Beveren Bezet

Cécile, 30 maart 1915

Dag zus,

ze willen dat ik winkeljuffrouw word. Of bakkersknecht. Nonkel Henri kwam daarmee af. Ze hebben de handen vol met werk voor het Komiteit, en wat extra hulp zou van pas komen. Dat begrijp ik best, maar waarom ik? Ik zie het mezelf nog niet doen. Ze hebben nochtans iemand nieuw, een zekere Marie, een knap ding. Die zal de klanten nogal doen toestromen! Straf is dat. Bij ons komt niemand meer. Om niet alles te laten beschimmelen – of stelen door die pinhelmen – eten we het allemaal zelf op. Eerder deze maand is er in het ziekenhuis een eetwarenwinkel van de gemeente geopend. Niet zo’n goede zaak voor ons. De burgemeester zelf had ons uitgenodigd voor de plechtige opening. Beleefdheidshalve zijn maman en papa ernaartoe gegaan. Ik niet. Ik heb daar niks te zoeken, al zou een verzetje misschien wel deugd gedaan hebben. Ik moet terug naar school, wist je dat al? Het is te zeggen: volgens onze nieuwe, grote baas, gouverneur-generaal Von Bissing. Verplicht onderwijs voor iedereen tot veertien jaar. Dat beslist die opperpin zomaar. Niet slecht eigenlijk, maar hoe dat praktisch geregeld moet worden? De scholen zitten vol soldaten. ’s Nachts slapen ze in de klaslokalen, de refter, de turnzaal. Overdag hangen ze rond op de speelplaats, in de refter, in de turnzaal. En dat met al die kinderen… Wat moet daar van komen? Je ziet wat er in Haasdonk is gebeurd, met dat zesjarige meisje. En dan heb ik het nog niet over het gevaar dat oudere meisjes lopen met al die mannen in de buurt. Dat is de reden waarom maman en papa besloten hebben me niet terug naar het pensionaat te sturen, vermoed ik. We zijn er gaan kijken, maar toen ze al die mannen zagen, wisten ze genoeg. Verplicht of niet, ik ga dus niet meer naar school. Ja, ik pleeg verzet! Met het medeweten en de goedkeuring van maman en papa. Het klinkt misschien stom, maar het geeft een goed gevoel. En op die paar maanden zal het wel niet aan komen zeker. Wat geen goed gevoel gaf, Eléonore, was wat we in Melsele zagen. De pinhelmen zijn daar loopgraven aan het aanleggen. Ze kappen alle hoge bomen, halen wijmen weg en graven de weiden af tot zo’n 20 cm diep. Verwachten ze soms een inval? Het maakte me wat zenuwachtig. Het was wel weer een perfect voorbeeld van hoe tegenstrijdig die kerels kunnen zijn: wij in Beveren mogen net géén bomen meer vellen, heggen en afsluitingen slopen. En geen enkel stuk land ligt er hier nog onbenut bij. Elk grasveld, elk plein, zelfs het kleinste strookje gras wordt omgeploegd om er aardappelen te planten. En de boeren moeten hun rapen van de velden halen en er koren en kolen planten. Zelfs dat beslissen we niet meer zelf. Hoor mij nu, ik begin al als een echt boerinnetje te klinken. Waar moet dat heen? Ik zal maar vlug mijn schildergerief boven halen. Een beetje tegengewicht bieden. Verras jij me een van deze dagen met een briefje of zo? Ik kijk er zo naar uit…

Veel liefs,

Cécile

E.H. De la Croix, 23 maart 1915

Alle parochies die binnen de fortengordel zijn gelegen, zoals Steendorp, Haasdonk en Kallo, maken nu deel uit van het versterkingsgebied van Antwerpen. Dat betekent dat wij in Haasdonk afgescheiden zijn van de rest van het bisdom Gent. Dat maakt deel uit van een gebied dat de bezetter het Etappengebied noemt. Het gevolg hiervan is dat wij niet meer in contact kunnen (en mogen) komen met onze zeer eerwaarde heer deken van Temse. We staan nu onder het tijdelijk gezag van de heer deken van Beveren.

Daniël Frans Struyf, 16 maart 1915

Vandaag gaat er iets bijzonders gebeuren, je voelt het gewoon in de lucht hangen. Overal zien wij fris opgesmukte officieren en soldaten zeer opgetogen en ongeduldig heen en weer kuieren rond de Koninklijke Villa in de Panne. Rond 9 uur verzamelen de aanwezige soldaten en vormen een lange erehaag. Niet veel later komt onze Koning naar buiten, gevolgd door zijn voltallige militaire staf. Hij lacht de mannen vriendelijk toe terwijl hij hen groet. Hij gaat van man tot man en steekt ieder een ereteken (medaille) op de borst. Voor iedere gedecoreerde held heeft hij een goed woord en een vriendelijke handdruk. Wat een hartroerende plechtigheid, het geluk en de fierheid staan op het gezicht van de moedige en patriottische soldaten af te lezen. Ik tel een vijftigtal gedecoreerden, waaronder een Franse officier, twee of drie Engelse en een jonge Amerikaanse ziekenzorgster (in haar typerende oorlogskledij) die op gevaar van eigen leven gewonden van onder het Duitse schroot heeft gehaald om ze naar de achtergelegen hulpposten te brengen. Ook een priester ontvangt een decoratie uit handen van de Koning. Hij kan nauwelijks geloven dat hem zulke eer te beurt komt …

In een korte toespraak bedankt Zijne Majesteit de aanwezige soldaten namens gans de natie België en zegt fier te  zijn om zulke moedige mannen onder zijn bevel te voeren. Na hen allen nogmaals vriendelijk gegroet te hebben, keert onze Belgische vorst terug naar zijn villa. De pas gedecoreerden verdwijnen met het hoofd opgeheven en weldra is alles opnieuw stil en rustig rond onze wacht.

Remi, 9 maart 1915

Het is waar, Stan: ze hebben ons opgedeeld. Er loopt nu ook een grens tussen de dorpen, met prikkeldraad en wachtposten en al. Ik heb het gezien. Fabrice heeft me meegenomen naar Vrasene, en dat moest allemaal in ’t geniep. Eerst zijn we gaan kijken naar zo’n wachtpost, aan ’t Zillebeek. Er is daar een smid, Alois Van Hoeyweghen, zijn vrouw Julia baat er een herbergje uit. Dichter zijn we niet geraakt en dat was niet nodig ook. Die smid en zijn vrouw hebben 37 Duitsers ingekwartierd gekregen. 37! Ik vroeg me af hoe dat gaat, zo’n hele dag tussen de moffen, maar ik durfde het niet te vragen. Zo op het eerste gezicht vielen ze wel mee; het waren al wat oudere mannen. Ik durf het bijna niet te zeggen, maar die vallen meestal wel mee. De gewone soldaten, bedoel ik, niet de officieren, die voelen zich te goed voor Jan en alleman. We zijn niet lang gebleven bij Alois en Julia. Daarna heeft Fabrice me meegenomen naar zijn broer. Met een hele grote omweg. Via wegels, over de velden, zelfs door tuinen – hij kent de mensen daar goed. ‘In de zomer zal het gemakkelijker zijn,’ zei hij. ‘Dan staat alles groen en staan de gewassen op de velden hoog.’ Ik was de hele tijd bang dat we gezien zouden worden door patrouilles. Die ulanen met hun speren en dat zotte ding op hun kop, ik moet er niet veel van hebben. Maar alles is goed verlopen. Ik ben ook bij Marie van onze Gust langs geweest; ze was niet thuis. Misschien probeer ik het later nog eens. Als ik tijd heb. Als ik wil, kan ik terug op het kasteel gaan werken. Mijn job van vroeger. Ik weet niet of ik wel voor de Duitsers wil werken. Of moet ik dat anders zien? Als ik het park blijf onderhouden, doe ik dat dan voor meneer, voor als hij terugkomt? Ik weet het niet. Misschien is het wel een kans. Er is nog maar heel weinig werk. Alleen de blokmakers kunnen het werk niet bijhouden; die moeten massa’s klompen maken voor het Komiteit, ze kunnen ze niet eens behoorlijk afwerken. Maar hoeveel dokwerkers, handwerkers, timmerknechten, metseldienders, zitten niet met hun duimen te draaien? Ze krijgen hulp van het Komiteit, maar een vetpot is dat ook niet. In ruil moeten ze helpen met het kuisen van de beken en het ophopen en onderhouden van de straten. Een paar dagen per week maar. Ze worden dan betaald door de gemeente. Daar komt nog bij dat de pinhelmen hen extra streng in het oog houden. Vooral de dienstplichtigen. Om de twee weken worden hun namen afgeroepen voor het gemeentehuis, om te zien of ze er nog zijn. Er willen er te veel naar Holland, en zo naar het front. Fabrice is er ook bij. Ik hoop dat hij hier blijft, Stan. Hij komt soms wat grof uit de hoek, maar ik heb veel aan hem. Maar jouw raad zou ik ook nog steeds goed kunnen gebruiken. Want gemakkelijk is het allemaal niet.

 

Daniël Frans Struyf, 5 maart 1915

Ons werk zit erop! Wij worden afgelost door nieuwe soldaten en moeten enkel nog de wacht optrekken. Vandaag ontvang ik onverwacht een postkaartje uit Holland geschreven door een zekere Van Haren, met het hoopgevende nieuws dat mijn hele familie in Antwerpen in goede gezondheid verkeert. Wat een geruststelling! De briefsteller informeert ook naar mijn toestand zodat hij het thuisfront op de hoogte kan brengen. Ik schrijf mijnheer Van Haren dan ook een lange brief met het verzoek mijn beste groeten over te maken aan mijn vrouw, kinderen en gans de familie en hen te verzekeren dat het met mij nog steeds zeer goed gaat.

Gevaarlijke spelletjes aan den Depot

Het huidige Rijksarchief te Beveren is sedert 1964 gehuisvest aan de Kruibekesteenweg, in de panden van de voormalige legerkazerne van Beveren-Waas. De gebouwen werden opgetrokken tussen 1881 en 1883. In eerste instantie herbergden ze het depot van de 7de en 8ste Linieregimenten. Vanaf einde 1913 gaven ze onderdak aan het depot van de cavaleriedivisie. Niet verwonderlijk dus dat de kazerne in de volksmond al snel bekend stond als den Depot.

Prentbriefkaart van den Depot, verstuurd in augustus 1914 (collectie Kurt Ivens)

Prentbriefkaart van den Depot, verstuurd in augustus 1914 (collectie Kurt Ivens)

In de jaren voor de Eerste Wereldoorlog woonde blokmaker Jacobus Franciscus Smet met zijn echtgenote Maria Leonie Reyns in de Kleine Armstraat (nu de H. Consciencestraat), op een boogscheut van den Depot. Maria Leonie was kantwerkster, maar in hun woning hield ze samen met Jacobus Franciscus ook een herberg open. Op 6 december 1912 beviel ze van een derde dochtertje. De geboorte verliep verre van vlekkeloos en het kindje stierf twee dagen later. De komst van een zoontje op 30 maart 1914 wist het verdriet enigszins te verzachten. De oorlog brak dit nieuwe prille gezinsgeluk echter bruusk af: Jacobus Franciscus werd gemobiliseerd en naar het front gestuurd. Maria Leonie stond alleen voor de zorg over drie kleine kinderen: baby Louis en zijn twee oudere zusjes, namelijk de vijfjarige Maria Germana en de driejarige Paula Maria, geboren op 13 september 1911.

Het gezin Smet-Reyns omstreeks 1917. Van links  naar rechts Maria Germana, moeder Maria Leonie, Isidoor Louis en Paula Maria. In de inzet bovenaan rechts is vader Jacobus Franciscus ingewerkt, op dat ogenblik frontsoldaat. (collectie Kurt Ivens)

Het gezin Smet-Reyns omstreeks 1917. Van links naar rechts Maria Germana, moeder Maria Leonie, Isidoor Louis en Paula Maria. In de inzet bovenaan rechts is vader Jacobus Franciscus ingewerkt, op dat ogenblik frontsoldaat. (collectie Kurt Ivens)

De kleine Paula vond er in de loop van de oorlogsjaren groot plezier in om samen met een hoop andere kinderen uit de buurt te ravotten op het grasveld naast den Depot. In een aangrenzend gebouw hield de Duitse bezetter gevangenen vast. Paula Smet vertelde later graag over Duitse soldaten met pinhelmen die aan de ingang van den Depot op wacht stonden en de gevangenen bewaakten. Deze laatsten hielden de spelende kinderen nauwgezet in het oog en amuseerden er zich mee om hen uit de ramen allerlei prullaria toe te werpen in de hoop dat ze ze zouden oprapen om ermee te spelen. Op dat bewuste graspleintje parkeerden de Duitsers ook hun rollend materieel, waaronder nogal wat karren en wagens. De kinderen zagen hierin intrigerende speeltuigen en hielden ervan de karren te beklimmen, er af te glijden en er van af te springen.

Hoe het precies gebeurd is, kon later geen kind meer navertellen, maar op zekere dag was de kleine Paula nietsvermoedend al spelend onder een rijdende wagen gesukkeld die vervolgens over haar kleine lichaampje reed. De kwetsuren waren het zwaarst aan haar beentjes. Het bloed gutste uit de verwondingen. De Duitse militairen die de wagen verplaatsten, brachten hem onmiddellijk tot stilstand. Ze haalden Paula onder de wielen uit en droegen haar snel het hoofdgebouw binnen. Daar kreeg ze de nodige zorgen toegediend door een Duitse legerarts, die een diepe vleeswonde in een van haar benen vaststelde.

Na het incident schreven de militairen een omstandig verslag van de gebeurtenissen en stuurden dat door naar de plaatselijke Kommandantur gevestigd in het toenmalige kasteel Molenberg in de Zandstraat. Even later werd moeder Maria Leonie bij de Ortskommandant ontboden, wellicht om haar een stevige uitbrander te geven. Daarop kondigde de Duitse bezetter strenge maatregelen af: voortaan was het alle kinderen verboden ook maar in de buurt van den Depot te komen, laat staan er te spelen.

Paula Smet heeft haar hele leven met een ‘gat’ in haar been verder gemoeten, echter zonder dat het haar al te veel hinder heeft bezorgd. Ze is gestorven op 10 maart 1991.

Paula Maria Smet als tienjarig communicantje in 1921. (collectie Kurt Ivens)

Paula Maria Smet als tienjarig communicantje in 1921. (collectie Kurt Ivens)

Paula Smet was de grootmoeder van Kurt Ivens, leverancier van dit verhaal en de bijhorende foto’s.

Daniël Frans Struyf, 27 februari 1915

Vandaag is het veldhospitaal compleet afgewerkt en word ik met enkele hulpkrachten naar Hoogstade-Linden gestuurd om er een opslagplaats voor hout te organiseren. De lading zal er met wagons toekomen. Onze opdracht bestaat er in om het hout te lossen en te bewaken. Het is twaalf uur wanneer wij toekomen en er staan reeds drie geladen fourgons op ons te wachten. Wij zijn verplicht om onze logies te nemen in een leegstaande varkensstal aangezien er elders nergens plaats voor ons is. Het is er vuil en het stinkt er. ’s Nachts lopen de ratten onverschrokken over onze gezichten heen. Omdat wij ons voortdurend vervelen en het materiaaltransport veel vertraging oploopt, gaan wij op zoek naar een aangenaam verdrijf om de tijd te doden. Onze slaapgelegenheid geeft tevens onderdak aan een smidse, zodat wij ons bezig houden met het vervaardigen van zelfgemaakte ringen uit Franse vijfcentmuntstukken. Op deze manier gaat de tijd wat toch wat sneller voorbij … hopelijk komt er vlug een einde aan deze verdomde oorlog!

Cécile, 23 februari 1915

Beste Eléonore,

eindelijk eens goed nieuws! Onze logés gaan weg; ze zijn aan het pakken. Hopelijk nemen ze alleen hun eigen spullen mee – zeker weet je dat nooit met die kerels – maar toch: het voelt alsof we een stukje vrijheid terugkrijgen. Zolang we maar geen nieuwe moffen in de plaats krijgen natuurlijk. Voor de rest is de vrijheid hier ver te zoeken. Het is altijd wat. Nu is het weer dat alle mogelijke bijeenkomsten verboden zijn. Zelfs vastenavond mocht niet gevierd worden, niemand mocht zich verkleden. (Maar de verjaardag van hun Kaiser, 27 januari, die moesten we wel vieren, willen of niet!) Ik ben nooit zo tuk geweest op carnaval en zo, dat weet je, maar nu het niet meer mag werd het opeens heel aanlokkelijk. Ik heb het toch maar niet gedaan. Al goed, want een week later liet burgemeester Pypers weten dat de gemeente veroordeeld was tot een boete van 5 000 frank. Niet weinig, hè. Geen idee waarom. En passant maande hij ons aan om ons “te onthouden van daden tegenover de bezetter”. Zo zie je maar. Veel moeten we niet doen om ons “Duitsvijandig” te gedragen. Maar zij? Zij mogen wel met ons sollen! Moet je horen hoe ze burgemeester Verstockt van Vrasene aan het lijntje houden. Hij stuurde de commandant in Sint-Niklaas 31 bons voor betaling van geleverd vee door inwoners van Vrasene. Een week later komen die bons gewoon terug bij hem; ze moeten naar de Etappenkommandantur in Lokeren gestuurd worden. Hij doet dat. Weer een week later komen die bons weer terug. Deze keer moeten ze rechtstreeks naar Gent gestuurd worden. Wat zullen ze daar verzinnen? Zo blijf je bezig. En of die boeren ooit hun geld gaan zien… Zo gaat het er hier aan toe, Eléonore. Wat kan ik je nog vertellen? Elvire, die vriendin van maman, zit haar steeds maar te porren om mee te werken aan het liefdadigheidscomité hier. Het valt onder het Provinciaal Comité van Antwerpen, niet dat van Sint-Niklaas of Oost-Vlaanderen. Dat heeft met die verdeling in Etappengebied en Gouvernementsgebied te maken. Omdat Beveren binnen de vroegere fortengordel rond Antwerpen ligt, horen we tot de Vesting Antwerpen, en daarom tot het Gouvernementsgebied. Je moet het maar weten. En ik? Wat doe ik hele dagen lang? Niet veel. Ik lees wat, ik schrijf brieven, ik probeer wat te schilderen, ik verveel me. We zien weinig mensen. Van tijd tot tijd de buren, en die jongen van Ter Saksen – Remi heet hij, geloof ik – die komt nog wel eens een bloemstuk brengen. En af en toe loop ik binnen bij nonkel Henri en tante Virginie. Het gaat goed met hen, met de nichten ook. Neef Florent zit aan het front, hij is sergeant. Misschien kun jij hem eens opzoeken? Heb jij soms nieuws? Dan hoor ik het graag – en snel!

Tot gauw,

je zusje Cécile