete en zes maanden gevangenis. Grapjes of rijmpjes maken over de Duitsers, spotliedjes zingen, de Vlaamse Leeuw of de Brabançonne neuriën: 3000 Mark boete. Onlangs hing er een affiche uit, een verordening over de duiven, mét bijvoegsel van opperbevelhebber Albrecht von Württemberg: kinderen zijn niet verplicht hun ouders aan te geven of vrouwen hun man. Dat moest er nog bijkomen ook!volkstelling februari 1916 We zijn wel verplicht om elk geval van rode koorts, mazelen en dergelijke aan te geven. En vorige maand was er nog een volkstelling; dat was in de nacht van 9 op 10 februari. Kun je het je voorstellen? Ik moest meteen denken aan het kerstverhaal uit de Bijbel. Doen zulke toestanden zich ook voor bij jullie? Kon je het me maar laten weten.

Liefhebbende groeten van je zus Cécile

 

Daniël Frans Struyf, 14 maart 1916

Een paar dagen geleden heb ik een bezoek gebracht aan het hoofdkwartier. Ik wilde meer inlichtingen verzamelen over die mysterieuze brief die ik onlangs heb ontvangen. Men wist mij er te vertellen dat er nog een soldaat is met dezelfde naam als ik. Dat verklaart alles! Helaas is de arme jongen een paar dagen geleden gesneuveld. Ik haast me de verkeerd ontvangen brief en de foto terug te sturen naar Holland. Ik voeg er een kort briefje aan toe waarin ik de afzender, de broer van mijn naamgenoot, op de hoogte breng van het ongeluk dat hem treft. Ik vraag hem ook of hij een briefje naar mijn vrouw wil doorsturen. Misschien mag ik hoop koesteren… ?

Benieuwd naar de gesneuvelde naamgenoot van onze Daniel ‘Frans’ Struyf, ga naar deze link op de Belgian War Dead Register

 

Remi, 7 maart 1916

Ik had geen keuze, Stan. Ik moest wel meedoen. Hoe kan ik op tegen Fabrice? En tegen Marie? Die avond, nadat Fabrice me alles had opgebiecht en me die postkaarten van jou had gegeven, heeft zij het me allemaal nog eens uitgelegd. Heel kalm en heel duidelijk. En toen zag het er toch wel wat anders uit. Misschien hebben ze wel gelijk. In elk geval: ik hoor er nu ook bij. Niet dat ik veel doe. Ik ga naar ons huis, breng er iets heen of haal er iets vandaan en geef het aan Marie. Dat bespaart Fabrice heel wat loopwerk. Maar mijn hart, dat ziet af! Het begeeft het bijna elke keer. Zo bang ben ik als ik iets vervoer. Ze hebben me uitgelegd hoe ik iets moet verstoppen – in de zoom van mijn jas (Marie heeft me leren naaien), of tussen het oude krantenpapier dat ik onder mijn onderhemd stop om het warmer te hebben. Ze gaan me ook nog een smokkeltas bezorgen, een met een dubbele bodem. En smokkelschoenen. En ze hebben me opgedragen wat ik moet doen of zeggen als ik ooit betrapt word. Niet dat ik het wil, Stan, maar nogmaals: ik heb geen keuze. Daar was Fabrice heel duidelijk in.

En dan die briefkaarten van jou, Stan. Wat heb je allemaal meegemaakt! Niet dat ik heel veel wijzer ben geworden, veel krijg je niet op zo’n kaart, maar ik heb toch min of meer kunnen volgen waar je allemaal geweest bent voor je in Ieper terechtkwam. En je bent op bezoek geweest bij gravin Maria en graaf Jozef, die zijn daar ook, in Proven! Wat een toeval! Heb je Eléonore, de zus van Cécile, van Delicatessen Borgelioen uit de Kloosterstraat, misschien ook al ontmoet? Die moet daar ook ergens zijn, achter het front. Als je haar ziet, zeg dan dat met Cécile alles goed gaat – ik zie haar soms van ver, ze werkt met haar moeder voor het Komiteit. Tenminste: als je daar nog bent, Stan. Je laatste postkaart is al meer dan een half jaar oud. Toch ga ik je een brief schrijven, ik zit er klaar voor. Ik heb nu een adres, en ik weet nu dat het kan, post van en naar het front. Daar hebben Marie en Fabrice alvast gelijk in: het maakt de mensen gelukkig. Als je het zo bekijkt is het inderdaad wel een goede zaak dat er mensen zijn die er hun leven voor willen riskeren.

Daniël Frans Struyf, 29 februari 1916

Vandaag heb ik weer een brief uit Holland ontvangen. Bevend van emotie onderzoek ik hem. Ik voel dat er iets in zit dat op een foto lijkt. Dat moet een foto van mijn vrouw en mijn kinderen zijn, wat een geluk! Ik scheur de omslag open en voel het bloed uit mijn gelaat wegtrekken. Ik hou inderdaad een brief en een foto in mijn handen, maar het is niet mijn lieve vrouw die me aankijkt. Ik zie een weliswaar lieve jonge vrouw met een jong kind in haar armen. Ze is me echter totaal onbekend. Ik bekijk het adres nog eens. De brief is nochtans gericht aan Mijnheer Frans Struyf, Belgisch Leger. Ik begrijp er niets van. Hoewel ik veel schroom voel de brief te lezen, doe ik dat toch, ietwat gegeneerd. Hij is wel degelijk geschreven door deze jonge dame, en is gevuld met wel duizend liefdesbetuigingen. Deze vrouw wacht vol ongeduld op haar man, de vader van kind, en verlangt ernaar hem aan haar hart te kunnen drukken. Ik bekijk de omslag nog eens en vind er een tweede briefje in, geschreven door een geïnterneerde in Holland en getekend ‘uw broeder’.

Hier moet een vergissing in het spel zijn, toch?

 

Remi, 22 februari 1916

Daarnet heb ik Fabrice gesproken. Het heeft even geduurd, hij had het druk, zei hij. Nu begrijp ik waarom. Ook waarom hij ons lege huis gebruikt. Hoe het ermee is, weet ik niet, ik durf er niet meer te komen. Misschien maar goed ook. Het is een doorgeefluik. Fabrice zit namelijk bij het ondergrondse verzet. Een smokkelbende. Naar ik kon opmaken zijn hij en zijn broer, die boer uit Vrasene, de kopstukken. Ze smokkelen etenswaren, maar ook kranten en brieven. Om dat te bewijzen – en om me mild te stemmen – gaf hij me enkele briefkaarten die jij naar ons hebt gestuurd. In de gauwte keek ik ernaar; er waren er bij van twee jaar geleden! Hoe lang hij die al bij zich droeg en voor me achterhield weet ik niet. Eerst werd ik boos, maar ik was ook zo blij. Eindelijk nieuws van jou! Ik zit nu op mijn strozak, met die kaarten in mijn handen. Ik ga ze lezen, maar ik ben ook bang voor wat erin staat. Daarom zal ik eerst dat van Fabrice verder vertellen. “We kunnen niks doen tegen de pesterijen van de Duitsers,” zei hij. “Al die opeisingen, dat verdomde passensysteem dat elke dag verandert, die grens tussen Beveren en Vrasene en het grensgebied, al die controles – als mijn broer zijn koeien melkt, zit er zo’n mof naast hem om te controleren hoeveel hij melkt! Die inlichtingskaart voor landbouwers, nog zoiets. Hij verbouwt niet zomaar wat hij wil, het staat allemaal op die kaart, ook wat zijn maandelijkse aandeel is. Pleegt hij een inbreuk tegen de graanverordeningen – ja, ze kunnen het mooi zeggen, die pinnen – dan riskeert hij een gevangenisstraf tot vijf jaar, of geldboetes tot 100 000 Mark. Of beide tegelijk! Dat is toch niet menselijk? En dan heb je die paardenschouwingen om de zoveel tijd, om de beste paarden nadien op te eisen. Maar wat kunnen we doen? Openlijk niet veel, daar zijn de straffen te zwaar voor. Maar in het geniep kunnen wij hen wel een hak zetten.” “Wat doe je dan?” vroeg ik, want ik begreep het niet echt. Toen legde hij uit dat ze ’s nachts de grens oversteken naar Nederland, door de draad. Ook tussen het Etappengebiet en het Generaal-Gouvernement smokkelen ze. En ze fixen van alles. Als iemand een pasje nodig heeft, of een ander officieel papier, dan zorgen zij daarvoor. “Dat zijn die spullen in ons huis,” zei ik, want het begon me iets duidelijker te worden. “En daar bewaren we ook verboden kranten enzo.” Ik werd wel even dooreengeschud, moet ik zeggen. Ik was kwaad, ja. Hij had het eerst moeten vragen! “Je zou nooit ‘ja’ gezegd hebben,” zei hij toen. Dat is waar. Eigenlijk wil ik er niks mee te maken hebben. Maar toen zei Marie, die er ook bij zat: “Op die manier maken we heel wat mensen gelukkig. We helpen de mensen.” “We?” vroeg ik als de eerste de beste onnozelaar. Natuurlijk. Dat ik dat niet eerder had doorgehad. Al die bezoekjes, al die boodschappen. “Ik ben koerier,” zei Marie. “Een soort postbus. Ik geef brieven door. Meer niet.” Meer niet!? En toen kwamen ze dus aanzetten met die kaarten van jou, Stan. “Ben jij nu niet blij?” Stomme vraag. Ik wilde ze meteen gaan lezen. Op mijn eentje – ik kon die twee even niet om me heen verdragen. Maar voor ik weg stoof, hield Fabrice me tegen. “Nu je dit alles weet,” zei hij, “rekenen we op jou.” Daarbij keek hij me zo doordringend aan dat ik er bang van werd. “Wat bedoel je?” mompelde ik. “Dat weet je best,” zei hij, weer met zo’n blik die door je heen snijdt. “Laat hem nu maar,” zei Marie toen. “Later praat ik nog wel eens met hem.” Toen mocht ik gaan. En nu zit ik hier. Zij zitten nog beneden, wie weet wat te bekokstoven. Ik vertrouw het niet. Ik voel me hier ook helemaal niet meer op mijn gemak. Wat moet ik hiervan denken, Stan? Wat moet ik doen? Toch maar eerst jouw postkaarten lezen. Dan zie ik wel.

E.H. De la Croix, 16 februari 1916

In Haasdonk is het de afgelopen weken vrij rustig geweest, maar blijkbaar is dat helemaal niet het geval in Prosperpolder. Mijn bronnen die me al eerder inlichtten over de situatie in het streng gecontroleerde grensgebied – en wiens identiteit ik strikt geheim dien te houden – vertellen me dat de Duitse bezetter de grens heeft verplaatst. U herinnert zich wellicht nog mijn berichten over het afsluiten van de landsgrens met een elektrische draad. Welnu, in de nog jonge parochie Prosperpolder is die draad vorige week opgeschoven en wel op zulke wijze dat ongeveer 100 hectare van ons Belgisch grondgebied er nu achter ligt. In dat nieuw uitgesperde gebied ligt de kerk, de pastorij en menige huizen van burgers, werklieden en landbouwers. Mijn confrater, eerwaarde Van Haelst, is samen met een kleine 400 zielen van ons land afgescheiden (en van het overige gedeelte van zijn parochie). Hoe moet dat zo toch verder gaan? Van zodra ik meer informatie ontvang, breng ik u op de hoogte.

gravin Maria, 11 februari 1916

Mijn lieve René

Toen ik je laatste brief ontving, stond ik doodsangsten uit over het lot van mijn kleine François die getroffen was door tyfus. Gelukkig is vandaag alle gevaar geweken en kan ik je met veel dankbaarheid melden dat hij gered is! Ik ben ervan overtuigd dat we hem dankzij ons intens gebed hebben kunnen behouden, want de vijf Engelse artsen die hem verzorgden hadden bijna alle hoop opgegeven. Dagen en nachten hebben we vol angst aan zijn bed gewaakt. We moeten echter proberen niet te lang bij deze episode stil te staan. Het belangrijkste is dat Onze Lieve Vrouw van Lourdes ons te hulp is gekomen, zoals ze dat al eerder heeft gedaan.

De brave zusters van Baarle Hertog hebben me goed nieuws bezorgd van je lieve ouders met de aankondiging van de geboorte van je kleine zusje: Fernande. Ik heb via dezelfde weg onze gelukwensen laten overmaken want het is onmogelijk voor ons om ook maar het kleinste bericht naar bezet België te sturen.

Heb ik je al verteld dat Raymond en Joseph op het internaat verblijven van het Onze-Lieve-Vrouwseminarie van Grandechamps in Versailles? Als je daar ooit tijdens een of ander verlof zou passeren, ga ze dan maar opzoeken, dat zal hen ongetwijfeld plezier doen.

Wat je me schrijft over je leven als soldaat, interesseert me enorm. Ik ben zeer gelukkig dat je ondertussen je examens voor sergeant hebt afgelegd. Als je binnenkort bij ons in de buurt bent, kom je ons dan bezoeken als de gelegenheid zich voordoet? We kijken er zo naar uit om je terug te zien!

Wij krijgen heel regelmatig bezoek van Belgische soldaten en officieren. We zijn daar altijd blij mee, want dat bezorgt ons wat afleiding in ons monotone leven dat alleen onderbroken wordt door het gebrul van de kanonnen. Xavier van de Werve, Baudouin Moretus, Raymond de Vinck, Jean Ullens, Joe de Pret, Jean de Nègre en nog vele anderen zijn hier kind aan huis. Vaak komen ze ’s middags onverwacht aanschuiven aan tafel.

Ik neem hier afscheid van je, lieve René. Ik heb nog heel veel schrijfwerk te doen vanavond, mijn correspondentie is hopeloos achterop geraakt ten gevolge van de ziekte van François.

Een lieve knuffel van je oom en mezelf.

Je tante Maria

Cécile, 1 februari 1916

Dag zus,

is het bij jullie ook zo koud? Krijgen jullie het nog warm? Papa is zijn oude papieren aan het opstoken, omdat kolen bijna niet meer te verkrijgen zijn. Het gaat dus wel.

Ik kom regelmatig in de scholen nu, vooral in het Nieuw Geestelijk Hof, hier wat verderop in de straat. Alle lessen gaan er gewoon door. De zusters doen hun uiterste best om de klaslokalen te verwarmen, en zoals ik al eerder geschreven heb, krijgen de kinderen er ook te eten: brood en koeken en warme soep. De armste kinderen krijgen na school ook nog een maaltijd, in Huis Clippeleyr, zodat ze niet met een lege maag naar huis moeten, want thuis is er misschien niet genoeg voor allemaal, of helemaal niks. Wat nu het Nieuw Geestelijk Hof betreft: ik ga erheen met mama, om de voorraden van de levensmiddelen te controleren; die worden daar bewaard in de refter van de pensionairen. Ook de speelzaal staat ter beschikking van het Komiteit; die wordt gebruikt door de rijke dames en juffrouwen om kleren te naaien en te verstellen voor de behoeftigen. Juffrouw Anna Bosman zwaait daar de plak; ken je haar nog? Zo op het eerste gezicht is het er wel gezellig, maar om daar nu mijn dagen te gaan slijten? Nee, dat trekt me niet aan. Ik ben ook niet zo handig. Kijk maar hoe het is afgelopen met mijn lappenpoppen – als ik daar aan terugdenk…

Heb je al gehoord van het Werk van de Akker? Dat is ook weer zo’n overlevingsstrategie. Overal worden er volkstuintjes aangelegd, om zelf aardappelen en groenten te kweken. De Duitsers moedigen het aan; zo mogen we geen bloemen meer planten. Alleen eetbare dingen. Maar wat ik me nu afvraag… Naar het schijnt kun je tulpenbollen eten – zouden tulpen dan wel mogen? En lupinen – hun zaadjes kun je roosteren, en als je die geroosterde zaden dan weer maalt, krijg je iets wat lijkt op gemalen koffiebonen. Koffie van lupinenzaden dus. Ja, de mensen zoeken van alles om niet te verhongeren. Op dat vlak zijn ze heel ondernemend. Ook ons tuintje is een moestuin geworden. Jawel Eléonore, je zus is een boerinnetje aan het worden!

Veel liefs,

Cécile

 

E.H. De la Croix, 25 januari 1916

Mijn informant van dicht bij de landsgrens wist me in het allergrootste vertrouwen te melden dat de Duitse bezetter het gemeentebestuur van Kieldrecht heeft bestraft met een boete van maar liefst 1000 mark. En dat allemaal omdat een landbouwer van de gemeente probeerde onder de paardenschouwing uit te komen. Hij beweerde dat zijn paard niet zijn paard was, maar dat van zijn broer die in Kallo woont. De burgemeester van Kieldrecht heeft te goeder trouw een attest afgeleverd waarin hij bevestigde dat de boer het paard tijdelijk van zijn broer had geleend. Hoe de Duitse legerleiding er uiteindelijk achter is gekomen dat het verhaal niet met de waarheid strookte, wist mijn bron niet te vertellen. De veroordeling heeft niet lang op zich laten wachten en de bestraffing zal in Kieldrecht hard aangevoeld worden. Het gaat in elk geval om een zeer verontrustende evolutie, als u het mij vraagt …