Beveren Bezet

Gravin Maria, 14 Juli 1916

Mijn lieve René

Hoe is je terugreis verlopen? Goed mag ik hopen? Wij waren zo gelukkig om je enkele dagen in ons midden te hebben, terwijl we nu betreuren dat die fijne dagen zo snel om waren.
Je hebt ongetwijfeld al vernomen dat de bombardementen op Poperinge maandagavond opnieuw zijn begonnen. Ze zijn de afgelopen dagen zeer gewelddadig geweest en ze houden maar niet op… voor geen ogenblik. Ik hoor die dodelijke granaten fluiten tot hier, achter mijn schrijftafel …
Maandag waren de kinderen net naar Poperinge vertrokken, maar ze zijn er niet aangekomen. Mademoiselle, Lilly, Linette en Gitta hadden net de stadsrand bereikt toen de aanval begon. Ze zijn onmiddellijk teruggekeerd. Mijnheer Simons en Baudouin Montens bevonden zich in het gevaarlijkste gedeelte van de stad, maar hebben het niet nodig geacht in een kelder te gaan schuilen. Helaas zijn er zoals steeds veel slachtoffers te betreuren, deze keer echter relatief weinig burgers.

Raymond en Joseph hebben me geschreven dat ze de 27ste naar huis komen. Ze zitten nu middenin de examenperiode en hebben geen tijd om aan hun correspondentie te werken. Gelukkig is Raymond hersteld van zijn ziekte maar hij vervloekt die drie weken die hij in het ziekenhuis heeft doorgebracht. Hij heeft er kostbare (studie)tijd verloren.

Baudouin Montens heeft ons het bezoek aangekondigd van twee hoge gasten die verbonden zijn aan de Belgische artillerie. Blijkbaar gaat het over de twee prinsen van Bourbon-Parma (1) die de P.v.W. (2) willen ontmoeten. Ik heb me laten vertellen dat ze heel charmant én bescheiden zijn.

Edward, de jonge prins van Wales, achter het front.

Edward, de jonge prins van Wales, achter het front.

Ik moet mijn brief afronden, mijn lieve René. Je oom en je neven en nichten laten je groeten. Ikzelf omhels je met al mijn liefde.

Tante Maria

Verklaringen:
(1) Sixtus (1886-1934) en Xavier (1889-1977), prinsen van Bourbon-Parma, waren leden van een politiek verdeeld hoogadellijk huis. Hun zus Zita was de laatste Oostenrijkse keizerin (1892-1989) en twee van hun broers streden tijdens de Eerste Wereldoorlog in het Oostenrijkse leger. Sixtus en Xavier dienden aan de geallieerde zijde in het Belgische leger.

(2) P.v.W. (vertaling van Pce d.G.) staat voor de Prins van Wales. De Britse kroonprins Edward (1894-1972) diende tijdens de Eerste Wereldoorlog achter het front. Hij verbleef tussen mei en juli 1916 met het 14de legerkorps op het domein van het kasteel de Lovie.

 

Remi, 4 juli 1916

Ik ben er niet meer gerust in, Stan. Onlangs zijn in Haasdonk twee personen veroordeeld voor verboden briefvervoer. Drie en vier weken gevang. Dat is niet niks, hè. Ik ken hen niet; ik wist niet dat zij zich hier ook mee bezig hielden. Zo zie je maar met hoeveel we zijn en hoe slecht we elkaar kennen. Wie weet werken we voor hetzelfde netwerk; dat kan best. In elk geval: ik zal extra voorzichtig moeten zijn nu. Ermee stoppen kan ik niet; eens je erin zit, kan je er niet meer uit. En ik doe het graag. Omdat ik iets goeds doe voor de mensen. Omdat het zo bevrijdend werkt om langs die wegels en die prachtige polderwegen van ons te lopen. Onder de bomen, tussen de zingende vogels en de ritselende diertjes op de grond, zou je haast vergeten dat het oorlog is. Het leven lijkt er zo simpel.suiker voor confituur 28 juni 16 Neem nu vorige week, toen Marie confituur wilde maken. Ze heeft een rode bessenstruik op haar koertje en die hing vol. Nu moet het lukken dat burgemeester Pypers op datzelfde moment een bekendmaking liet uithangen voor het aanvragen van suiker voor het maken van confituur. Wij blij toen we het hoorden natuurlijk – tot we die affiche lazen. Toen dachten we: laat maar zo; het was de eerste keer dat Marie confituur wilde maken, dus aan de eerste voorwaarde konden we al niet voldoen. Waarom maken we het elkaar toch zo moeilijk, vraag ik me dan af. Nou ja, ik weet wel waarom, rantsoenering enzo, maar toch. Dat zijn van die zaken die door mijn hoofd spoken als ik langs onze sluiproutes wandel en zie hoe schoon onze velden en paden en bossen erbij liggen deze zomer – zolang er geen moffen in de buurt zijn tenminste. Ook aan Cécile denk ik dan, en hoe het zou zijn om daar met haar te lopen. Vind je dat gek? Misschien moet ik haar eens vragen of ze mee wil; wie weet stemt ze toe.

Cécile, 27 juni 1916

Met al dat gedoe met die brieven zou ik nog vergeten dat er meer is dan mijn eigen, kleine oorlog. Zo was papa onlangs absoluut niet te spreken over het feit dat opperbevelhebber von Württemberg de provinciale verkiezingen in Oost- en West-Vlaanderen heeft laten afgelasten en de mandaten in de Bestendige Deputatie heeft laten verlengen. “Die dansen dan allemaal naar zijn pijpen,” zei papa misnoegd, “dat kan haast niet anders.” Het is trouwens de eerste keer dat ik papa zo weet reageren; hij is altijd nogal “meegaand” geweest, vond ik. Hij moet het wel echt beu zijn dat hij zijn mond niet meer kan houden. Dat hij maar oppast en zijn ongenoegen niet te luid ventileert. Je krijgt voor minder een kogel door je kop. veroordelingen van burgersTwee weken geleden hing er nog een bekendmaking uit van de veroordeling van twee burgers omdat ze duiven bezaten. En in Haasdonk alleen al zijn er tussen 26 mei en 2 juni (op een week tijd dus!) 7 personen veroordeeld. Het stond in de gazet, met naam en toenaam: C. De Ben, A. De Moor en E. Staenssens zijn veroordeeld tot 6 weken gevangenis voor het omhakken van een populier die niet van hen was. P. Jacobs kreeg 4 weken gevangenis voor een verboden grensoverschrijding, terwijl datzelfde vergrijp A. Bastiaenssens 2 maanden hechtenis opleverde. En Ph. De Jardin werd veroordeeld tot 3 weken gevangenis voor verboden briefvervoer; Marie De Beule-Beets kreeg daar 4 weken hechtenis voor. (Waarom de namen van de mannen afgekort werden en die van de vrouw voluit, weet ik niet – dat veronderstel ik tenminste.) Ik hoop maar dat geen van mijn brieven op die manier onderschept is. Of een van jou. Je ziet maar hoe gevaarlijk het is. En de mensen zijn het zo beu, Eléonore; zelfs aan het grootste geduld komt vroeg of laat een einde. Ik heb het gevoel dat ik niets anders doe dan wachten. Op brieven. Op nieuws. Op jou.

E.H. De la Croix, 20 juni 1916

Het is alweer enige tijd geleden dat ik u nog een bericht stuurde, waarde lezer. Hier in Haasdonk gebeurt niet meer zoveel, het leven gaat hier zijn bezette gang. Ik hang dus af van informatie die me van elders uit onze streek bereikt. Dat is niet eenvoudig, altijd clandestien, zonder dat de Duitsers hiervan lucht krijgen en steeds onregelmatig.

Deze week is mij ter ore gekomen dat in het uitgesperde gedeelte van Prosperpolder alle weerbare mannen – dat zijn diegene tot de leeftijd van 45 jaar – zich om de twee weken bij de Duitsers moeten aanmelden. Ze moeten hun eenzelvigheidsbewijs meebrengen om te laten afstempelen. Die controle dient om te beletten dat die mannen via Holland het Belgische leger zouden proberen te bereiken.
Met de voedselvoorziening is het er erbarmelijk gesteld. De parochianen van confrater Van Haelst mogen niets invoeren vanuit Holland. Daarom is er een plaatselijk Comiteit opgericht waarlangs alles moet geschieden. De mensen vragen zich werkelijk af waarom den elektrieken draad verplaatst is, in februari. De boeren kunnen hun Hollandse akkers bewerken, dat wel, maar verder ….

De boeren van Kieldrecht moeten blijkbaar iedere week met hun paarden naar een monstering komen waar de Duitsers de beesten komen keuren. Waarom? Om ze op te eisen, natuurlijk. Als dat zo doorgaat, zullen er op de duur geen paarden meer overblijven in Kieldrecht. Hoe moeten die akkers dan nog bewerkt worden?

Remi, 13 juni 1916

Brieven afgeven. Meer wilde ze niet. Zoals ik al had gedacht. Ik ben de postbus niet, had ik moeten zeggen. Maar ze zag er zo verlegen uit. Zo schoon ook. Wat kon ik anders doen dan de brieven aannemen en zeggen dat ik ervoor zou zorgen dat ze op hun bestemming geraakten? Het is te zeggen: tot in Holland. En ik zou het haar nog laten weten ook. Toen begon ze zo te blozen. Ik? Nee, ik niet. Maar ik voelde me heel wat, dat wel, daar moet ik niet over liegen. De moffen, die houden ons dan weer klein. Zo klein als maar kan. Vorige week nog werd een veehandelaar uit Melsele beboet – 1000 Mark! – omdat hij vee had verkocht in het Etappengebied. Mag dus niet. Ook de oogst van dit jaar mag niet vóór half september vervoerd, verkocht of verbruikt worden. De broer van Fabrice sakkert nogal. En de andere boeren ook. Je zou voor minder. En dan verschieten ze ervan dat we van alles in het geniep beginnen te doen. Maar wat willen ze dan? We moeten toch iets doen om te overleven. Als we hen laten doen, versmachten ze ons allemaal. Straks ga ik nog eens naar ons moe proberen te gaan. Daar achter de grens met het Etappengebied. Ik ken ondertussen nieuwe wegeltjes en sluikwegjes. Sluipwegjes, beter gezegd. Ik ga ze eens uitproberen. Kan altijd van pas komen. Ik zal haar de groeten doen. En zeggen dat alles goed met je gaat. Al weet ik dat niet zeker, het is zo lang geleden dat je nog geschreven hebt. Wel gek eigenlijk: ik maak anderen blij door brieven door te geven, maar zelf krijg ik er geen meer. Ontvang jij de mijne?

Cécile, 6 juni 1916

Jawel Elénore, het is me gelukt! Na lang wachten en heel veel geduld uitoefenen – meer dan ik had – heb ik eindelijk brieven kunnen meegeven aan Remi. Hij gaat ervoor zorgen dat ze bij jou geraken. Het is te zeggen: hij kan ervoor zorgen dat ze in Nederland geraken. En vandaaruit moeten ze een lange reis maken – via Engeland en Frankrijk – tot in dat kleine stukje vrij België waar jij zit. Trek er genoeg tijd voor uit als je ze ontvangt; het zijn er van mama en papa en van mij. En ik heb me niet bepaald ingehouden, moet ik zeggen. Ik heb je ook zoveel te vertellen. Twee jaar! Je houdt het niet voor mogelijk, en toch… Remi heeft me beloofd dat hij me zal laten weten wanneer ze in Nederland aangekomen zijn; dat kan morgen al zijn, maar evengoed pas volgende week. Of volgende maand. Wat ik me nu afvraag… Zou hij ze zelf wegbrengen? En hoe doet hij dat dan? Misschien moet ik het hem eens vragen, de volgende keer. Als hij me komt zeggen dat ze in Nederland zijn. Wel lief van hem, vind je ook niet? Hij zag er zo schattig uit toen hij het zei. Hij begon zelfs te blozen. En ik misschien ook. Wie weet. Ik kreeg het in elk geval warm. Koud krijg ik het dan weer van die moffen. Wat ze de afgelopen weken weer allemaal uitgevonden hebben om ons te pesten: voor 15 september mag de oogst van dit jaar niet verbruikt, vervoerd of verkocht worden. Het politieuur in het Etappengebied wordt bijgesteld naar 11 uur; in Melsele zijn boeren aangehouden die weigerden bepaalde landbouwproducten te leveren (vraag me niet welke, of wie) en in Haasdonk zijn voor de zoveelste keer inwoners veroordeeld (reden? geen idee). Zo dikwijls denk ik: ik trek me er niks van aan, ik sluit me ervoor af, maar dat lukt gewoon niet. Altijd sijpelt er wel iets door of vang je iets op. En dan weet je: ik moet op mijn tellen passen; ze zien alles, ze horen alles, ze weten alles. Zolang ze dat van Remi maar niet weten. Dat zou pas een ramp zijn.

Gravin Maria, 31 mei 1916

Mijn lieve René

Duizend maal bedankt voor je lange brief van 14 mei. Ik wou hem onmiddellijk beantwoorden, maar ik moest me eerst informeren in verband met je vraag om naar de Lovie te komen. Je hebt een laisser-passer nodig en dat compliceert je vraag. Bovendien beschikken wij zelf net over transportmogelijkheden.

Maar wat zal ik gelukkig zijn om je hier bij ons te hebben, mijn lieve René! Dat zal voor iedereen hier een welkome afleiding betekenen. Ik voeg hierbij een brief voor je kolonel. Wil jij hem afleveren met mijn groeten? Je hebt hem in elk geval nodig om je paspoort aan te vragen: de brief bevat de handtekeningen van de burgemeester en van de Engelse veiligheidsdienst.

Mag ik je van harte gelukwensen met je benoeming tot adjudant? Daarmee zal je vast en zeker meer voordelen krijgen. Het is de kroon op je werk, je hebt het meer dan verdiend.
Ik heb nieuws ontvangen van je oom Powis. Hij laat me weten dat een van zijn zonen twee maanden verlof heeft gekregen omdat hij in het kamp een bronchitis heeft opgelopen! Naar het schijnt verblijft je tante Elisa nog steeds in Holland. Zij ontvangt van tijd tot tijd nieuws van je grootmoeder die vertelt dat het leven in bezet België voortdurend duurder wordt.

Ik moet hier ophouden met schrijven, lieve René. Er melden zich bezoekers aan die ik moet ontvangen, dat begrijp je wel.
Dat God je mag beschermen tot het einde van deze verschrikkelijke oorlog.
Je oom en ikzelf omhelzen je met al onze liefde.
Je liefhebbende

Tante Maria

Remi, 24 mei 1916

Ik denk dat ik iets stoms gedaan heb. Het is te zeggen: iets dat slecht kan aflopen. Voor ons allemaal. Waarom wilde ik Cécile ook per se die brieven persoonlijk afgeven? Ik weet dat het beter is dat niemand weet wie het doet. En toch deed ik het. Zo fier als een gieter. “Hier, voor jou. Ik hoop dat je er blij mee bent.” En dat je me eindelijk ziet staan. Vind je me nu geen ferme kerel? Nee dus. Ik ben dom geweest. Ja, ze ziet me staan nu. Iets te veel naar mijn zin zelfs. Ze achtervolgt me. En ze houdt vol. En ik maar mijn best doen om haar te ontlopen. Omdat ik bang ben dat ik anders mijn mond voorbij praat. Omdat ik weer indruk op haar zal willen maken. En hoe kan ik weten of ze te vertrouwen is? Fabrice en Marie hebben het er zo ingehamerd: vertrouw niet zomaar iedereen. Beter nog: wantrouw iedereen. Wees steeds op je hoede. Zeker voor wie je het minst verwacht dat ze je zullen verklikken moet je uitkijken. Je weet maar nooit. Och, Stan, het is allemaal zo ingewikkeld. En zo moeilijk. Ik moet nog zoveel leren. Waarschijnlijk wil Cécile alleen maar brieven terugsturen. Maar ik ben geen postbus. Ik ben alleen maar bezorger. Hoe weten de anderen eigenlijk wie de postbus is? Ik weet het zelf niet. Dat moet ik Marie toch eens vragen. En ondertussen blijf ik Cécile uit de weg gaan. Zij een volhouder? Dan ik ook. Nog even.

Juwelier bakt gendarme een poets

Eerder in zijn dagboek beschreef frontsoldaat Struyf op 27 februari 1915  hoe hij en zijn strijdmakkers van de 1ste Compagnie Hulptroepen der Genie in een smidse nabij Hoogstade-Linde de verveling probeerden te verdrijven door ringen te maken uit koperen vijf cent franken. Het idee hadden ze gehaald bij de Franse poilus, die de fraai bewerkte ringen tegen geld of in ruil voor voedsel of rookwaar trachtten aan de man te brengen … en met succes.

Frans Struyf redigeerde naast zijn dagboek ook nog een meer prozaïsch geschreven bundel met kortverhalen, zesentwintig in totaal, die inhoudelijk nauw aansluiten bij zijn dagboekervaringen. Eén van de novelles die hij schetst, draagt de titel ‘de soldaat-juwelier’ en verhaalt hoe een vriend van Struyf een soldaat van de Gendarmerie in de luren legt.

Deze vriend-juwelier zint op wraak omdat de militaire politie, de Gendarmerie, hem eerder een stuk loopgravenkunstwerk (Trench Art) heeft afgepakt. Hij begint aan een nieuw kunstwerk, een prachtige doosje, waarbij vier Duitse houwitserkoppen als poten dienen. Hij verstopte het doosje heimelijk onder zijn strozak en werkte ‘s avonds bij het flauwe schijnsel van een nachtlampje onvermoeibaar verder aan zijn ‘fabricaat’. Het doosje was een echt huzarenwerk, kunstig met bloemen gegraveerd. Op de bodem lagen een sigarettenkoker, een solferdoosje en een prachtige obuskop waar men lucifers in kon steken. Het deksel van het bewaardoosje sloot zeer vernuftig met twee puntige haakjes in een springslot. Nadat de rookwarendoos volledig was afgewerkt, liet de maker het kunstwerk achteloos aan het voeteinde van zijn bed liggen. Op dat moment kwam een  gendarme binnen die het kunstwerk opmerkte. Betrapt! De vriend-juwelier probeerde het op een akkoordje te gooien. De politieman kreeg het kleinood, in ruil voor stilzwijgen. De gretige ‘pakkeman’ ging in op het aanbod, hij nam de doos aan en stak zijn hand in het ‘kofferken’. Hij greep naar de prachtig versierde obuskop om hem van dichtbij te bewonderen en plots … weerklonk een pijnlijke kreet doorheen de barak. Het deksel bevatte immers een geheim veermechanisme waardoor, ééns de politieman naar de kop greep, dichtsloeg en de puntige haakjes van het slot zich in de hand van de inhalige politie-soldaat boorden. De barak daverde onder het gelach en gehoon van de soldaten. Helemaal aangedaan door dit voorval, verloor de gefopte soldaat meteen zijn arrogantie en verliet hij al vloekend en vol schaamte de barak. De fopdoos werd niet in beslag genomen en de juwelier-grappenmaker werd niet langer lastiggevallen door soldaten. De slimme grap had zijn gewenste effect bereikt.

Onderschrift: De soldaat juwelier! Een kreet, vol pijnlijke verrassing, ontsnapte de lippen van den gefopten pakkeman!

Onderschrift: De soldaat juwelier! Een kreet, vol pijnlijke verrassing, ontsnapte de lippen van den gefopten pakkeman!

Cécile, 9 mei 1916

Dag Eléonore,

het is om zot van te worden: dan loopt dat ventje Remi je altijd en overal voor de voeten, maar wil je hem per se spreken, dan vind je hem nergens. Nergens, hè. Ik doe nochtans mijn best, zoek hem waar ik kan, maar telkens ontglipt hij me. Ga ik naar nonkel Henri – waar hij als bakkersknechtje werkt – dan zegt die: Remi? Die heb ik er net op uit gestuurd voor… Denk ik hem op straat te zien, dan ga ik achter hem aan – en dan lijkt hij opgelost in de lucht. Of is het iemand anders. Ik heb me hier al goed belachelijk gemaakt, vrees ik; hopelijk heeft niemand het door, wat zullen ze anders wel denken. Het is alleen maar omdat ik hem wil vragen wat hij met die brieven van jou te maken heeft. En of hij er ook voor kan zorgen dat mijn brieven jou bereiken. Je hebt er geen idee van hoe blij ik was toen ik eindelijk van je hoorde. En mama en papa ook – ik kon het hen moeilijk niet zeggen, hè, ook al begrepen ze er net zo weinig van als ik. En nu wil ik je zoveel vertellen. ca_object_representations_media_66641_lowresdownloadMaar daarvoor heb ik Remi nodig. En die krijg ik dus maar niet te pakken. Onnozel word ik ervan. Gelukkig stel jij het goed. Al is het daar nogal een begankenis waar jij zit. Je zou het hier moeten zien. Onlangs nog liet burgemeester Pypers alle herbergen sluiten tussen 9 en 12 uur (torenuur, dus het uur van de moffen, niet het Belgische uur) omdat de weerbare mannen zich moesten gaan melden. Mochten ze zich niet eens moed indrinken voor ze zich door die pinnen moesten laten keuren. Ja, hoor mij, zoiets zou ik vroeger nooit gezegd hebben. Maar het is toch waar zeker. Hoe ze zo moeilijk kunnen doen. En hoe ze de burgemeester zo naar hun pijpen laten dansen. Maar nu ga ik weer op wacht zitten. Voor Remi. Ooit krijg ik hem te pakken, je zult wel zien.

Cécile