Dag Cécile,
ik wil je even laten weten dat ik niet langer in dat kamp ben waar ik je in mijn vorige brief over geschreven heb – ik hoop dat je die brief gekregen hebt. Ik ben overgeplaatst en ben, samen met een andere jongen van mijn leeftijd, toegewezen aan een boerderij. Al met al is dat een geluk, denk ik; ik had het heel wat erger kunnen treffen. Het ziet er hier goed uit en de boer en de boerin lijken op het eerste gezicht mee te vallen. Toen we hier toekwamen, een uur geleden, kregen we meteen een stuk brood en wat soep. Waterige soep, dat wel, maar het is beter dan niks. Nu hebben we een half uur om ons te installeren op onze kamer – een stuk van de hooizolder; straks beginnen we te werken. Ook Ward lijkt mee te vallen – dat is de jongen die samen met mij naar hier gekomen is; ik hoop dat we vrienden kunnen worden. Ik moet afsluiten nu, Cécile, maar ik beloof je dat ik je zal schrijven zo vaak als ik kan. Als jij mij zou willen schrijven: het adres staat op de achterkant. Het zou me heel blij maken nieuws van je te ontvangen, meer dan je je kunt inbeelden.
Je trouwe vriend Remi
Een paar weken geleden hing er een affiche uit, met een oproep voor alle onderstandstrekkers van Sint-Gillis, Vrasene, De Klinge, Meerdonk, Verrebroek en Kieldrecht om zich op 25 oktober om 11 u aan het station van Sint-Gillis-Waas aan te melden, klaar voor een “reis”. Ze zouden weggevoerd worden om voor de Duitsers aan de spoorwegen in het Etappengebied te gaan werken. Op die affiche stond dat een vrije arbeider 40 pfennig per uur zou gaan verdienen, een geschoolde ambachtsman 60 pfennig per uur. Per dag wordt er van hun loon wel 1,50 Mark afgetrokken voor hun eten: 250 gram vlees, 750 gram brood en groenten per dag. Voor een dak boven hun hoofd en een gevulde strozak wordt kosteloos gezorgd. Om de zoveel tijd mogen ze op zondag naar huis komen; ook die reis wordt betaald. Toch gul van de moffen, niet? Wie weigert te vertrekken, krijgt volgende straffen: 3 jaar gevangenis en tot 10.000 Mark boete.
Met het kasteel valt het nog mee, ook al lopen die pinhelmen er in en uit of het daar allemaal van hen is. Maar wat ze met het park aan het doen zijn… het is onherkenbaar.
Bomen gerooid, smalspoor aangelegd, loodsen gebouwd – het ziet er niet uit. En ik maar tegen Cécile zeggen dat ik schone plekjes kende, dat ik haar wel eens wilde meenemen als ze er behoefte aan had om eens buiten het dorp te zijn. “Je voelt je er niet zo verstikt,” zei ik, en zo is het ook, al moet je goed uitkijken waar je loopt. Het kwam omdat ze zei dat het dorp haar soms zo beklemde; vroeger ging ze in augustus altijd op reis, maar nu kon dat niet meer en ze miste het. Vandaar dat ik over de veldwegels en de holle paden begon. Hoe zij reageerde? Op haar manier. “Ik zal erover nadenken,” zei ze. Niet afkerig, maar toch wat terughoudend en uit de hoogte. Misschien heb ik het wat te direct gezegd; misschien moet je met zulke meisjes omzichtiger te werk gaan. Nou ja, het is gebeurd, en de klok kan ik niet terugdraaien. Anders deed ik het meteen! Dan ging ik terug naar – pakweg – mei 1914; toen was alles nog normaal. Je hebt de groeten van ons moeder; vorige week ben ik bij haar langsgegaan. Gezien de omstandigheden gaat het goed met haar. Ook Gust stelt het wel. En jij? Zolang geleden weeral dat ik nog van je gehoord heb.
Neem nu vorige week, toen Marie confituur wilde maken. Ze heeft een rode bessenstruik op haar koertje en die hing vol. Nu moet het lukken dat burgemeester Pypers op datzelfde moment een bekendmaking liet uithangen voor het aanvragen van suiker voor het maken van confituur. Wij blij toen we het hoorden natuurlijk – tot we die affiche lazen. Toen dachten we: laat maar zo; het was de eerste keer dat Marie confituur wilde maken, dus aan de eerste voorwaarde konden we al niet voldoen. Waarom maken we het elkaar toch zo moeilijk, vraag ik me dan af. Nou ja, ik weet wel waarom, rantsoenering enzo, maar toch. Dat zijn van die zaken die door mijn hoofd spoken als ik langs onze sluiproutes wandel en zie hoe schoon onze velden en paden en bossen erbij liggen deze zomer – zolang er geen moffen in de buurt zijn tenminste. Ook aan Cécile denk ik dan, en hoe het zou zijn om daar met haar te lopen. Vind je dat gek? Misschien moet ik haar eens vragen of ze mee wil; wie weet stemt ze toe.