Brieven WOI

Gravin Maria, 25 juli 1917

Mijn lieve René,

Ik kan niet ophouden te denken aan jou en je broer … Stuur me zo snel mogelijk je nieuws, al is het maar een eenvoudig prentbriefkaartje; dat zal ervoor zorgen dat ik relatief rustig blijf en me niet buitensporig ongerust maak. Onnodig wellicht je te zeggen hoeveel ik voor jullie bid! Ik vraag God en Onze-Lieve-Vrouw onophoudelijk jullie te beschermen voor elk mogelijk gevaar gedurende de oorlog! Ondanks enkele alarmen, gaat met ons alles goed. Ik vertel je later nog wel over de recente gebeurtenissen. Ondanks alles, leiden we hier een interessant leven. Heb ik je al verteld dat onze collegejongens de 19de zijn thuisgekomen? Ze hebben mooie resultaten behaald. Je oom en ik zijn zeer tevreden. Joseph heeft de poësis afgerond met een eerste prijs in excellentie. Gérard is zevende van de 35 leerlingen, wat evenmin slechts is. Raymond heeft de humaniora beëindigd en bereidt zich voor op zijn eindexamen in oktober.Tot ziens, mijn lieve René, ik omhels je liefdevol.

Je tante Maria

N.B. Hoe gaat het met je vriend mijnheer Van Pée?

Cécile, 24 juli 1917

Kon ik nu maar naar je toe, Remi! Ik sta hier met je postkaart in mijn handen, trillend over mijn hele lijf. Jij in een hospitaal in dat verre en kille Duitsland, ik mag er niet aan denken! Hoe gaat het met je? Wees eerlijk, mijn liefste, en laat me weten hoe het echt met je gaat. Weet je, gisteren was ik op weg naar Marie toen ik in een veld wat verderop een vliegtuig zag landen. Mijn eerste impuls was om ernaar toe te rennen, gewoon uit nieuwsgierigheid. Gelukkig herinnerde ik me op tijd dat niemand zich op minder dan 300 meter van een landend vliegtuig of een landende ballon mag begeven, of het nu om een Duits of om een geallieerd toestel gaat. Anders riskeer je een boete tot 1000 Mark, of een kogel door je kop, als je wegvlucht als er moffen aankomen. Ik liep dus braaf door en deed alsof ik niks merkte. Maar als er vandaag een vliegtuig voor me zou landen, zou ik niet twijfelen. Ik zou er resoluut op af stappen en de piloot dwingen me aan boord te nemen en me naar Duitsland te vliegen, naar het hospitaal waar jij op mij ligt te wachten. Dat ze me maar een boete opleggen! Want ik vertrouw die Duitse artsen en verpleegsters niet. Ze zullen nooit voor je zorgen zoals ik dat zou doen. Ik probeer naar je toe te komen, liefste. Houd vol tot ik er ben.

Gravin Maria, 20 juli 1917

Mijn lieve René

Ik heb zopas je laatste brief ontvangen. In afwachting van een uitgebreider antwoord, schrijf ik je snel een paar woorden om je te laten weten dat mijn hart en mijn gedachten bij jullie twee zijn en jullie geen moment verlaten.
Het nieuws dat je voor me hebt, doet me veel pijn … Vetel mijnheer Van Pée asjeblieft dat we hier met zijn allen hartstochtelijk bidden voor zijn herstel. Jou vergeten we evenmin, mijn lieve René: we smeken het heilig hart om over je te waken… Terwijl ik dit briefje schrijf, hoor ik de kanonnen in jouw omgeving gevaarlijk bulderen… De onrust zal me vannacht wakker houden, vrees ik. Dat God jullie allebei mag beschermen!
Ik omhels je met al mijn liefde

Je tante Maria

Remi, 11 juli 1917

Schrik niet, mijn liefste, bij het zien van het adres op deze envelop. Jawel, ik lig in een ziekenboeg, maar al bij al stel ik het goed. Ik leef nog, en zoals je ziet, ben ik zelfs in staat je te schrijven. Ik lig hier omwille van mijn been; het is onder een boom terechtgekomen. Ik was overgeplaatst naar een kamp in een bos. Met hoeveel we daar zaten, kan ik niet zeggen, maar we waren met veel. En we kwamen van overal. Er waren Polen, Russen, Italianen, Belgen. Onze werkdagen bestonden uit twaalf lange werkuren waarin we een weg moesten aanleggen dwars door dat bos. De ene dag moest ik bomen hakken, de andere dag boomstammen wegslepen, de dag daarop stenen kappen en er de weg mee leggen. Het is met het bomen omhakken dat ik me bezeerd heb. Ik begrijp nog niet hoe het kon gebeuren, maar om een of andere reden was ik niet op tijd uit de weg toen de boom omviel. Al met al heb ik geluk gehad; het had heel anders kunnen uitdraaien. Maar laat ons daar niet aan denken, liefste. Ik kom er wel weer bovenop. Laat ons vooruitkijken en aftellen naar de dag waarop we elkaar weerzien. Die dag is niet meer veraf, dat weet ik gewoon. Houd je sterk, Cécile. Tot binnenkort.

Gravin Maria, 9 juli 1917

Mijn lieve René

Duizendmaal dank voor je lieve brief die ik enkele dagen geleden heb ontvangen. Ik wou onmiddellijk reageren maar helaas heb ik sindsdien nog geen minuutje voor mezelf gehad.
Het doet me heel veel verdriet te vernemen dat je kleine broertje ernstig ziek is. Laat ons hopen dat we heel snel positief nieuws over zijn toestand ontvangen. Ik heb een kaartje geschreven naar je mama via Holland; ik heb de goede zusters van Baarle-Hertog gevraagd het door te sturen. Ik voeg bij deze brief een Hollandse briefkaart. Misschien kan jij ze gebruiken? Stuur de kaart naar rue des claires 22 in B-H (1), ter attentie van zuster Julienne van het Heilig Sacrament – die me trouw schrijft – en als afzender vermeld je: Reneé Moretus, C.-straat 22. Het is beter je eigen naam niet te vermelden. Voeg aan het adres van je ouders in Antwerpen toe: (via Aachen). Misschien krijg je op deze manier een direct antwoord op al je vragen. Bovendien zullen ze ginder diep gelukkig zijn om je handschrift terug te zien!
Hoe jammer dat je ons niet kunt komen bezoeken, lieve René! Ik denk voortdurend aan jou en bid voor je!

Het leven dat wij hier leiden is opwindender en spannender geworden maar ook interessanter … Vorige week mochten we belangrijk bezoek ontvangen. Donderdag- en vrijdagmorgen werden we beschoten met obussen: de ene sloeg in aan een toegang tot het park en de andere bij het kleine klooster van de zusters. Helaas hebben we doden en gewonden te betreuren. Vrijdagnamiddag kregen we de eer de vader (2) te ontvangen van de persoon die we vorig jaar tweeëneenhalve maand te logeren hadden (3). Hijzelf was ook aanwezig. Allebei waren ze heel charmant en zeer lief voor de kinderen. De v. (4) heeft op zeer lovende wijze met ons gesproken. Je hebt er geen idee van hoe warm en eenvoudig hij is in de omgang! Bij zijn vertrek hebben François en Gitta hem een boeket rozen overhandigd. De K. (5) was zeer ontroerd. ’s Avonds is zijn aide-de-camps ons vanwege Z. M. (6) komen bedanken voor de onvergetelijke ontvangst die we hem op de L. (7) hebben gegeven.
Veel dorpen in de omgeving lopen leeg, de meeste buren zijn al vertrokken: de zusters van het Vogeltje die jij ook kent, vertrekken naar Saint-Jans-Capel (8). Indien het gevaar weer zou stijgen, zullen we enkele dagen in de kelders schuilen, maar momenteel is dat echt niet nodig.

Ik heb een briefje ontvangen van je broer Benoit met een foto die ik zeer geslaagd vind. Ik schrijf hem morgen. Besef je dat ik trots ben op jullie allebei? Jullie doen de naam Bergeyck alle eer aan en dat maakt me onbeschrijfelijk gelukkig. Ik bid tot God dat hij jullie allebei zegent en beschermt tegen alle mogelijke gevaren! Na de oorlog keren jullie allebei terug in de schoot van de familie, overladen met glorie en eer.

Ik omhels je innig, mijn lieve René,
tante Maria
(in haast)

Schermafbeelding 2017-07-09 om 11.59.23

Koning George V in overleg met zijn generaals in oktober 1915. Bron: http://www.forces-war-records.co.uk

Noten
Gravin Maria kan niet voluit schrijven, beducht als ze is voor de Engelse censuur. Ze gebruikt in deze brief meer afkortingen en omschrijvingen dan gewoonlijk:
(1) Baarle-Hertog
(2) de vader: koning George V van het Verenigd Koninkrijk (1865-1936)
(3) de Britse kroonprins Edward (1894-1972) diende tijdens de Eerste Wereldoorlog achter het front. Hij verbleef eerder, tussen mei en juli 1916 met het 14de legerkorps op het domein van het kasteel de Lovie in Proven. Zie ook de brief van gravin Maria van 14 juli 1916.
(4) de v. of voluit de vader
(5) de K. of voluit de koning
(6) Z.M. of voluit Zijne Majesteit
(7) de L. of voluit de Lovie
(8) Saint-Jans-Cappel, net over de Franse grens

Gravin Maria, 28 juni 1917

Mijn lieve René

Ik schaam me diep dat ik je zo lang op een brief heb laten wachten, maar je weet hoe de drukte me hier volledig in beslag neemt. Vorige week en ook de weken daarvoor al, maakte de ene bezoeker na de andere hier zijn opwachting. Het waren bijna allemaal afscheidsbezoeken. De meeste van onze vrienden verblijven momenteel in Frankrijk.

Ik had er zo naar uitgekeken je terug te zien, mijn lieve René. ‘Zuster Anne’ heb ik evenmin zien arriveren! Wat betreft het document dat ik voor jou wou verkrijgen, ook daarin ben ik niet geslaagd. Al mijn démarches zijn uitgelopen op een grote fiasco. Indien je toch tot hier zou geraken, wacht dan in het Jagershof. Laat daar een van die jonge kereltjes me verwittigen, hij zal je daarna een vrijgeleide meebrengen. De heren die daarover gaan, hebben me verzekerd dat ze in dergelijke omstandigheden er wel een kunnen afleveren. Ik vraag me echter af of je nog wel tot hier kunt komen. Ik vrees dat je ondertussen veel te ver weg bent?

Hier gaat alles goed, maar de opwinding is intens…
Ik kan je verzekeren dat er geen tijd verloren gaat! Onze nieuwe gasten – die ik je helaas niet bij naam mag noemen (en van wie de overste vaak genoemd is bij de Somme) zijn zonder uitzondering bijzonder charmant. Afgelopen zaterdag hebben ze ons een heerlijk diner aangeboden en ons alleraardigst ontvangen. Vorige week woensdag hebben we de dag doorgebracht bij onze ‘anciens’ die ondertussen in Frankrijk zijn. Ik heb me laten vertellen dat ik de bestellingen die je nodig hebt, gewoon kan opsturen wanneer ik als afzender maar een soldaat of een officier vermeld. Maar misschien is het toch wel makkelijker om je boodschappen te laten bezorgen door commandant Van Tilt in het hoofdkwartier? Daar gaat hij toch wekelijks heen. Misschien ben jij wel in de gelegenheid om ze daar op te pikken? Indien niet, dan zal ik het vragen aan de chauffeur van de deken van Ieper. Mijnheer Simons laat hem al zijn boodschappen leveren.

Men roept me, lieve René. Ik moet gaan. Tot weldra, hoop ik?
In afwachting omhels ik je met al mijn liefde.

Tante Maria

Heel veel groeten van ons allen aan je vriend Van Pée.

Cécile, 19 juni 1917

Remi, waar ben je? Ben je overgeplaatst? Ben je nog op je boerderij? Laat me snel iets weten, want deze onzekerheid is een marteling. Het is het zoveelste bewijs dat ze nog erger zijn dan een zotte wind, die Duitsers; ze veranderen van gedachten van het ene moment op het andere. Wat vind je bijvoorbeeld hiervan: opeens is het verboden om Duitse soldaten boter en eieren te verkopen. Een landbouwer die weigert om die zaken te verkopen aan een mof, is dus opeens NIET meer strafbaar. Hij is strafbaar als hij wél boter en eieren verkoopt. Wie kan daar nu nog aan uit?! Het is een idee van de heer Mühler, die zo te zien Prasse vervangen heeft. Nog zo’n geniaal idee: persoonlijke bezittingen van gesneuvelde soldaten van het Duitsvijandelijke leger (het Belgische dus) moeten ingeleverd worden bij de Etappenkommandantur. Het gaat om medailles, soldatenboekjes, andere persoonlijke nalatenschappen, zaken die de achtergebleven familie net zoveel troost bieden. Gemeen, noem ik dat. Ook de boetes zijn hardvochtig: 3000 Mark en tot 3 maanden gevangenisstraf. Voor wat troost. Voor wat balsem op de wonde. En dan verschieten ze ervan dat we hen niet groeten met onze breedste glimlach als zij met hun laarzen voorbij komen dreunen. Mijn breedste glimlach bewaar ik voor jou, Remi. Voor het moment dat we elkaar weerzien. Door mijn tranen heen zal ik zo breed lachen als mijn mond me toestaat. Laat dat moment vlug aanbreken. Meer verlang ik niet.

Remi, 5 juni 1917

Mijn liefste Cécile,

heel erg bedankt voor het postpakket dat je me hebt gestuurd. Het is me in goede staat overhandigd en wat erin zit, zal zeker van pas komen. Alleen al de gedachte dat die worst en die pot gelei en dat hemd door jouw handen zijn aangeraakt, vervult me met een gevoel van geluk. Ik wou dat ik jou meer kon sturen dan een postkaart om je mijn dankbaarheid en mijn liefde te tonen.

Ik ben hier nu zo’n maand of vier en ondertussen ken ik al wat Duits. Zo heb ik kunnen opvangen dat ik waarschijnlijk niet zo heel erg lang meer op deze boerderij zal verblijven. Als ik het goed heb begrepen word ik binnenkort overgeplaatst. De boer maakte zich kwaad toen hij het nieuws vernam, maar of dat wat zal uithalen, valt te betwijfelen. En mij zullen ze ook niet om mijn mening vragen. Als het dus even duurt voor je weer van me hoort, wanhoop dan niet, mijn liefste, en denk niet meteen het ergste. Zodra ik meer weet, breng ik je op de hoogte. Nu moet ik je laten, maar niet zonder je eerst in gedachten omhelsd te hebben.

Remi

 

Cécile, 22 mei 1917

Liefste Remi,

de mooie meimaand is al flink gezet, maar vrolijk of zonnig voel ik me nog steeds niet. Ik mis je. Ik zou zo graag met je door het dorp wandelen, en de paden naar de velden inslaan. Ik zou je zo graag horen pochen over hoe schoon Hof ter Saksen er bij staat, en je ideeën aanhoren over hoe jij het zou aanpakken om het park er op zijn best te doen uitzien. Ik hoop dat je op die boerderij je hart kunt ophalen aan al wat de natuur aan moois te bieden heeft; hopelijk put je daar troost uit, want van de mensen moeten we niet veel meer verwachten. Ik vind het erg dat ik dat moet zeggen, en ik vind het ook erg dat ik het niet kan, troost putten uit het schoons dat er wel nog is. Komt het omdat jij niet bij me bent, of komt het omdat hier nooit iets verandert? Prasse, de Oberstleutnant en Kommandant van de Kommandantur van Lokeren, is als een donkere onweerswolk op een zonnige meidag. Hoe die zich weert! Nu was het weer omdat op verschillende affiches en bekendmakingen zijn naam doorgehaald wordt – best grappig eigenlijk, maar ons heertje is zo op zijn lange tenen getrapt dat hij “ook de betere elementen van de bevolking” op hun plicht wijst om te helpen om de dader(s) van zo’n schandalig gedrag op te sporen. Worden er geen daders gevonden, dan zal de hele gemeente gestraft worden. Ik ben al bang wat hij gaat verzinnen als hij te weten komt dat niet alle herbergen hun klok aangepast hebben aan het door hem opgelegde zomeruur. Dat is op 16 april ingegaan en zal duren tot 17 september, en alle openbare klokken, dus ook die in gemeentehuizen en op kerktorens en in herbergen, moeten het Duitse zomeruur aangeven. Ik hoef je niet te vertellen dat niet iedereen die regel volgt. Maar wat me misschien nog het droevigst van al stemt, is dat ook wij niet helemaal vrijuit gaan. Zo zijn er twee mannen veroordeeld – twee Belgen – die zogezegd volle melk leverden aan de melkerij; nu blijkt dat die melk vermengd was met magere melk en zelfs met water. Maar het kan ook erger: naar het schijnt zijn er die er niet voor terugdeinzen om kalk door water te mengen, zodat het melk lijkt. Als ik zoiets hoor, zie ik die arme doetjes hier in het dorp voor me, en hoe blij ze zijn als ik hen een beker melk aanreik. Soms moet ik me er echt toe forceren om in de mensheid te blijven geloven, Remi. Het helpt als ik dan aan jou denk. Houd je goed, daar ver van me vandaan. En vergeet me niet.

Altijd de jouwe,

Cécile

De gasaanval op de Lovie (Nachten van Cortewalle 2015)

Een scène uit de Nachten van Cortewalle, 2015. Commandant Van Tilt (rol Hugo Piqueur) alarmeert de slapende kasteelbewoners. (Foto Gerry Smet)

Een scène uit de Nachten van Cortewalle, 2015. Eén van de dienstmeisjes (rol Greet Mathys) is onwel geworden door de gasaanval. (Foto Gerry Smet)