Beveren Bezet

Win tickets voor de voorstelling van Geef ons Oorlog op 1/11

geef ons oorlog

Stuur een originele reactie naar onze weblogpersonages en win 3 x 2 gratis tickets voor de voorstelling van Geef ons Oorlog. Deze actie loopt af op zondag 26 oktober 2014 om 16 uur.

Zaterdag 1 november 2014, Schouwburg CC Ter Vesten, 20 uur

Geef ons Oorlog. Een musical over de absurditeit van oorlog voeren
Een nieuwe wereld, het was maar een idee. Maar plots deden ze allemaal mee. Dat de ideeën in zijn nieuwe boek ‘De Goddelijke Ruimte’ zoveel bijval gingen krijgen, had schrijver Lorenzo nooit verwacht. Tot het volledig ontspoort. Zijn boek wordt ongewild de leidraad voor een aantal opportunisten – een architect zonder werk, een wapenhandelaar en een groepje (machts)geile vrouwen – die hierin de kans zien om hun mislukte ambities toch nog waar te maken. Over de manier waarop ze dit willen bereiken, zijn ze het allemaal grondig eens: een oorlog opstarten. En daarvoor moet er iemand vermoord worden. Maar wie wordt het eerste slachtoffer?

Marie en Marguerite Waterschoot, 15 oktober 1914

De Lovie, 15 oktober 1914

Lieve mama en zusje

We zijn gelukkig jullie te kunnen melden dat wij nog steeds in Proven zijn. Hier is nog alles rustig. Maar we maken ons heel veel zorgen over jullie. Wonen jullie nog in Lokeren? Wij hebben hier gehoord dat vele mensen uit Lokeren zijn weggevlucht. Staat het huis in de Zelestraat er nog? Is er andere schade in Lokeren?
Lieve mama en zusje, wij omhelzen jullie innig en hopen jullie snel in goede gezondheid terug te zien.
Marie en Marguerite

Cécile, 13 oktober 1914

Eléonore,

het is zover. Antwerpen is gevallen. En ze hadden nog zo gezegd dat dat niet kon! Je kunt je niet inbeelden hoe bang ik was toen we het hoorden. Al hadden we natuurlijk allang door dat er iets niet klopte. Eerst vertrokken alle Belgische soldaten uit het dorp, toen kwamen er hele colonnes voorbij op de baan en langs het spoor, uit Antwerpen weg. Na hen kwam een ellenlange sliert van burgers op de vlucht. En nog wilde pa niet weg. Die stomme winkel altijd! Maar omdat we zo hard aandrongen stuurde hij maman en mij uiteindelijk toch weg. We moesten naar oom Hilaire, in Gent. Veel te laat natuurlijk. Treinen reden niet meer – het is te zeggen: niet voor ons, en auto’s waren opgeëist. Begin er maar aan. Het was gewoon geen doen. De straten zaten overvol, zowel van soldaten als van gewone mensen. Je kon bijna geen stap voor de andere zetten. En dan al dat lawaai… Maman was zo overdonderd dat ze na een half uur gewoon rechtsomkeert maakte! Wat kon ik anders dan haar terug naar huis te volgen? We hebben ons dan maar in de kelder verschanst. Op het moment zelf dacht ik daar niet over na, maar achteraf bekeken vind ik het wel dom van ons. Wie gaat er nu uit eigen beweging in de val zitten? Maar goed, het was niet het moment voor weldoordachte keuzes of filosofische overwegingen. We dachten gewoon niet meer. Alleen doodsangst voelden we. En zo zaten we daar te luisteren naar de geluiden van buitenaf. Het was heel verwarrend allemaal. En beangstigend. We wisten echt van niets. Maar nu zijn ze hier, de Duitsers. Ze komen en gaan. Eerst hoor je het gestamp van laarzen, dan enkele geweerschoten, wat geblafte bevelen en een lied. Jawel, ze zingen, in mooie rijtjes op de Markt. Met die stomme pinhelmen op hun kop! Maar al met al blijft alles vrij rustig. Ze brengen hier de nacht door – waar, dat weet ik niet; wij sluiten ons op in huis. En de volgende dag marcheren ze weer weg. Maar ’s middags komen er nieuwe. En ook die marcheren de volgende dag verder. En zo gaat het maar door. Al die tijd zijn maman en ik niet meer buiten geweest; je moet het nu ook niet gaan zoeken. En blijkbaar komen wij er goed vanaf, want bij de zussen Van den Berghe, de kleermaaksters in de Zandstraat, hebben ze hemden, jassen, hoeden, wijn enzovoort gestolen, en ook in de kippenkwekerij van kasteel Bosdam hebben ze een veertigtal hanen en kippen meegenomen. En burgemeester Van Raemdonck is ervandoor. Dat heeft papa horen zeggen toen hij even zijn kop buiten stak. Ik denk dat wij een heel goede engelbewaarder moeten hebben; misschien heeft het er ook mee te maken dat papa het bord Delicatessen van de gevel heeft weggehaald en de vitrine heeft leeggehaald, ook al is die nog steeds dichtgetimmerd. Wie weet. Dat is hoe het er hier nu voorstaat, Eléonore. Bij een zwak kaarsje zit ik deze brief vol bibberige letters te schrijven. Ik heb geen glazen bol, ik weet niet hoe het verder moet. Ik weet niet eens of deze brief je ooit zal bereiken. Het enige wat ik hoop is dat onze beschermengel, die tot hier toe zo’n goed werk heeft geleverd, ons niet in de steek laat. En dat ik jou vlug terug mag zien.

Cécile

E.H. De la Croix, 11 oktober 1914

Antwerpen is gevallen! Eergisteren, vrijdag, heeft de stad zich na zware beschietingen overgegeven. Mijn parochianen zijn vanaf donderdag, bij het begin van het bombardement van Antwerpen, massaal op de vlucht geslagen. Ik denk dat 80% vertrokken is. Zelf ben ik – wat dacht u anders –  op mijn post gebleven en samen met mij drie zusters. Alle andere zusters trokken met de ouderlingen en de wezen die in het tehuis worden verzorgd én met een beklemd gemoed het onbekende tegemoet.  Even daarvoor hadden ze alle kostbaarheden van het klooster – monstrans, kelken, cibories, ornamenten van de kapel – in het gewelf van de kelder ingemetst. Maar hun ballingschap was van korte duur. Toen de zusters in Sint-Gillis-Waas arriveerden, hoorden ze de schrikwekkende kreet: ‘De Duitsers zijn daar … ‘. Als bij toverslag waren alle wagens gekeerd en keerden ze terug naar huis, naar hun klooster en mochten wij hen diezelfde avond nog weer thuis ontvangen.

Vannacht is het Duitse leger in Haasdonk aangekomen om het fort tot overgave te dwingen. Het fort, verdedigd door wel 200 soldaten, was al afgesloten van de andere forten rond Antwerpen. De commandant heeft een uur bedenktijd genomen vooraleer te capituleren, maar er restte hem geen keus: de Duitse overmacht was te groot. Hij is deze voormiddag, samen met zijn soldaten, als krijgsgevangene afgevoerd naar Antwerpen. Ik hoor vertellen dat er vannacht toch nog enkele soldaten zijn kunnen ontsnappen door al zwemmend de wal rond het fort over te steken.
Deze namiddag heeft een Duits legerkorps zijn intrede gemaakt in Haasdonk en de hele parochie bezet. Een generaal, vier officieren en zo’n veertig soldaten hebben zich in mijn pastorij geïnstalleerd. Ze blijven hier overnachten. De soldaten begonnen onmiddellijk alles overhoop te halen op zoek naar bruikbare spullen. Ik ben direct bij de generaal, een stuurse en botte man, een echte Pruis, klacht gaan neerleggen. Hij is gelukkig eerlijk, want ondertussen hebben de soldaten verbod gekregen de pastorij te plunderen.

Daniël Frans Struyf, 7 oktober 1914

Gisterenavond kwam een wielrijder mij verwittigen dat ik mij onmiddellijk naar Damme moest begeven. Daar aangekomen zou ik nieuwe bevelen ontvangen. Wanneer ik om 11 uur ’s avonds eindelijk in Damme toekwam, stond de plaatselijke veldwachter mij met ongeduld op te wachten. Hij bracht mij tot bij de burgemeester van Damme die mij het nieuws meedeelde dat mijn compagnie reeds naar Oostende vertrokken was. Het bevel luidde dat ik zo snel mogelijk mijn compagnie moest vervoegen. Omdat het laat was, bracht ik de nacht door in de burgemeesterswoning.

Vanmorgen raadt de burgemeester mij aan zo vlug mogelijk Damme te verlaten, hij vreest immers dat de Duitsers reeds tot in de buurt van Brugge genaderd zijn. Wat moet ik nu doen? Ik ben werkelijk radeloos. Ik zou naar Holland kunnen vluchten, maar welke gevolgen zou desertie met zich meebrengen? Mijn wanhoop bespeurend komt mijn vriendelijke gastheer met een oplossing: hij geeft mij burgerkledij en stelt voor dat ik mij, ontdaan van wapens en militaire insignes, onder de burgerbevolking meng en zo mijn compagnie tracht te vervoegen. Ik volg deze goede raad op en, steunend op Gods genade, vertrek ik op pad. Onderweg kruis ik tal van mensen die Brugge ontvluchten. De Duitsers hebben reeds Brugge ingenomen. Wanneer ik Brugge binnenkom, lijkt de stad overspoeld door een golf van grijze soldaten. De handen in de broekzakken, als een lompe nieuwsgierige boer, trek ik door de stad. Zonder haast en onverschillig, om geen argwaan te wekken. Twee uur later bevind ik mij op de weg naar Oostende. Oef, ik heb het gehaald!

 

Remi, 6 oktober 1914

Ik ben terug thuis, Stan. Ik heb ons Fien en haar kleintjes en schoonouders een eindje weggebracht. Een mens is een raar beestje. Na alles wat ze meegemaakt hebben, wilden ze naar huis. Kun je dat nu geloven? Ik wilde helemaal niet dat ze gingen. Fien heeft me hier geweldig geholpen; na de eerste schrik was ze weer terug dat potige vrouwmens geworden dat we kennen. ‘En als we nu eens allemaal weggaan,’ probeerde ik nog. ‘Naar Nederland?’ Daar gaan ze allemaal naartoe, Stan. ‘Ik ga nergens heen,’ baste va. ‘En ik ga naar huis,’ zei Fien. Ik kon er niks tegenin brengen. Ik zal haar missen, ik voel me nu weer zo alleen. Wat hoopt ze daar toch te vinden? Wat zal er daar met hen gebeuren? Ik ben bang voor hen, Stan, dat mag je wel weten. Niet dat hier alles zo rustig is. Een komen en gaan is het hier. Hele hordes vluchtelingen komen dagelijks voorbij, op weg naar Nederland. Met alles wat ze kunnen dragen of meeslepen of voortduwen. Gisteren vond ik er in het park van het kasteel. Ik heb hen weggejaagd. Ik dacht dat meneer dat wel zou willen, maar ik weet niet of ik daar goed aan heb gedaan. Het gaf zo’n slecht gevoel. Ook op het kasteel zelf is het druk. Overal zowat eigenlijk. Niet alleen in het fort zitten soldaten. Ook in boerenschuren in de buurt slapen ze – en ’s anderendaags breken ze diezelfde schuur misschien af. Want het gaat gewoon door, Stan, het afbreken en platbranden en spitten. Al die mooie dreven en boomgaarden, al die mooie plekjes in onze polders… Eén afgebrande vlakte maken ze ervan, met rollen pinnekensdraad. Mooi kun je dat echt niet noemen. Om te wenen is het. En het zijn niet alleen soldaten die dat doen (doe jij dat ook, Stan?), ook mannen uit het dorp. Dat moet hen toch zeer doen? Je zou de boeren moeten horen. Op sommige plekken mag je zelfs niet meer door. Dan staan er wagens dwars over de baan, of er liggen boomstammen of takken. Alleen als je het wachtwoord kent, of het juiste pasje hebt, mag je nog door. En de laatste dagen horen we steeds vaker een dof gedreun, als onweer in de verte, en soms begint de grond onder onze voeten dan zelfs te daveren. Echt waar! Dat komt door de beschietingen van de forten rond Antwerpen. Meer weten we niet. We worden er heel zenuwachtig van. Bij elke dreun slaat moeke haar handen voor haar oren en begint te jammeren. Ik weet niet wat we daar allemaal van moeten denken. Zit jij in een van die forten, Stan? Als ik dat gebulder hoor, hoop ik haast van niet. Ik bid voor je, Stan. En ook voor ons.

Daniël Frans Struyf, 2 oktober 1914

Gisteren rond 10 uur ‘s morgens kwam men ons melden dat wij ons onmiddellijk gereed moesten maken voor vertrek. Inderhaast schreef ik enkele woordjes aan Alphonsine om haar het droeve nieuws te melden. Om 4 uur in de namiddag vertrokken wij per trein naar Brugge. Vanuit de treinwagon aanschouwden wij verschillende branden, de streek rond Dendermonde stond in vuur en vlam. Ondanks de zware verliezen vecht ons Belgische leger toch moedig door. Het ziet er niet goed uit. Het gonst ook van de geruchten dat het garnizoen van Antwerpen de definitieve aftocht voorbereidt. De onrust knaagt bij eenieder en ik voel me bedrukt en te neergeslagen: vluchten, altijd maar vluchten! Om 10 uur kwamen wij aan in Brugge en overnachtten in de kazerne van het 4de Linie. Deze morgen zijn we onderweg naar Damme om er versterkingswerken uit te voeren. Mijn compagnie blijft ter plaatse maar ik word verder gestuurd naar Moerkerke om daar het opgevorderde werkvolk tot arbeid aan te zetten (…)

Daniël Frans Struyf, 30 september 1914

Een blij weerzien met de familie

Na een kort verblijf in Vrasene worden wij ingekwartierd in Beveren. Mijn charmante vrouw Alphonsine bezoekt mij verschillende malen en brengt telkens zuiver ondergoed mee. Wanneer ik mijn vrouwtje tijdens onze laatste uitstap huiswaarts begeleid, botsen wij op mijn oude vader die mij – geheel onverwachts – opzoeken kwam. Wat een gelukzalig gevoel! In één klap vergeet ik alle miserie die ik de voorbije maanden doorstaan heb. Arm in arm stappen wij, vader en zoon, een herberg binnen en drinken een goed glas bier. Wij praten urenlang over wat er allemaal gebeurd is de voorbije periode en voor we het goed en wel beseffen, is de nacht ingetreden. Mijn vrouw en vader verlaten de herberg en beloven mij spoedig weer op te zoeken. Ik staar mijn beide geliefden nog lange tijd na. Tranen rollen over mijn wangen. Waarom weet ik niet, maar ik word overmand door de gedachte dat dit misschien wel onze laatste ontmoeting kon geweest zijn ….

Te Beveren worden wij belast met de constructie van houten barakken, sterke tranchées (loopgraven) met schuilposten en versperringen met de welgekende pinnekensdraad. Jammer genoeg dient al dit zware labeur tot niets, de Duits kan er maar zijn voordeel uit halen! Toch heb ik een mooi vooruitzicht: nog twee dagen en ik zie mijn vrouw terug. Doch helaas, de mens wikt en God beschikt! We schrijven 30 september 1914.