Mijn lieve René
Hoe is je terugreis verlopen? Goed mag ik hopen? Wij waren zo gelukkig om je enkele dagen in ons midden te hebben, terwijl we nu betreuren dat die fijne dagen zo snel om waren.
Je hebt ongetwijfeld al vernomen dat de bombardementen op Poperinge maandagavond opnieuw zijn begonnen. Ze zijn de afgelopen dagen zeer gewelddadig geweest en ze houden maar niet op… voor geen ogenblik. Ik hoor die dodelijke granaten fluiten tot hier, achter mijn schrijftafel …
Maandag waren de kinderen net naar Poperinge vertrokken, maar ze zijn er niet aangekomen. Mademoiselle, Lilly, Linette en Gitta hadden net de stadsrand bereikt toen de aanval begon. Ze zijn onmiddellijk teruggekeerd. Mijnheer Simons en Baudouin Montens bevonden zich in het gevaarlijkste gedeelte van de stad, maar hebben het niet nodig geacht in een kelder te gaan schuilen. Helaas zijn er zoals steeds veel slachtoffers te betreuren, deze keer echter relatief weinig burgers.
Raymond en Joseph hebben me geschreven dat ze de 27ste naar huis komen. Ze zitten nu middenin de examenperiode en hebben geen tijd om aan hun correspondentie te werken. Gelukkig is Raymond hersteld van zijn ziekte maar hij vervloekt die drie weken die hij in het ziekenhuis heeft doorgebracht. Hij heeft er kostbare (studie)tijd verloren.
Baudouin Montens heeft ons het bezoek aangekondigd van twee hoge gasten die verbonden zijn aan de Belgische artillerie. Blijkbaar gaat het over de twee prinsen van Bourbon-Parma (1) die de P.v.W. (2) willen ontmoeten. Ik heb me laten vertellen dat ze heel charmant én bescheiden zijn.

Edward, de jonge prins van Wales, achter het front.
Ik moet mijn brief afronden, mijn lieve René. Je oom en je neven en nichten laten je groeten. Ikzelf omhels je met al mijn liefde.
Tante Maria
Verklaringen:
(1) Sixtus (1886-1934) en Xavier (1889-1977), prinsen van Bourbon-Parma, waren leden van een politiek verdeeld hoogadellijk huis. Hun zus Zita was de laatste Oostenrijkse keizerin (1892-1989) en twee van hun broers streden tijdens de Eerste Wereldoorlog in het Oostenrijkse leger. Sixtus en Xavier dienden aan de geallieerde zijde in het Belgische leger.
(2) P.v.W. (vertaling van Pce d.G.) staat voor de Prins van Wales. De Britse kroonprins Edward (1894-1972) diende tijdens de Eerste Wereldoorlog achter het front. Hij verbleef tussen mei en juli 1916 met het 14de legerkorps op het domein van het kasteel de Lovie.
Neem nu vorige week, toen Marie confituur wilde maken. Ze heeft een rode bessenstruik op haar koertje en die hing vol. Nu moet het lukken dat burgemeester Pypers op datzelfde moment een bekendmaking liet uithangen voor het aanvragen van suiker voor het maken van confituur. Wij blij toen we het hoorden natuurlijk – tot we die affiche lazen. Toen dachten we: laat maar zo; het was de eerste keer dat Marie confituur wilde maken, dus aan de eerste voorwaarde konden we al niet voldoen. Waarom maken we het elkaar toch zo moeilijk, vraag ik me dan af. Nou ja, ik weet wel waarom, rantsoenering enzo, maar toch. Dat zijn van die zaken die door mijn hoofd spoken als ik langs onze sluiproutes wandel en zie hoe schoon onze velden en paden en bossen erbij liggen deze zomer – zolang er geen moffen in de buurt zijn tenminste. Ook aan Cécile denk ik dan, en hoe het zou zijn om daar met haar te lopen. Vind je dat gek? Misschien moet ik haar eens vragen of ze mee wil; wie weet stemt ze toe.
Twee weken geleden hing er nog een bekendmaking uit van de veroordeling van twee burgers omdat ze duiven bezaten. En in Haasdonk alleen al zijn er tussen 26 mei en 2 juni (op een week tijd dus!) 7 personen veroordeeld. Het stond in de gazet, met naam en toenaam: C. De Ben, A. De Moor en E. Staenssens zijn veroordeeld tot 6 weken gevangenis voor het omhakken van een populier die niet van hen was. P. Jacobs kreeg 4 weken gevangenis voor een verboden grensoverschrijding, terwijl datzelfde vergrijp A. Bastiaenssens 2 maanden hechtenis opleverde. En Ph. De Jardin werd veroordeeld tot 3 weken gevangenis voor verboden briefvervoer; Marie De Beule-Beets kreeg daar 4 weken hechtenis voor. (Waarom de namen van de mannen afgekort werden en die van de vrouw voluit, weet ik niet – dat veronderstel ik tenminste.) Ik hoop maar dat geen van mijn brieven op die manier onderschept is. Of een van jou. Je ziet maar hoe gevaarlijk het is. En de mensen zijn het zo beu, Eléonore; zelfs aan het grootste geduld komt vroeg of laat een einde. Ik heb het gevoel dat ik niets anders doe dan wachten. Op brieven. Op nieuws. Op jou.
Maar daarvoor heb ik Remi nodig. En die krijg ik dus maar niet te pakken. Onnozel word ik ervan. Gelukkig stel jij het goed. Al is het daar nogal een begankenis waar jij zit. Je zou het hier moeten zien. Onlangs nog liet burgemeester Pypers alle herbergen sluiten tussen 9 en 12 uur (torenuur, dus het uur van de moffen, niet het Belgische uur) omdat de weerbare mannen zich moesten gaan melden. Mochten ze zich niet eens moed indrinken voor ze zich door die pinnen moesten laten keuren. Ja, hoor mij, zoiets zou ik vroeger nooit gezegd hebben. Maar het is toch waar zeker. Hoe ze zo moeilijk kunnen doen. En hoe ze de burgemeester zo naar hun pijpen laten dansen. Maar nu ga ik weer op wacht zitten. Voor Remi. Ooit krijg ik hem te pakken, je zult wel zien.