Beveren Bezet
Remi, 22 juni 1915
Stan, ik heb toch zo moeten lachen! Vanmorgen hing er een nieuwe verordening uit: voertuigen moeten rechts van de weg rijden, niet in het midden. Lijkt me logisch, dacht ik eerst, en ik schonk er niet veel aandacht aan. Maar toen ik wat later in de polder liep, passeerde er mij een boerenkar. Het was Pros, je weet wel, en omdat we die kennen, wilde ik roepen: “Hé, jij moet rechts rijden!” Voor de lol natuurlijk. Want doe dat maar eens, met zo’n grote boerenkar op die smalle polderwegen, die kunnen alleen in het midden rijden. Maar net op dat moment kwam er een Feldwebel op zijn fiets aan, en die begon al van ver te gebaren en te roepen dat Pros met zijn kar uit de weg moest. Daarbij zwierde die Fritz van links naar rechts over de weg. Pros reed gewoon door. In het midden van de weg. En toen armwiekte die pinhelm zo driftig dat hij zijn fiets niet meer onder controle had. Met het stomste gezicht dat er bestaat reed hij gewoon de beek in. Toen moest ik zo hard lachen – en Pros ook – dat ik weg moest duiken, anders had die Feldwebel het zeker gehoord. En wat was er dan van mij terechtgekomen? Het duurde wel even voor ik mijn gezicht weer in de plooi had. Ik ben toen maar vlug omgekeerd, anders had ik die Fritz nog moeten helpen ook.
Ik kwam van Melsele toen het gebeurde. Ik had er een boodschap moeten overbrengen van meneer pastoor. Dat doe ik wel meer de laatste tijd. Ik vind het plezant, dan zie ik nog eens wat, ik neem niet altijd de kortste weg. En weet je wat ik daar zag? Rond de Smoutpot zijn ze houten huizen aan het bouwen. Het Nationaal Hulpkomiteit van Antwerpen doet dat voor de families wiens huizen zijn afgebroken door ons leger, toen die de ring rond Antwerpen wilde dichtmaken, weet je nog? Ik heb er even staan praten met Jozef Truyman, die woont daar met zijn familie. Hij vertelde me over zijn zoon Alfons, die aan het front zit. Al sinds oktober is die vermist. Hij is het laatst gezien in Keiem; sindsdien is er niks meer van hem vernomen of teruggevonden. Waarschijnlijk is hij dood. Zoals zovelen ondertussen. Hij was maar 22 jaar. Ken jij hem toevallig? Ik heb verteld over jou, en dat ik van jou ook nog steeds niks heb gehoord. Maar dat jij dood zou zijn, nee, dat kan ik niet geloven. Laat dus gauw iets weten. Fabrice heeft me beloofd dat hij ervoor ging zorgen dat jouw brieven bij mij terechtkwamen, weet je nog? Het is wel al een paar dagen geleden dat ik Fabrice nog gezien heb. Drie dagen geleden hing er weer zo’n plakkaat uit, we hebben het nog samen staan lezen, het ging over de nieuwe afbakening van het grensgebied en over de paspoorten, en toen was hij opeens weg en sindsdien heb ik hem niet meer gezien. Raar type toch. Benieuwd wanneer hij weer zal opduiken. En laat ons hopen dat hij dan een brief van jou voor mij bij zich heeft.
Cécile, 15 juni 1915
Dag Eléonore, mama vertelde me daarnet een verhaal! Ze had het van Elfriede, van het Komiteit. Het gaat over ene Stanislas Vertez en zijn vrouw. Ze wonen in Vrasene, maar Stanislas is een tijdje geleden uitgeweken naar Nederland. Hij zou in Terneuzen zitten. Zijn vrouw en hun vijf kinderen zijn enkele weken geleden ook naar daar vertrokken, met een bewijs om daar wekelijkse onderstand te verkrijgen. Maar nu heeft die vrouw haar vijf kinderen naar haar ouders in Beveren teruggebracht en is toen zelf weer naar Holland vertrokken. Zonder een adres achter te laten! De ouders van die vrouw zitten nu met de handen in het haar. Ze hebben het zelf allesbehalve breed. Omdat ze hun dochter en schoonzoon niet kunnen bereiken, eisen ze nu, via het gemeentebestuur van Beveren, onderstand van het Armbestuur van Vrasene, waar de kinderen ingeschreven staan. Maar dat Armbestuur zit naar eigen zeggen zonder middelen. Er zijn zoveel werklozen, de laatste dagen alleen al zijn er tweehonderd bijgekomen nu ook de wijmenbewerkers en de mandenmakers zonder werk zijn gevallen. Dat Armbestuur van Vrasene heeft dus het Nationaal Komiteit van Antwerpen gevraagd de kinderen te willen opnemen. En het heeft erop aangedrongen om de uitbetaling van de onderstand van 14 frank aan de ‘harteloze’ moeder in Terneuzen te stoppen. Geen idee hoe dat zal aflopen. Wat een toestand, hè? Er wordt nogal schande gesproken over dat koppel, wat had je gedacht. Maar er is niemand die weet wat er echt achter zit. Wat zou die vrouw bezield hebben om haar kinderen in België achter te laten? Ze moet toch weten dat het hier niet alles is, ze vlucht er zelf van weg. Zelf zit ze met haar man in Terneuzen. En wat is daar de reden voor? Zo zie je maar hoe moeilijk het hier is geworden. Je hoort steeds meer zulke verhalen van mensen die niet meer weten wat te beginnen. En je zou ze moeten zien, de vrouwen en kinderen als ze slecht nieuws ontvangen van hun man en vader aan het front. Soms – nee, elke dag wat meer – begin ik te beseffen dat ik eigenlijk niet eens zoveel te klagen heb. Ik heb nog steeds een dak boven mijn hoofd, woon nog altijd in een gerieflijk huis, heb ouders die voor me zorgen, heb elke dag te eten en zolang ik me aan de regels houd ben ik redelijk veilig. Op café ga ik sowieso niet, dus mij raakt het niet dat die voortaan om 10 uur moeten sluiten. Lastiger is het met die verordening die zegt dat de nationale kleuren en hymnen van de landen waar Duitsland mee in oorlog is, verboden zijn. Ik vond het juist zo plezant om mijn haar vast te binden met een zwart, een rood en een geel lintje – dat doen ze in Antwerpen en in Brussel ook, heb ik horen zeggen. Daar binden ze bijvoorbeeld ook de pralinedoosjes dicht met lintjes in die drie kleuren. Geweldig toch! En hoe het komt weet ik niet, maar als ik langs een café passeer en hoor hoe ze daar de Brabançonne of de Marseillaise of de Vlaamse Leeuw zitten te brullen, voel ik de aandrang om mee te gaan brullen. Het werkt zo aanstekelijk! Daarom dat het nu verboden is, waarschijnlijk. Ik zal die lintjes dus maar laten, voortaan stilletjes voor me uit neuriën en er vooral niet te veel misbaar rond maken. Zo erg is dat allemaal niet, vergeleken met de miserie van al die anderen. Toch? Je zus, Cécile
De Groote Oorlog van Frans Verstraeten
‘Als ik in 1915 op 1 mei aan het front gekomen ben, en toen we in Reninge aangekomen waren met ons peloton, dachten we: als we naar Steenstrate moeten, dan hebben we ons laatste zuiver hemd aan. En inderdaad, ‘s avonds hoorden we dat we naar Steenstrate gestuurd werden samen met de grenadiers en de karabiniers. Het was in die periode dat de Duitsers met gas begonnen. We moesten de chasseurs (jagers) aflossen en wij zaten in den tranchée (loopgraaf) aan een mennegat (opening in de weg naar een akker of een hof) van een boerenhof. We zagen de Duitsers afkomen in kolom per kat (colonne par quattre) over de steenweg. Wij schoten zonder ophouden, ze stuikten in elkaar en de lijken lagen op een hoop zodanig dat de achtersten over de geblesseerden en de doden moesten kruipen, maar ze bleven maar komen. Ons mitrailleurs zagen rood van ’t schieten alsof ze in het vuur gestoken waren. Op de duur zagen ze toch in dat ze er allemaal aan moesten en trokken ze zich terug. De Duitsers hebben dan een wapenstilstand aangevraagd van enkele uren die ze ook van ons kregen. Er kwam dan een parlementair (onderhandelaar) met een witte vlag op het slagveld samen met enkele soldaten. Ze maakten ter plaatse enkele putten en staken de Duitsers die daar lagen erin en diegenen die nog goed waren, allée … de geblesseerden zeg maar, werden naar het hospitaal gebracht of krijgsgevangen gepakt.
Na een paar dagen werden we verplaatst naar Nieuwpoort. Daar kwamen we in ne secteur (sector) waar met gas geschoten werd. Wij waren de eerste mannen die in de gas gezeten hebben en dat was daar te Nieuwpoort. Juist over de brug zaten we in onze voorpost. Op de voorpost, dat was een abrieken (schuilplaats, meestal in hout, verstevigd met zandzakjes) van niemendal, was het heel gevaarlijk, de Duitsers zaten maar een meter of tien van ons. De loopgraven kwamen daar zo dicht bijeen dat we vodden en zakjes rond ons bottines wikkelden om ons niet te horen gaan. We moesten daar vier dagen zitten en dan werden we afgelost en mochten we achteruit, allée we kregen dan vier dagen repo (rust). Op die secteur in Nieuwpoort heb ik een maand of vier gezeten en dan zijn we naar Diksmuide getrokken. Aan de bloemmolen in Diksmuide rechtover de mouterij, juist over de brug van de IJzer, aan de Dikkevillekes gelijk dat ze zegden, hebben we het een en ander meegemaakt. Die molen was al helemaal kapot geschoten maar hij stond er nog. We moesten daar de voorpost bemannen en daar kwam de stank van de lijken van de Duitsers die in die molen lagen je tegen dat het niet om uit te houden was. Vier dagen op post en vier dagen repos, zo ging dat. Maar repos dat was ook werken hé! Onze reposplaats was in Lo, we moesten er te voet naartoe, ja ja, twee uren gaans, dat was niet van te zeggen dat ze je daar met een koets kwamen ophalen hé! In Lo moesten we dan zandzakjes vullen, ons gereedschap onderhouden, reparaties doen of patatten schillen, we konden ons eens wassen, met de kaarten spelen en ja en van alles hé … maar weg mochten we niet. Congé (verlof) dat bestond niet.’
Aan het woord is Frans Verstraeten (Melsele 1894-Beveren 1968), oud-strijder van de Eerste Wereldoorlog, in 1966. Zijn neef Richard Willems interviewde hem toen over zijn persoonlijke Groote Oorlog en nam het gesprek op met een Grundig-bandrecorder. Op basis van deze tape schreef Richard Willems in 2003 voor het project De Groote Oorlog in Beveren het verhaal van zijn grootoom en bracht het ten gehore tijdens de Museumavond op 20 november 2003. Wijlen Wim van Remortel († 2013), kunstenaar en eveneens neef van Frans Verstraeten, illustreerde het verhaal. De Groote Oorlog van Frans Verstraeten werd in 2014, ter gelegenheid van Erfgoeddag ERF! op 24 april 2014 en kaderend in het herdenkingsprogramma 2014-2018 van de gemeente Beveren, opnieuw verteld.
Richard Willems, De Groote Oorlog van Frans Verstraeten, geïllustreerd door Wim van Remortel, Beveren, 2003, pp. 7-8
Daniël Frans Struyf, 7 juni 1915
Vandaag heb ik een klein voorval. Mijn makkers komen langs en klagen dat zij hun rechthebbende tabak nog niet ontvangen hebben. De adjudant van onze compagnie, een goede ouden man, antwoordt dat zij tevreden mogen zijn nog wat tabak te krijgen. Tenslotte hebben zij hier geen recht op aangezien zij niet meer naar de loopgraven gaan. Omdat ik niet kan aanzien hoe men de eenvoudige soldaat wil beetnemen, kan ik het niet nalaten de adjudant om een weerwoord te vragen. Op zijn toelating zeg ik hem: Adjudant, het verwondert mij dat u – ondanks uw beperkte kennis van de geldende regelgeving – adjudant geworden bent; immers het soldatenreglement verklaart duidelijk en ondubbelzinnig dat in oorlogstijd iedere soldaat, zonder uitzondering, recht heeft op 10 gram tabak en twee sigaretten per dag, zonder te spreken van de druppel welke thans beter smaakt in de keel van de officieren dan in dien van ons. De adjudant reageert totaal verbouwereerd: Struyf, zijt gij zeker van wat gij daar vertelt? Ik herhaal mijn verklaring waarop de adjudant ons gezelschap schoorvoetend verlaat. Mijn vrijpostige uitlating wordt op luid gejuich en applaus onthaald.
s’Avonds als men ons de soep brengt, krijgen wij ons rechtmatige rantsoen van 50 gram tabak en 10 cigaretten! Onze chef verwittigt mij dat ik na de soep op de bureau moet komen omdat de kommandant mij persoonlijk wil spreken. Wat hangt me nu boven het hoofd? Ik bereid mij alvast voor op een uitbrander en tuchtstraf maar niets is minder waar! De kommandant verwelkomt mij zeer hartelijk, hij overlaadt mij met complimenten en vertelt hoe hij te horen heeft gekregen dat ik goed kan schrijven en rekenen. Deze kwaliteiten zouden uitstekend kunnen dienen bij de administratie op het bureel van de kommandant. Bovendien zou het schrijfwerk mij beter bevallen dan het wroeten en ploegen bij de genie. Daarom besluit de kommandant dat ik vanaf s’anderendaags op de bureau zou komen schrijven.
Omdat ik niet anders kan, neem ik dit aanbod aan, maar als de officieren denken mij hiermee te kunnen muilkorven en de kleine man doen te vergeten, dan hebben zij het goed mis!
E.H. De la Croix, 1 juni 1915
De Duitse bezetter heeft onze mooie parochie Haasdonk in tweeën gesneden. Loopgraven en versperringswerken scheiden het noordwestelijke gedeelte van onze parochie af van de rest van de gemeente. Deze situatie brengt met zich mee dat de parochianen die in het afgescheiden stukje Haasdonk wonen, niet naar het dorp kunnen en mogen komen. Daarmee houdt het echter nog niet op: deze mensen zien zich daardoor genoodzaakt om hun godsdienstige plichten te vervullen op de vreemde, in Nieuwkerken of op de Velle…
Daniël Frans Struyf, 24 mei 1915
24 mei 1915, tweeden sinksendag. Wij werken de hele dag verder aan onze waterputten maar ik kan mezelf er niet toe brengen om goed werk af te leveren. Verleden jaar was tweede pinksterdag nog zo vrolijk en nu zijn wij hier erger dan dwangarbeiders. Ik weet het, het is laf van mij om zo te spreken maar wanneer ik aan vrouw en kinderen denk, dan vult de wanhoop mijn hart en doet mij verschrikkelijk lijden. Mijn tranen stromen, ik laat ze schaamteloos rollen en ben tevreden, want wenen doet mij goed en het verlicht mijn hart. Wanneer zal deze verdoemde oorlog nu eindelijk eens gedaan geraken, wanneer brengt de eindoverwinning een einde aan ons lijden? Zowel mijn makkers als ikzelf voelen ons enorm te neergeslagen en ontmoedigd en sommigen zeggen zelfs vlakaf dat het hun weinig zou maken om Duitser te worden, zolang deze oorlog maar eindigt. Deze manier van onpatriottisch spreken komt aan als een zweepslag in het gezicht. Meteen is mijn moedeloosheid verdwenen! Met veel overtuiging weet ik mijn kompanen te overtuigen van hun ongelijk, doe hen verstaan hoe noodlottig ons leven zou zijn onder Duitse tirannie. Dat wij -ondanks alle miserie en tegenspoed – stand moeten houden voor vrouw en kinderen. Hiermee is de discussie van de baan … en wordt de avond – na een bezoek aan de plaatselijke herberg – al zingend afgesloten.
Remi, 19 mei 1915
Dag Stan. Was je nu maar hier. Dan kon je zien hoe mooi het park erbij ligt. Al dat frisse groen, al die bloemen. Weet je nog, dat bed meiklokjes en vergeet-me-nietjes dat je vorig jaar hebt aangelegd? Het is zo mooi geworden. Ook de lupinen en akeleien doen het goed, en de pioenrozen staan mooier dan ooit. Ik ga er een boeket van maken, voor Cécile. Ik heb gehoord dat ze op andere plaatsen geen bloemen meer mogen planten, enkel nog patatten en ajuinen en wortelen en kolen, maar hier… Als je al die pracht ziet, zou je nog vergeten dat het oorlog is.
Maar je moet niet te nauw kijken, Stan. Geen idee wat ze van plan zijn, maar het lijkt wel of ze hangars aan het bouwen zijn. Jawel, op het domein van het kasteel. Er wordt zelfs gezegd dat er een spoorlijn zal komen, dwars door het park. Ik kan het moeilijk geloven. Ik hoop maar dat ze die plannen niet doorzetten.
Ook met de duiven zijn ze wat van plan. Hun vleugels moeten geknipt worden. Hoe verzinnen ze het toch? Wat voor kwaads kunnen duiven nu aanrichten? Het is om spionage tegen te gaan, zegt Fabrice, duiven kunnen informatie overbrengen. Daar zit wat in natuurlijk, maar van spionage heb ik nog niets gezien.
Met Fabrice ben ik naar het schapenscheren gaan kijken. Binnenkort gaan we eens naar een paardenschouwing. De kippen van zijn broer, die boer in Vrasene, leggen nog maar een derde van de normale hoeveelheid eieren. Omdat ze geen graan gevoerd mogen worden, en omdat mais te duur is en moeilijk te verkrijgen. Ik denk niet de moffen daar rekening mee hebben gehouden toen ze hun regeltjes invoerden. Soms zou je denken dat die kerels maar wat opdoen. Zoals met hun stro… Je hebt er geen idee van hoeveel stro en hooi de boeren al hebben moeten inleveren.
Waait het bij jullie ook nog steeds zo hard? Hier zijn weer telefoondraden afgeknapt. Dat zal nog meer gebeuren als ze de pottekes aan de bomen blijven vastmaken en niet aan aparte posten, zegt Fabrice. Pientere kerel. Maar weet je, Stan, ik denk dat hij met louche zaakjes bezig is. Al dat heen en weer lopen over die grens met het Etappengebied, al de dingen die hij weet … Ik vind het soms wel raar. Gisteren hadden we het over brieven en post enzo en over hoe graag ik je zou schrijven maar dat dat niet gaat. En toen zei hij: het is niet omdat het niet mag, dat het niet kan. Hoe dan, vroeg ik. Niets is onmogelijk, zei hij toen. Maar ik heb geen adres, zei ik, wie weet hoeveel kaarten of brieven Stan al gestuurd heeft, maar geen enkele komt toe. Toen zei hij: ik beloof je dat zijn volgende post wel bij jou terechtkomt. En toen wist ik niks meer te zeggen. Ik wil het anders heel graag geloven. Laat je dus iets weten, Stan? Een kort bericht is al goed. Mét adres, zodat ik je kan terugschrijven.
Cécile, 14 mei 1915
Dag zus,
het is weeral even geleden dat ik je nog geschreven heb. Ik had er de puf niet voor. Ik mis mijn vroegere leventje. Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer het me verbaast dat vorig jaar alles nog normaal was. Toen kon ik nog kletsen en lachen met mijn vriendinnen, nieuwtjes en weetjes uitwisselen – ze stelden niks voor, dat zie ik nu wel in, maar wat waren ze belangrijk toen! En toen vierde ik mijn verjaardag nog samen met hen. Nu zie of hoor ik niemand meer.
Heb jij aan me gedacht, vorige week? Om me wat op te vrolijken wilde maman een nieuwe jurk voor me laten maken. Maar nergens hadden ze nog zijdegaren in voorraad, en eraan geraken was onmogelijk. Zo was het bij Leontine hier wat verderop, en bij de zussen Van den Berghe in de Zandstraat. Straf, hè.
Ik heb dan maar papa’s fototoestel gekregen – je weet hoe lang ik dat al wilde! Maar net nu is ook fotograferen een hachelijke onderneming geworden. Alleen wie toestemming heeft, mag het, en dat zijn er niet zoveel. Camiel Van de Velde uit Haasdonk is er zo een, en meester Piet Staut en Franz Mertens hier bij ons. Maar ze mogen niet eender wat fotograferen. Pasfoto’s voor op de eenzelvigheidsbewijzen, uiteraard – ik heb nu ook zo’n hatelijk vod papier dat ik altijd en overal op zak moet hebben. Maar postkaarten of afbeeldingen van verwoestingen zijn verboden, en een foto nemen waar een van hen of hun installaties opstaat is natuurlijk ook uit den boze – tenzij ze het vragen. Ze palmen echt alles in. Je moest eens zien hoe ze zich geïnstalleerd hebben in kasteel Cortewalle. Rittmeister Zu Rhein zien we geregeld op zijn witte paard door het park paraderen net alsof alles van hem is! Ik zou wel eens willen weten wat de graaf en de gravin daarvan zouden denken.
Maman houdt zich steeds meer bezig met dat Komiteit. Ze is zelfs eens meegegaan om soep uit te delen in de scholen. Ze zag de kinderen er oorlogje spelen en hoorde ze spotliedjes op de Kaiser en zijn pinhelmen zingen. Riskant is dat. Met zulke zaken kunnen die mannen niet lachen.
En papa? Die wringt zich in alle mogelijke bochten om die pinhelmen niet te bruuskeren. Er gaat bijna geen dag voorbij of ze komen hier iets halen. Sigaren, likeur, wijn, noem maar op. Van alles het beste. En dan krijgt papa een bonnetje, dat hij kan inleveren om aan zijn geld te geraken. Maar het is altijd iets met die bonnetjes; ik denk niet dat hij al veel van zijn centen gezien heeft. Excuseer, Marken zijn het nu. Zo zie je maar: zij vinden de weg naar de winkel, onze vroegere klanten niet meer. Benieuwd hoe lang deze toestand nog gaat duren. Soms denk ik dat het voor altijd is. Wat denk jij?
Cécile
Daniël Frans Struyf, 10 mei 1915
Vandaag ontmoet ik bij toeval soldaten van Zwijndrecht en Burcht. Zij melden mij de dood van zeven dorpsgenoten, anderen zijn verdwenen of krijgsgevangen genomen naar Duitsland. Omdat het nachtwerk aan de waterput zeer traag vordert(’s nachts werken is veiliger) , werken wij overdag verder. Wij worden onderverdeeld in twee groepen: wij werken verder aan de ene drinkput terwijl onze geniemakkers op een andere hoeve een nieuwe put aanboren. Het gonst van het nieuws dat ook Italië zich weldra in de oorlog zal voegen. Een grote overwinning voor de geallieerden is vast in de maak! Binnenlands nieuws wordt intussen schaarser en schaarser. Ik heb al ontelbare brieven naar het thuisfront geschreven maar ontvang geen enkel antwoord, ook al heb ik langs verschillende wegen geprobeerd mijn boodschappen over te brengen.

De oorlogsvrienden van Burght 1911-1912. Misschien zien we hier enkele dorpsgenoten waarover Frans Struyf in zijn dagboek spreekt? Voor meer informatie over deze Burchtse soldaten zie: http://helden.familiekunde-landvanwaas.be. Met dank aan Rositta van Havere
