Auteur: Daniël Frans Struyf

Daniël Frans Struyf, 15 augustus 1915

Vandaag is het Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaart. Onze aalmoezenier zal vandaag een mis opdragen in de schuur van de compagnie te Leisele. Wij gaan er met enkele makkers naartoe. Tot mijn verbazing blijkt de arme priester geen misdienaar te hebben om de viering te assisteren. Niemand durft zich van deze godsvruchtige taak te kwijten dus meld ik mij aan als vrijwilliger. De priester is zeer tevreden en de mis kan starten. Mijn vrienden lachen mij wel wat uit maar ik ben gewoonweg blij dat ik een medemens gelukkig heb kunnen maken.

Daniël Frans Struyf, 21 juli 1915

Nationale feestdag. Ik ben er zeker van dat deze dag meer gevierd wordt in het bezette land als hier bij ons aan het front want onze compagnie moet de hele dag door werken. Nochtans wordt om 11 uur in de voormiddag het Te Deum in de kerk uitgevoerd, en wat ons verwondert, wij arme frontsoldaten worden niet vergeten want wij krijgen elk een gevulde doos met Engelse tabak. Deze geschenkdoos is versierd met de Belgische driekleur en wordt met het Belgische vaandel omring. In sierlijke letters staat geschreven: Eendracht maakt macht.

Daniël Frans Struyf, 14 juli 1915

Het derde peloton van onze compagnie moet vandaag vertrekken van Leisele naar Houtem en ik ga mee. Alle dagen moet ik om 3 uur opstaan om in Leisele bevelen te komen opnemen. De eerste dagen gaat alles goed maar al gauw wordt duidelijk dat de compagnie aldaar ons tracht te bedotten met de uitdeling van levensmiddelen, tabak en sigaretten. Ik probeer iedereen zo tevreden mogelijk te stellen maar mijn kameraden beginnen te klagen en er zijn er zelfs enkele die durven beweren dat ik onze rantsoenen zelf in mijn zakken steek. Om verdere lasterlijke beschuldigingen te voorkomen, besluit ik onze luitenant Waucquez in te lichten. Op mijn aandringen gaat de luitenant zelf naar de intendance om onze rantsoenen te verifiëren en inderdaad ik krijg gelijk: onze compagnie ontvangt niet wat ons hoort toe te komen. Onze luitenant bekomt bij de officier-payeur dat de auto met levensmiddelen voortaan eerst langs Houtem passeert om onze waren te leveren vooraleer door te rijden naar Leisele.  Wanneer de volgende dag de auto eerst langs Houtem passeert, blijkt hetzelfde probleem opnieuw de kop op te steken: de camion is slechts half geladen met levensmiddelen. Verwonderd springt luitenant Wacquez op zijn rijwiel en rijdt naar de magazijnen van de compagnie. Daar aangekomen verricht hij samen met luitenant-kommandant Salkin een grondig onderzoek. De waarheid komt al gauw aan het licht. Het zijn de magazijniers van de compagnie die zich schuldig maken aan diefstal van legergoederen. Deze openbaring zorgt voor heel wat ophef maar gelukkig is mijn naam gezuiverd.

 

Daniël Frans Struyf, 7 juni 1915

Vandaag heb ik een klein voorval. Mijn makkers komen langs en klagen dat zij hun rechthebbende tabak nog niet ontvangen hebben. De adjudant van onze compagnie, een goede ouden man, antwoordt dat zij tevreden mogen zijn nog wat tabak te krijgen. Tenslotte hebben zij hier geen recht op aangezien zij niet meer naar de loopgraven gaan. Omdat ik niet kan aanzien hoe men de eenvoudige soldaat wil beetnemen, kan ik het niet nalaten de adjudant om een weerwoord te vragen. Op zijn toelating zeg ik hem: Adjudant, het verwondert mij dat u – ondanks uw beperkte kennis van de geldende regelgeving – adjudant geworden bent; immers het soldatenreglement verklaart duidelijk en ondubbelzinnig dat in oorlogstijd iedere soldaat, zonder uitzondering, recht heeft op 10 gram tabak en twee sigaretten per dag, zonder te spreken van de druppel welke thans beter smaakt in de keel van de officieren dan in dien van ons. De adjudant reageert totaal verbouwereerd: Struyf, zijt gij zeker van wat gij daar vertelt? Ik herhaal mijn verklaring waarop de adjudant ons gezelschap schoorvoetend verlaat. Mijn vrijpostige uitlating wordt op luid gejuich en applaus onthaald.

s’Avonds als men ons de soep brengt, krijgen wij ons rechtmatige rantsoen van 50 gram tabak en 10 cigaretten! Onze chef verwittigt mij dat ik na de soep op de bureau moet komen omdat de kommandant mij persoonlijk wil spreken. Wat hangt me nu boven het hoofd? Ik bereid mij alvast voor op een uitbrander en  tuchtstraf maar niets is minder waar! De kommandant verwelkomt mij zeer hartelijk, hij overlaadt mij met complimenten en vertelt hoe hij te horen heeft gekregen dat ik goed kan schrijven en rekenen. Deze kwaliteiten zouden uitstekend kunnen dienen bij de administratie op het bureel van de kommandant. Bovendien zou het schrijfwerk mij beter bevallen dan het wroeten en ploegen bij de genie. Daarom besluit de kommandant dat ik vanaf s’anderendaags op de bureau zou komen schrijven.

Omdat ik niet anders kan, neem ik dit aanbod aan, maar als de officieren denken mij hiermee te kunnen muilkorven en de kleine man doen te vergeten, dan hebben zij het goed mis!

Daniël Frans Struyf, 24 mei 1915

24 mei 1915, tweeden sinksendag. Wij werken de hele dag verder aan onze waterputten maar ik kan mezelf er niet toe brengen om goed werk af te leveren. Verleden jaar was tweede pinksterdag nog zo vrolijk en nu zijn wij hier erger dan dwangarbeiders.  Ik weet het, het is laf van mij om zo te spreken maar wanneer ik aan vrouw en kinderen denk, dan vult de wanhoop mijn hart en doet mij verschrikkelijk lijden. Mijn tranen stromen, ik laat ze schaamteloos rollen en ben tevreden, want wenen doet mij goed en het verlicht mijn hart. Wanneer zal deze verdoemde oorlog nu eindelijk eens gedaan geraken, wanneer brengt de eindoverwinning een einde aan ons lijden? Zowel mijn makkers als ikzelf voelen ons enorm te neergeslagen en ontmoedigd en sommigen zeggen zelfs vlakaf dat het hun weinig zou maken om Duitser te worden, zolang deze oorlog maar eindigt. Deze manier van onpatriottisch spreken komt aan als een zweepslag in het gezicht. Meteen is mijn moedeloosheid verdwenen! Met veel overtuiging weet ik mijn kompanen te overtuigen van hun ongelijk, doe hen verstaan hoe noodlottig ons leven zou zijn onder Duitse tirannie. Dat wij -ondanks alle miserie en tegenspoed – stand moeten houden voor vrouw en kinderen. Hiermee is de discussie van de baan … en wordt de avond – na een bezoek aan de plaatselijke herberg – al zingend afgesloten.

Daniël Frans Struyf, 10 mei 1915

Vandaag ontmoet ik bij toeval soldaten van Zwijndrecht en Burcht. Zij melden mij de dood van zeven dorpsgenoten, anderen zijn verdwenen of krijgsgevangen genomen naar Duitsland. Omdat het nachtwerk aan de waterput zeer traag vordert(’s nachts werken is veiliger) , werken wij overdag verder. Wij worden onderverdeeld in twee groepen: wij werken verder aan de ene drinkput terwijl onze geniemakkers op een andere hoeve een nieuwe put aanboren. Het gonst van het nieuws dat ook Italië zich weldra in de oorlog zal voegen. Een grote overwinning voor de geallieerden is vast in de maak! Binnenlands nieuws wordt intussen schaarser en schaarser. Ik heb al ontelbare brieven naar het thuisfront geschreven maar ontvang geen enkel antwoord, ook al heb ik langs verschillende wegen geprobeerd mijn boodschappen over te brengen.

burcht-soldaten-1911-1912

De oorlogsvrienden van Burght 1911-1912. Misschien zien we hier enkele dorpsgenoten waarover Frans Struyf in zijn dagboek spreekt? Voor meer informatie over deze Burchtse soldaten zie: http://helden.familiekunde-landvanwaas.be. Met dank aan Rositta van Havere

 

Daniël Frans Struyf, 29 en 30 april 1915

Vandaag maken wij ons gereed om terug naar het front te vertrekken. Dit nieuws vervult ons met vreugde! Wij worden verdeeld in groepjes van 12 mannen, 1 korporaal en 1 onderofficier. Eens ons boeltje gereed, gaan wij een laatsten maal naar de stad om er aankoopen te doen. Wij keren terug om nog eens goed te slapen opdat wij morgenvroeg fris en kloek zijn voor het vertrek. Ik drink een goed glas wijn en slaap weldra zonder iets te merken van de ratten en luizen .

30 april 1915 – Om 5 uur ’s morgens worden wij op appel geroepen. We krijgen brood en vlees en ontvangen onze soldij. Daarna trekken we naar het station waar wij groep per groep op de trein worden gebracht. Rond 10 uur vertrekken we richting Adinkerke waar iedere groep verdere bevelen krijgt om zijne vaste bestemming te vervoegen. Vaarwel Frankrijk, dat ons steeds goed behandeld heeft! Niettegenstaande alle gevaren en miserie in ons geliefde en kapotgeschoten  België, verlangen wij allen om onze vaderlandse grond opnieuw te mogen betreden. Vaarwel Frankrijk, God bescherme u!

Struyf_071

La Belgique Martyre. Ingekleurde tekening van Daniël Frans Struyf. België wordt hierbij voorgesteld als een bloedende leeuw met vaandel in Belgische driekleur. Op de achtergrond branden de Ieperse lakenhallen. Rechtboven de Duitse adelaar (met Rijkskroon), die geduldig een nieuwe aanval afwacht.

 

Daniël Frans Struyf, 13 april 1915

Eindelijk, het is 13 april 1915 en wij ontvangen het bevel om te verhuizen naar Ardres waar het depot van de Genie gevestigd is. Met zeventien collega’s vertrekken wij, zeer tevreden om weldra onze oude strijdmakkers terug te vinden. Na een vier uur durende mars komen wij in Ardres toe en krijgen een slaapplaats toegewezen bij een boer. Hier brengen we enkele dagen door. Voor het eerst sinds 1914 kunnen we een goed bad nemen, wat ons zeer goed doet. Vandaag worden wij bevolen om gedurende 24 uur de wacht te houden. Het is eerder een tijdverdrijf want ik geloof niet dat er hier enig gevaar bestaat. Als iemand de brug passeert moeten wij de papieren van de voorbijgangers controleren. Er zouden immers spionnen in de buurt rondlopen. ’s Nachts trekken wij met twee man tegelijk de wacht op. Alles verloopt naar wens. Rond 2 uur komt men ons aflossen. We gaan een lekker glas wijn drinken en trekken in de stad rond. In de verte horen we het onophoudelijke gedonder van de kanonnen (…)

Omdat ik geen tabak meer heb, koop ik hier een pakje en betaal het één frank tachtig voor 50 gram! Als ik hier nog lang moet blijven, zal ik gauw geruïneerd zijn! Ik verveel mij hier te pletter. Ik krijg zelfs goesting om terug te keren naar het front. Daar valt tenminste iets te beleven.

Gelukkig, ik krijg opnieuw een kaartje van Mr. Van Haaren. Enkele regeltjes maar, iedereen verkeert in goede gezondheid in Antwerpen! Ik schrijf ogenblikkelijk een lange brief terug waarin ik hem vraag of hij mij ook post van mijn echtgenote kan bezorgen, dat zou mij zeer gelukkig maken. Ik hoor opnieuw gedonder, de gevechten aan de IJzer zijn opnieuw begonnen. Wanneer zal deze vervloekte oorlog nu eindigen? Men zegt ons dat de Duitsers honger lijden. Als dat waar is, hoe zit het dan met vrouw en kinderen? Wij hebben genoeg om te eten. Ik werp hier vaak het eten voor de varkens; wat zouden mijn kinderen smullen als ze hier waren.

Vandaag delen ze sigaretten en tabak uit aan de soldaten en in de namiddag krijgen we nieuw ondergoed. ’s Avonds zijn we uitgenodigd voor de algemene repetitie van een benefietconcert ten voordele van de gewonde Belgische en Franse soldaten. Het belooft een zeer mooie voorstelling te worden. Om half elf gaan we slapen maar ik kan de ogen niet sluiten omdat ik voortdurend geplaagd word door ratten en jeuk. Bovendien krioelt het stro van de luizen. Daarom besluit ik om de rest van de nacht in de weide, onder de open hemel, door te brengen …

Daniël Frans Struyf, 3 april 1915

Het is 6 uur ’s ochtends. Wij vertrekken vanuit Wulpen naar Peuplinges in Frankrijk waar wij rond 3 uur in de namiddag toekomen. Onze expeditie bestaat uit verschillende regimenten en aangezien het depot in Peuplinges huisvesting biedt aan het 10e Linieregiment weet het commando niet goed wat met ons aan te vangen. In afwachting worden wij ondergebracht in een hoeve waar wij naar hartenlust stro vinden om onze brits op te maken. Eens ons bed in gereedheid gebracht, trek ik met een kameraad het dorp in. Sinds vanmorgen hebben wij niets meer gegeten of gedronken. Vermits wij nog bijna een kilo bitter op zak hebben, kloppen wij aan bij een huis met de vraag ons wat koffie uit te schenken. Een oude grijze vrouw komt openen en voordat wij nog maar één enkel woord uitgesproken hebben, begint de bejaarde bewoonster te jammeren en te klagen. Beleefd geef ik onze wens te kennen en bied haar het pak koffie aan. Maar wat wij toen te horen kregen, hou je niet voorwaar niet voor mogelijk! De vrouw zegt dat ze niets te maken wil hebben met Belgische soldaten die te lui en laf zijn om hun eigen vaderland te verdedigen en die hier grote sier houden terwijl Franse landgenoten in België sneuvelen!

De voordeur vlamt vlak voor onze gezichten dicht. Gans uit ons lood geslagen, blijven wij nog even perplex op haar eigendom talmen. De oude vrouw komt opnieuw buiten en bedreigt ons met haar hond. Wij willen geen ruzie met haar en besluiten uiteindelijk om toch maar de wijk te nemen. We kloppen wat verder aan bij een huis en worden daar zeer hartelijk ontvangen door een brave vrouw die ons binnen laat en ons rantsoen koffie klaarmaakt. Wij vertellen haar ons wedervaren bij de oude vrouw. Onze gastvrouw lacht ons toe en zegt niet verwonderd te zijn door de reactie van haar buurvrouw. De oude vrouw was immers een verbitterde oude weduwe die voor de oorlog samenleefde met haar enige zoon. Bij het begin van de oorlog was haar jongen naar België gestuurd en was daar in de buurt van Charleroi gesneuveld. Door deze treurige gebeurtenis was de oude vrouw zeer diep gebroken en had ze een afkeer ontwikkeld voor Belgische soldaten. Tot zover het verhaal van de oude beklagenswaardige weduwe die moederziel alleen achterbleef in haar huisje in Peuplinges…

Goed verwarmd door de dampende koffie gaan wij, na onze gastvrouw veelvuldig bedankt te hebben, een wandeling maken in het dorp en keren rond half 10 terug naar onze hoeve waar wij op het frisse stro in slaap vielen en doorsnurkten tot de volgende morgen.