Brieven WOI

Gravin Maria, 25 april 1917

Mijn lieve René,

Duizendmaal dank voor je brief van 17 april die me heel veel plezier zou gedaan hebben, indien je niet vertrek had aangekondigd … Ik hoop in ieder geval dat de gebeurtenissen je snel naar onze buurt brengen.
Commandant van Tilt zal je een laisser passer bezorgen na 1 mei: er is een absoluut verbod afgekondigd om voor die datum doorgangsbewijzen uit te schrijven.
Afgelopen zondag hebben de gendarmes de bossen en de velden uitgekamd, of beter ze hadden opdracht gekregen ze uit te kammen, om iedereen aan te houden die zich op kleine wegen en wegels bevond … Desondanks hebben wij hopen Belgische soldaten gezien op weg naar Pop(eringe) … Belachelijk! Het is alsof men een heilige schrik heeft om in een gevecht betrokken te geraken…
Benoit heeft me een brief geschreven waarin hij vertelt dat hij geen toelating krijgt om naar Folkestone te vertrekken. Ik heb hem uitgenodigd om enkele dagen hierheen te komen. Me dunkt dat hem dat goed zal doen… tenminste als hij hier niet in een gasaanval terechtkomt zoals vorige zondag! Het hele huis stond in rep en roer. Gegil, gekrijs, heren die alarm sloegen … in nachtgewaad. Drie dienstmeisjes die nog in de keuken waren, zijn ernstig getroffen, met zwaar braken tot gevolg. Een van hen ligt nog steeds ziek te bed. Een twintigtal soldaten ligt in het ziekenhuis. De generaal is van plan iedereen een gasmasker te geven en zal demonstreren hoe we dat dienen te gebruiken. En dat is geen grap!
Zeg aan je vriend Mr. Van Pée dat het ons veel plezier heeft gedaan hem te ontmoeten: hij is zeer charmant. Wij bewaren de beste herinneringen aan hem.
Mijn lieve René, tot heel binnenkort hoop ik. Laat me je in afwachting omhelzen.

Je toegewijde tante Maria

P.S. De kleine François doet me heel erg lachen: hij wil absoluut een van mijn kleine zakdoekjes hebben. Op die manier heeft hij een aandenken aan mama wanneer ze naar de oorlog vertrekt! Wat denk jij van dat idee?

Remi, 17 april 1917

Mijn liefste Cécile,

ik kan je niet genoeg bedanken voor je postkaart met zoveel lieve groeten van jou en Marie. Je hebt er geen idee van hoe zo’n simpele kaart me de kracht geeft om door te zetten en van mijn tijd hier in Duitsland het beste te maken. Ook ik heb je een postkaart gestuurd, gisteren. Ik kon niet anders dan goed nieuws op de achterkant schrijven, omdat ik weet dat de censuur mee leest. Het gaat ook goed met me, gezien de omstandigheden, maar natuurlijk zou ik veel liever in Beveren zijn, bij jou. We moeten hard werken op de boerderij en daar zit ik niet mee, het geeft me minder gelegenheid om te piekeren. De boer en boerin zijn correct tegen ons. De boer heeft maar één arm – de andere heeft hij moeten achterlaten in een lazaret aan het front nabij Ieper. Ook hun zonen zijn aan het front, de ene in de streek rond Verdun, de andere in het grensgebied tussen Oostenrijk en Italië. Soms bekijkt de boerin ons met een blik alsof dat onze schuld is, maar meestal gaat ze ons uit de weg. Je zou er versteld van staan, Cécile, als je zag welk gebrek de Duitsers lijden. Ik heb het over de gewone mensen, de mensen zoals jij en ik, die deze oorlog ook niet willen. Ik denk dat ze het hier met nog minder moeten stellen dan jullie in bezet België; daar is het Komiteit actief en al die andere liefdadigheidsinstellingen. Hier niet. En ook hier eist het leger van alles op. Begrijp me niet verkeerd, Cécile, het is geen medelijden dat ik voel voor Duitsland. Maar gemakkelijk hebben zij het ook niet, dat is alles wat ik wil zeggen. En ook hier missen ze hun jongens en staan ze elke dag doodsangsten voor hen uit. De mannen die deze oorlog wel hebben gewild en nu van geen wijken willen weten, zullen heel wat uit te leggen hebben als dit allemaal achter de rug is. Maar hoor mij nu! In plaats van je te zeggen hoeveel ik van je hou, klets ik maar wat uit mijn nek. En deze brief zal je toch nooit lezen. Maar ik beloof je: zodra ik kan, stuur ik je een nieuwe kaart, mijn liefste. Vol ongeduld wacht ik ondertussen op nieuws van jou.

Cécile, 3 april 1917

Mijn lieve Remi,

ik ben zo blij dat het goed met je gaat. Ik weet wel dat je niet kunt schrijven wat je echt wilt, maar ik dwing me ertoe om te geloven dat wat je op je postkaart schreef ook echt zo is. Zo houd ik deze ongerustheid vol, mijn liefste; maar ooit komt hier een einde aan, ook dat wil ik zo graag geloven. Ik heb je net nog een postkaart gestuurd, een officiële. Ik bedacht dat we een geheimtaal hadden moeten afspreken, zodat we vrijuit konden schrijven wat we wilden. Zo zou ik je verteld hebben dat onze nieuwe Oberstleutnant en Kommandant van de Kommandantur Lokeren, de zeer doorluchtige heer Prasse, bekend heeft gemaakt dat hij het nachtlawaai meer dan beu is. Volgens hem gedraagt een deel van de bevolking zich na zonsondergang bijzonder luidruchtig, en als dat roepen en schreeuwen zo blijft doorgaan, dreigt hij ermee te verordenen dat niemand zich nog na zeven uur ’s avonds buitenshuis mag begeven. Ook heeft hij beslist dat opgeëiste burgerarbeiders maar één postkaart per week mogen schrijven of ontvangen. Het moet een postkaart van tien centiem zijn. Het gemeentebestuur moet ze verzamelen en één keer per week doorsturen naar de Etappenkommandantur, die ze op haar beurt zal verzenden, als er een duidelijk adres bij staat. Dat ze de postkaarten eerst aandachtig zullen bestuderen voor ze die doorzenden, stond er niet bij die bekendmaking, maar dat is ook niet nodig, dat weet iedereen. En heb je al gehoord dat er tegenwoordig aan elk huis een lijst moet hangen met alle bewoners van het huis? Je ziet, Remi: ze hebben hun kuren nog niet verleerd. Ik hoop dat het in Duitsland anders is, en dat ze jou er goed behandelen. Kon ik maar naar je toe. Maar weet dat ik met elke kaart die ik stuur een stukje van mijn hart mee zend, Remi. Ook nu weer.

Je Cécile

gravin Maria – 21 maart 1917

 

Mijn lieve René,

Duizend maal dank voor je lange brief van 1 maart die ik niet eerder heb kunnen beantwoorden omwille van de voorbereidingen van het feest van de heilige Jozef.Dit jaar heb ik de hele organisatie op mij moeten nemen. Mijnheer Simons is hier niet langer om me te helpen. Enfin, het belangrijkste is dat ondanks alles, het feest goed is verlopen en dat je oom tevreden was.

Om een pakje naar ons te versturen, gebruik je bij voorkeur het adres van de chauffeur van de Eerwaarde Deken van Ieper, die hier heel dichtbij woont. Hier heb je zijn adres:

Mr. Remi Halsberghe
militair chauffeur van Mgr. Debrousser
Vogeltje – Poperinge

Volgens mij zal je pakje op deze manier ongehinderd kunnen arriveren en de jonge man in kwestie zal het zonder verwijl bij ons komen afleveren.

Benoit heeft ons een kort briefje gestuurd uit het ziekenhuis van Eu, maar ook daarop heb ik nog niet kunnen antwoorden; de arme jongen heeft het wel erg zwaar te verduren gehad onder die zware weefselontsteking!
Je foto en je brief zijn al geruime tijd naar België vertrokken, maar ik heb van tante Marie-Thérèse nog geen reactie ontvangen – uiteraard in de veronderstelling dat onze vermaledijde brieven niet getorpedeerd zijn!
Tante Phina heeft je ongetwijfeld op de hoogte gebracht van de geboorte van haar zevende zoon? We zijn gelukkig dat het zo goed gaat met haar, evenals met de kleine Emmanuel.

Ik houd ermee op, mijn lieve René. In afwachting van je nabije komst omhels ik je met heel mijn hart.

Je tante Maria – met veel haast –

Remi, 13 maart 1917

Dag Cécile,

ik wil je even laten weten dat ik niet langer in dat kamp ben waar ik je in mijn vorige brief over geschreven heb – ik hoop dat je die brief gekregen hebt. Ik ben overgeplaatst en ben, samen met een andere jongen van mijn leeftijd, toegewezen aan een boerderij. Al met al is dat een geluk, denk ik; ik had het heel wat erger kunnen treffen. Het ziet er hier goed uit en de boer en de boerin lijken op het eerste gezicht mee te vallen. Toen we hier toekwamen, een uur geleden, kregen we meteen een stuk brood en wat soep. Waterige soep, dat wel, maar het is beter dan niks. Nu hebben we een half uur om ons te installeren op onze kamer – een stuk van de hooizolder; straks beginnen we te werken. Ook Ward lijkt mee te vallen – dat is de jongen die samen met mij naar hier gekomen is; ik hoop dat we vrienden kunnen worden. Ik moet afsluiten nu, Cécile, maar ik beloof je dat ik je zal schrijven zo vaak als ik kan. Als jij mij zou willen schrijven: het adres staat op de achterkant. Het zou me heel blij maken nieuws van je te ontvangen, meer dan je je kunt inbeelden.

Je trouwe vriend Remi

Cécile, 6 maart 1917

Mijn lieve, lieve Remi,

tegen beter weten in schrijf ik je deze brief. Hij zal je nooit bereiken; ik heb immers geen adres om hem naar toe te sturen. Als bij wonder heb ik jouw brief wél ontvangen. Gisterenavond; opeens lag hij onder de deurmat. Je hebt geen idee hoe ik heb zitten huilen, de hele avond lang, en deze ochtend samen met Marie. Sinds je weg bent, ga ik dagelijks bij haar langs. Ze is altijd zo vriendelijk, en wat kan ze me goed opbeuren, al knijpt haar maag ook samen als ze aan jou denkt. We zouden er alles voor geven om te weten hoe het nu met je gaat en waar je bent. Laat je ons zo snel mogelijk je verblijfplaats weten, dan kunnen we je pakketten opsturen, dat mag, daar hebben we al naar geïnformeerd. Je ziet, we zijn je niet vergeten, Remi, en dat zullen we niet gauw doen ook. Nu je er niet meer bent, ben ik pas echt gaan beseffen wat ik voor je voel. Ik zie je graag, Remi. En Marie ook, op haar manier. Daarom laten we je niet aan je lot over, denk dat maar niet. Alles wat in ons bereik ligt, zullen we doen voor jou. En jij moet sterk zijn, en de moed niet laten zakken. Doe het voor ons, maar ook en vooral voor jezelf. En kom dan alsjeblieft heel gauw, maar vooral gezond en wel, bij me terug.

Je Cécile

Gravin Maria, 20 februari 1917

Mijn lieve René

Gisteren ontving ik een brief van tante Phina uit Folkestone en aangezien ik verwacht dat jij zeer binnenkort het kamp verlaat om naar Criel te vertrekken, breng ik je nog snel op de hoogte van de laatste nieuwsjes uit Engeland. Voor zover ze die niet zelf heeft geschreven, uiteraard.
Je lieve broer Ben ligt in het ziekenhuis van Eu, al sinds 5 februari. Ben jij hiervan op de hoogte? Hij is geopereerd, maar het is onduidelijk waaraan. Tante Phina en ikzelf maken ons zorgen over zijn toestand, hoewel hij nergens over klaagt. Hopelijk herstelt hij snel, en gunt de legerleiding hem daarvoor voldoende tijd. Als hij zin heeft, mag hij zowel hier, in de Lovie, als in Folkestone bij tante Phina komen herstellen.
Florimond wil nog steeds naar het front vertrekken in het voorjaar, maar zijn vader heeft nog geen beslissing genomen. Bij ons lijkt het er op dat Raymond toch eerst zijn humaniora wil afwerken. Laat ons hopen!
Tante Phina heeft in Folkestone twee maal bezoek gekregen van vader Dierickx van Scheut. Ze heeft zelfs aangeboden hem te assisteren bij een retraite voor dames.

Zo, hiermee ben je weer bijgepraat. Breng je me op de hoogte wanneer je meer informatie hebt over de toestand van Benoit?
Lieve René, de hele familie bidt voor je veiligheid en die van Benoit. Ik omhels je duizendmaal, en je krijgt evenveel zoenen van je oom en neven en nichten.

Veel liefs
tante Maria

Remi, 13 februari 1917

Liefste Cécile,

uit de grond van mijn hart hoop ik dat deze brief je bereikt, al besef ik dat de kans daarop eerder klein is. Ik schrijf het, omringd door ik weet niet hoeveel andere mannen en jongens, in een kamp ergens in Duitsland. Ze hebben me opgepakt, Cécile. Hoe ik ook protesteerde en volhield dat ik als knecht werkte voor je oom Henri, het bracht niks op. Ze luisterden niet eens. Ze stampten ons gewoon in een ijskoude veewagon en daar gingen we. Drie dagen en nachten duurde de treinreis. Onderweg stopten ze ons af en toe iets te eten of te drinken toe, maar voor de rest was het behelpen. We hadden geen emmer voor onze behoeften, geen stro om op te slapen, niks om ons te verwarmen. Je kunt je voorstellen hoe sommigen eraan toe waren toen we eindelijk uit die wagon mochten. Over mij moet je je geen zorgen maken; ik kan tegen een stootje en de gedachte aan jou houdt me overeind. Waar ik ben, weet ik niet. Ergens in Duitsland, ja. Ik hoor zeggen dat ze ons gaan sorteren en dat we dan verspreid gaan worden. Gelukkig kan ik van een van de mannen hier een velletje papier en een stompje potlood gebruiken. Er wordt gezegd dat ze onze brieven zullen versturen. Ik hoop het maar, Cécile. Hopelijk bereiken deze woorden jou in Beveren, waar mijn hart is achtergebleven.

Jouw Remi

Cécile, 30 januari 1917

Eléonore,

ik ben bang. Voor Remi. Het was al enkele dagen geleden dat ik hem nog had gezien of gehoord, en daarom ben ik vanochtend naar Marie gegaan. Eerst durfde ik niet goed; ik weet dat hij betrokken is bij brievensmokkel en ik wilde niks in de war sturen of hem door mijn vragen in gevaar brengen. Maar van die onzekerheid kneep mijn hart zo samen. Was hij opgepakt omwille van die smokkel? Was hij ondergedoken? Of was hij net als zoveel andere jonge mannen zonder pardon de trein opgezet en weggevoerd om voor de Duitsers te gaan werken? Maar hij had toch werk? Om van die onzekerheid af te geraken ben ik dus naar Marie gegaan. En zij vertelde het me: Remi is opgepakt en weggevoerd. “Maar hij had toch werk?” riep ik uit. Ook hij was er gerust in toen ze hem opriepen, zei Marie. Maar na de verplichte aanmelding is hij niet naar huis gekomen. Nonkel Henri is naar hem gaan informeren bij de moffen, maar die stuurden hem wandelen. Ondertussen zijn er drie dagen voorbijgegaan en in al die tijd heeft niemand ook maar iets van hem gehoord. Waar is hij toch? En hoe is hij eraan toe? Wanneer zie ik hem terug? Zie ik hem ooit terug? Liet hij maar iets weten! Nu pas besef ik wat families met een soldaat aan het front moeten doormaken. Aan niks anders kan ik nog denken, alleen aan hem. Het maakt de vreselijke kou deze winter nog eens zoveel kouder. Eén klein teken van leven, meer wens ik mezelf niet toe op dit ogenblik. Maar laat dat dan in godsnaam vlug gebeuren, voor ook mijn hart helemaal verkilt.

Cécile

Cécile, 16 januari 1917

Mijn beste zus,

wat kan ik je vertellen nu er weer een nieuw jaar aangebroken is? Vanuit de grond van mijn hart wens ik je het allerbeste. En ons ook, al zie ik niet meteen veel beterschap in onze situatie. De Duitsers zijn hier nog steeds heer en meester. Ze nemen ons nog steeds alles af: ons voedsel, onze kleren, onze wollen dekens, noem maar op. En nu hebben ze hun klauwen ook nog uitgeworpen naar onze mannen. Soms ben ik zo bang voor Remi; gelukkig heeft hij werk. Maar evengoed is het kop in kas of we gaan eraan. En anders vriezen we wel dood. Ik denk dat we de strengste winter in jaren meemaken. Elke nacht vriest het vele graden en ook overdag komt de temperatuur amper boven nul uit. Papa is oude papieren aan het opstoken zodat we het toch maar een beetje warm krijgen in huis. Mama hoest zich de longen uit het lijf; ze is fel vermagerd de laatste tijd, ik hoop maar dat ze niet ziek wordt. Ik heb me ook niet zo best gevoeld de laatste weken, ik had zelfs geen puf om je te schrijven of om er met Remi op uit te trekken. Nee, Eléonore, we zitten op ons tandvlees, in meerdere opzichten. Hopelijk komt er snel beterschap.

Cécile