Ik zit in de problemen, Stan. Door Fabrice. Hoe durft hij ook, zonder me iets te vragen? Het zit zo. De laatste keren dat ik naar ons lege huis ging had ik altijd het gevoel dat er iets was. Iets dat niet helemaal klopte. Ook al zag alles eruit zoals het moest. Daarnet was dat niet anders. Op het eerste gezicht leek alles weer normaal. Maar toen hoorde ik opeens een geluid. Op het achterkoertje. Eerst durfde ik niet, toen ging ik er toch maar met een klein hartje heen. Net op het moment dat ik de deur openduwde, zag ik iemand weglopen. Een schim. Van een man. Fabrice, was mijn eerste gedachte. Hij holde de velden in, roepen had geen zin, achter hem aan gaan ook niet. Ik ben toen weer naar binnen gegaan. En heb eens goed rondgekeken. In en op en onder alles. In elk nisje, in elke spleet. En toen – ik begrijp nog steeds niet dat het me niet eerder is opgevallen – vond ik van alles. Pakketjes. En van die grote bruine enveloppen die ze op het gemeentehuis gebruiken. Met brieven erin. Krantjes. Papieren waar ik niks van begreep. Zelfs bonnenboekjes. Ze zaten goed weggestopt, het is alleen maar omdat ik het huis door en door ken dat ik ze vond. En ik wist meteen dat het niet pluis was.
Niemand mag nog in het bezit zijn van geschreven documenten, handelspapieren of catalogi, dat stond onlangs nog op een affiche. En brieven, kranten en bonnenboekjes mogen al helemaal niet! O, ik vloekte. Maar ik was ook bang. Ik ben naar huis gehold, naar Marie, en heb haar gevraagd om Fabrice zo vlug mogelijk naar me toe te laten komen. Fabrice, ja, want hoe meer ik erover nadacht hoe zekerder ik was dat hij het was geweest. En Marie weet hoe ze hem moet contacteren, hij komt hier op geregelde tijden over de vloer. Met een boodschap van zijn moeder, al zie ik nooit iets wat op een boodschap lijkt. Ik heb er ook nog nooit op gelet; ik ga niet met mijn neus bovenop hen zitten! Ik zit nu op hem te wachten, en eerlijk gezegd: ik voel me niet op mijn gemak. Eens benieuwd wanneer hij zal opduiken. En wat hij me dan te zeggen heeft.
Beveren Bezet
Gravin Maria, 9 januari 1916
Lieve René,
Ik wil je nog snel een briefje schrijven, ondanks de grote drukte die hier heerst. Ik krijg het gevoel dat ik zoveel zaken tegelijkertijd moet doen, dat ik er niet in slaag iets te voltooien. Letterlijk alles komt hier op mijn schouders terecht: de correspondentie, de organisatie van het huishouden en het huis en zelfs het lesgeven aan de kleintjes. Er zijn dagen dat ik zoveel hoofdpijn heb, dat ik amper iets kan doen. Bovendien heeft je oom erg geleden onder een zware aanval van reumatiek waardoor hij mijn verzorging nodig had. Gelukkig is dat nu achter de rug en valt het leven weer in zijn gewone plooi.
Heel veel dank voor je brief van 1 januari die ik gisteren heb ontvangen gevuld met zoveel lieve en goede wensen. Lieve René, op onze beurt wensen wij jou alle vormen geluk toe (geluk, een begrip dat we vandaag – helaas – sterk moeten relativeren!). Moge God aan je zijde blijven en je beschermen tot het einde van deze vreselijke oorlog!
Ik ben, net zoals jij, zonder enig nieuws uit België, wat me heel treurig maakt. Ik heb al meerdere kaartjes geschreven naar de zusters karmelietessen van ‘s Hertogenbosch, maar het lijkt er sterk op dat niet één ervan is aangekomen.
Wanneer kom jij ons opzoeken René? Dat zou ons ontzettend veel plezier doen!
Ik vergeet je bijna te vertellen dat Raymond en Joseph met mijnheer Simons in Frankrijk op zoek zijn naar een geschikt college. Het was onmogelijk nog een plaats voor hen te vinden in een van de Noord-Franse colleges. Alle scholen zijn daar opgevorderd als veldhospitalen!
Tot heel gauw, hoop ik. Ondertussen omhels ik je met al mijn liefde. Veel groeten van je oom en al je neven en nichten.
Tante Maria
Kerstconcert op kasteel Cortewalle (1915)
Cécile, 4 januari 1916
Dag zus,
weer een jaar voorbij, weer een nieuw jaar begonnen. Ik wens je het allerbeste toe. Dat je terug naar huis kunt komen bijvoorbeeld, en voor ons allemaal het einde van deze bezetting. Het is niet gemakkelijk, Eléonore, met de dag wordt het moeilijker. Maar we hebben geen keuze.
Hoe heb jij kerst gevierd? En oudejaar? Hier niks speciaals. Niet voor ons tenminste. De Duitsers hebben zich natuurlijk wel laten gaan. Al dat gedoe met hun bomen die ze volhangen, en die wijn en vette worsten die ze naar binnen spelen. En dan die liederen van hen… De jongens van de Broederschool hebben zelfs een kerstconcert moeten gaan geven op kasteel Cortewalle, bij de officieren (dat is daar nu een officiersmess, de graaf en de gravin moesten het eens weten!) Ik weet niet wat ik daarvan moet denken. Van dat concert van onze jongens voor die types, bedoel ik. Het voelt zo raar, ook al was ik er zelf niet bij. (Wat ik moet denken van hun verblijf en vooral van hun gedrag op Cortewalle, dat weet ik maar al te goed!)
Maar bon, dat alles is weeral gepasseerd. Weer over tot de orde van de dag. En dat is: werken en zien te overleven zonder die pinhelmen op hun lange tenen te trappen. Morgen ga ik met mama naar de opslagplaats van het Komiteit in de refter van het pensionaat. Tellen wat er nog op voorraad is en wat er bijbesteld moet worden – voor zolang dat nog kan. Benieuwd wat ik daar zal aantreffen.
(Hoe het met mijn lappen- en stropoppetjes is afgelopen? Wat denk je…)
Liefhebbende groeten,
Cécile
Daniël Frans Struyf, 3 januari 1916
Nieuwjaar. Hoewel wij het oude jaar 1915 met vreugdekreten begraven hebben, is ook het nieuw aangezette jaar weinig hoopvol ingezet. De kanonnen bulderen onophoudelijk. Laten we hopen dat dit geen slecht voorteken is, we zullen moeten afwachten. … Zoals gewoonlijk gaan wij terug aan het werk. Op aandringen van onze aalmoezenier zijn wij sinds enkele dagen met enkele soldaten na het werk begonnen met muzieklessen. Een Antwerpenaar, werkzaam in de School van de Koningin te Wulveringem, komt ons op de piano begeleiden. De lessen vinden plaats in de meisjesschool van de gemeente. Niet veel later voeren wij een tweestemmige mis uit in de kerk van Vinkem, tot grote tevredenheid van de almoezenier en de aanwezige burgers, die zulke mooie muziek in hun kerk nog nooit gehoord hadden.
Ik heb ook een andere slaapplaats gevonden. Samen met twee vrienden logeer ik in een kleine schuur. Het zijn heel brave mensen die hun huis hebben opengesteld voor vluchtelingen uit Antwerpen. Deze Antwerpenaren zeggen dat ze mijn zuster Marie goed kennen. Als wij ’s avonds geen repetitie hebben, lees ik hen de gazet voor. Zij zetten dan hun ogen en oren wijd open en zijn verbaasd als zij merken dat ik de Franse krant al lezend naar het Vlaams vertaal.
Onze oude uniformen worden ook verruild voor een nieuwe kakikleurige uitrusting. Hierdoor zijn we helemaal onherkenbaar geworden. Volgens sommigen lijken we nu op de Engelse Tommies.
Op 2 september 1915 werd te Wulveringem een school opgericht voor de kinderen van de frontstreek, onder bescherming en patronage van koningin Elisabeth, en met hulp van miss Fyfe en gravin Marie Van den Steen, gravin de Jehay. De scholen in de frontstreek werden immers opgeëist door militairen en waren vaak het doelwit van beschietingen en bombardementen.
Daniël Frans Struyf, 31 december 1915
We zijn de laatste dag van het desastreuze jaar 1915. Wat een rampzalig jaar toch, vol oorlogsgeweld en vernieling, zonder weerga in de geschiedenis van de mensheid! Ik wuif met veel plezier dit rotjaar uit en lach met goede hoop het nieuwe jaar tegemoet. Moge het nieuwe jaar de vrede schenken die wij soldaten zo vurig wensen. Vaarwel vervloekt jaar 1915! Het is tijd dat ge verdwijnt, al te veel tranen hebt ge ons bezorgt, te veel bloed hebt gij doen vloeien, te veel slachtoffers hebt gij geëist.
Gravin Maria, 28 december 1915
Mijn lieve René
Van harte gefeliciteerd met het goede resultaat dat je behaald hebt op je examen. Je bent zeker gelukkig terug te zijn in Auvours? Toch doodjammer dat je niet naar Folkestone bent kunnen afreizen!
Ik heb via via meer nieuws uit Beveren ontvangen. Het schijnt dat de Duitsers nog steeds Beveren bezet houden. Ze willen dat wij en oom Charles en tante Phina naar huis terugkeren. Er is iets voor te zeggen, want we moeten dringend problemen gaan oplossen. Niemand durft tijdens onze afwezigheid belangrijke beslissingen te nemen. Tante Phina laat me weten dat oom Charles vastbesloten is om volgend jaar in maart of april terug te keren. Dat is nog lang natuurlijk! Wie weet in welke staat we onze eigendommen tegen dan zullen terugvinden. Wij maken ons zorgen, en tante Phina en oom Charles ook!
Onze kleine Ladislas heeft zijn eerste communie gedaan in de middernachtmis. Hij heeft heel speciaal voor jou gebeden. De kapel was goed gevuld: 31 aanwezigen en je nichten en neven hebben kerstliederen gezongen, begeleid door het harmonium. Heel geslaagd overigens! Op kerstdag was de hele familie (kleine François incluis) voor het vieruurtje uitgenodigd bij de korpsgeneraal die hier woont. We waren allemaal diep onder de indruk van een prachtige kerstboom bedolven onder de pakjes voor ons, voor de kinderen, voor monsieur en mademoiselle Simons en voor alle personeelsleden.
Ik ben benieuwd te vernemen hoe jij het kerstfeest in Auvours hebt gevierd?
Liefdevolle groeten van je oom en neven en nichten.
Tante Maria
Cécile, 21 december 1915
Dag Eléonore,
even snel een briefje voor jou. Ik heb me weer wat op de hals gehaald. Weet je nog, dat ik voor de kinderen van het spijshuis en het weeshuis iets speciaals wilde voor Sinterklaas? Wel, dat is me niet gelukt. Het is te zeggen: we hebben er wel een feest van gemaakt. We hebben Sintliedjes gezongen, en de zusters hadden extra veel koeken gebakken, zelfs van die kleine ronde met een toefje harde roze gekleurde suiker erop (spijtig genoeg niet zo heel veel). En we hebben spelletjes gespeeld en toneeltjes opgevoerd. Net als vroeger eigenlijk, alleen met wat minder. Heel plezant ook allemaal, de oorlog leek even heel ver weg. Maar wat nu mijn mislukking betreft: ik had het sprankelende idee opgevat om voor elk kind een lappenpopje te maken. Gewoon, voor de leute, als cadeautje. Ook voor de jongens, ja – ik zie mezelf nog geen vliegtuigje in elkaar timmeren! We hadden wel een inzameling van speelgoed gehouden, ieder van ons had op zijn zolder of kinderkamer nog wel iets liggen, maar niet genoeg om elk kind iets te geven. Alleen het weeshuis hebben we wat extra spulletjes kunnen geven. En ja, het is stom, en ja, ik schaam me ervoor, maar ik kreeg het niet over mijn hart om een van mijn porseleinen poppen af te staan. En daarom voelde ik me schuldig. Vandaar mijn idee van die lappenpoppetjes. Een oude jurk had ik er wel voor over; die heb ik in stukken geknipt. Maar natuurlijk klinkt zoiets altijd gemakkelijker dan het is. Zoals je weet ben ik niet zo handig met naald en draad, en – je raadt het al: ik was dus niet op tijd klaar. Ik was nog niet eens in de helft! En genoeg stof had ik ook al niet. Het zullen dan maar stropoppetjes worden. Want nu ben ik dus volop bezig om de andere helft af te werken tegen kerstmis. Dan plan ik weer een feestje voor de kinderen. En zijn mijn popjes tegen kerstmis niet klaar, dan zal het voor Driekoningen zijn. Maar af zullen ze geraken; elk kind krijgt zijn popje! Spijtig dat je niet hier bent, dan had je kunnen helpen.
Maar nu ga ik vlug verder werken, of het worden nog poppetjes voor Pasen.
Je zus,
Cécile
E.H. De la Croix, 14 december 1915
De zusters van het klooster hebben een bewogen jaar achter de rug. Ik heb u er al meermaals over bericht. Zuster Tarsilla heeft zich waarlijk geweerd als een duivel. Onze Lieve Heer zal haar dat zeker wel vergeven. Twee maanden hebben de zusters Duitsers te logeren gehad. In die periode hebben ze twee maal geprobeerd ons klooster in te richten als krijgshospitaal. Ze eisten daarvoor met veel poeha al de mooiste zalen van het klooster op. Op geen enkele manier kon zuster Tarsilla hen van dat goddeloze plan afbrengen. Ten einde raad heeft ze zich tot de generaal gewend, die toen in het klooster van de congregatie van Sint-Anna op het Vlaams Hoofd verbleef. Gelukkig, want dat bleek de uitkomst: de moffen kwamen niet af met hun hospitaal en de zusters misten de beleefdheid hen uit te nodigen. Vervolgens zijn ze gespaard gebleven van hun onaangenaam gezelschap.
Remi, 7 december 1915
Dag Stan. Ik woon nu bij Marie. Dat ging heel vlot, dat verhuizen. Ik ben nog niet weerbaar, ik moest het dus niet persoonlijk gaan melden in Sint-Niklaas, in de Casinostraat, bij het Meldeamt. Of begrijp ik dat verkeerd? Geldt dat niet voor inwoners van Beveren? Ze zijn niet altijd duidelijk met hun affiches…
In het begin was het wel raar, bij Marie, maar het went. Ze is de slechtste niet. Ik snap wel waarom onze Gust voor haar viel. Ik slaap op zolder, op een dikke stromatras en onder een dik deken; thuis had ik ook niet meer en het ligt nog goed ook. En Marie is een goeie kokkin – wat zij klaarmaakt, met omzeggens niks! Ze woont dicht tegen ’t Zillebeke aan, vanuit het zolderraam kijk ik neer op de controleposten die daar opgesteld staan. Het is ook niet ver van die smid, Alois Van Hoeyweghen, weet je nog? Ik loop er soms aan, ze hebben daar een zoon van mijn leeftijd, Frans, en met hem zit ik wel eens in dat herbergje van hen. Spijtig dat het er altijd vergeven van de pinhelmen zit, maar voor de rest is het er wel oké. Ik passeer ook dikwijls bij ons lege huis, in Haasdonk. Het voelt zo raar aan daar te komen. Daarnet ben ik er nog geweest en ik voelde me er helemaal niet op mijn gemak. Net of er iets mee was. Ik kan niet uitleggen wat, gewoon iets. Het zal wel aan mij gelegen hebben. Trouwens: weet je wie hier eergisteren opdook? Fabrice! Na al die tijd. Uitgerekend bij Marie. Je moet daar niks achter zoeken hoor, hij blijkt een verre kozijn van haar te zijn en zijn moeder had hem erop uitgestuurd om een boodschap af te leveren. Ik was trouwens niet de enige die raar opkeek; ook hij keek vreemd op toen hij mij daar zag zitten als de man des huizes – we gingen net eten, Marie was mijn bord aan het opscheppen. Ik heb het hem dan maar uitgelegd, en dat ons huis nu leeg staat. Verder zei hij niet veel, alleen dat hij nu bij zijn broer in Vrasene woont en werkt, die boer, je weet wel, ik ben er eens een paar keer met Fabrice geweest, vroeger. Dat deed me eraan denken hoe lang dit alles al bezig is. Hoe lang jij al weg bent. Binnenkort is het weer kerstmis. De tweede kerst zonder jou. De tweede kerst met de moffen. Hoe ga jij het vieren? En waar? Denk eens aan mij als je kunt. Wie weet voel ik het tot hier.