Brieven WOI

Remi, 19 mei 1915

Dag Stan. Was je nu maar hier. Dan kon je zien hoe mooi het park erbij ligt. Al dat frisse groen, al die bloemen. Weet je nog, dat bed meiklokjes en vergeet-me-nietjes dat je vorig jaar hebt aangelegd? Het is zo mooi geworden. Ook de lupinen en akeleien doen het goed, en de pioenrozen staan mooier dan ooit. Ik ga er een boeket van maken, voor Cécile. Ik heb gehoord dat ze op andere plaatsen geen bloemen meer mogen planten, enkel nog patatten en ajuinen en wortelen en kolen, maar hier… Als je al die pracht ziet, zou je nog vergeten dat het oorlog is.

Maar je moet niet te nauw kijken, Stan. Geen idee wat ze van plan zijn, maar het lijkt wel of ze hangars aan het bouwen zijn. Jawel, op het domein van het kasteel. Er wordt zelfs gezegd dat er een spoorlijn zal komen, dwars door het park. Ik kan het moeilijk geloven. Ik hoop maar dat ze die plannen niet doorzetten.

Ook met de duiven zijn ze wat van plan. Hun vleugels moeten geknipt worden. Hoe verzinnen ze het toch? Wat voor kwaads kunnen duiven nu aanrichten? Het is om spionage tegen te gaan, zegt Fabrice, duiven kunnen informatie overbrengen. Daar zit wat in natuurlijk, maar van spionage heb ik nog niets gezien.

Met Fabrice ben ik naar het schapenscheren gaan kijken. Binnenkort gaan we eens naar een paardenschouwing. De kippen van zijn broer, die boer in Vrasene, leggen nog maar een derde van de normale hoeveelheid eieren. Omdat ze geen graan gevoerd mogen worden, en omdat mais te duur is en moeilijk te verkrijgen. Ik denk niet de moffen daar rekening mee hebben gehouden toen ze hun regeltjes invoerden. Soms zou je denken dat die kerels maar wat opdoen. Zoals met hun stro… Je hebt er geen idee van hoeveel stro en hooi de boeren al hebben moeten inleveren.

Waait het bij jullie ook nog steeds zo hard? Hier zijn weer telefoondraden afgeknapt. Dat zal nog meer gebeuren als ze de pottekes aan de bomen blijven vastmaken en niet aan aparte posten, zegt Fabrice. Pientere kerel. Maar weet je, Stan, ik denk dat hij met louche zaakjes bezig is. Al dat heen en weer lopen over die grens met het Etappengebied, al de dingen die hij weet … Ik vind het soms wel raar. Gisteren hadden we het over brieven en post enzo en over hoe graag ik je zou schrijven maar dat dat niet gaat. En toen zei hij: het is niet omdat het niet mag, dat het niet kan. Hoe dan, vroeg ik. Niets is onmogelijk, zei hij toen. Maar ik heb geen adres, zei ik, wie weet hoeveel kaarten of brieven Stan al gestuurd heeft, maar geen enkele komt toe. Toen zei hij: ik beloof je dat zijn volgende post wel bij jou terechtkomt. En toen wist ik niks meer te zeggen. Ik wil het anders heel graag geloven. Laat je dus iets weten, Stan? Een kort bericht is al goed. Mét adres, zodat ik je kan terugschrijven.

Cécile, 14 mei 1915

Dag zus,

het is weeral even geleden dat ik je nog geschreven heb. Ik had er de puf niet voor. Ik mis mijn vroegere leventje. Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer het me verbaast dat vorig jaar alles nog normaal was. Toen kon ik nog kletsen en lachen met mijn vriendinnen, nieuwtjes en weetjes uitwisselen – ze stelden niks voor, dat zie ik nu wel in, maar wat waren ze belangrijk toen! En toen vierde ik mijn verjaardag nog samen met hen. Nu zie of hoor ik niemand meer.

Heb jij aan me gedacht, vorige week? Om me wat op te vrolijken wilde maman een nieuwe jurk voor me laten maken. Maar nergens hadden ze nog zijdegaren in voorraad, en eraan geraken was onmogelijk. Zo was het bij Leontine hier wat verderop, en bij de zussen Van den Berghe in de Zandstraat. Straf, hè.

Ik heb dan maar papa’s fototoestel gekregen – je weet hoe lang ik dat al wilde! Maar net nu is ook fotograferen een hachelijke onderneming geworden. Alleen wie toestemming heeft, mag het, en dat zijn er niet zoveel. Camiel Van de Velde uit Haasdonk is er zo een, en meester Piet Staut en Franz Mertens hier bij ons. Maar ze mogen niet eender wat fotograferen. Pasfoto’s voor op de eenzelvigheidsbewijzen, uiteraard – ik heb nu ook zo’n hatelijk vod papier dat ik altijd en overal op zak moet hebben. Maar postkaarten of afbeeldingen van verwoestingen zijn verboden, en een foto nemen waar een van hen of hun installaties opstaat is natuurlijk ook uit den boze – tenzij ze het vragen. Ze palmen echt alles in. Je moest eens zien hoe ze zich geïnstalleerd hebben in kasteel Cortewalle. Rittmeister Zu Rhein zien we geregeld op zijn witte paard door het park paraderen net alsof alles van hem is! Ik zou wel eens willen weten wat de graaf en de gravin daarvan zouden denken.

Maman houdt zich steeds meer bezig met dat Komiteit. Ze is zelfs eens meegegaan om soep uit te delen in de scholen. Ze zag de kinderen er oorlogje spelen en hoorde ze spotliedjes op de Kaiser en zijn pinhelmen zingen. Riskant is dat. Met zulke zaken kunnen die mannen niet lachen.

En papa? Die wringt zich in alle mogelijke bochten om die pinhelmen niet te bruuskeren. Er gaat bijna geen dag voorbij of ze komen hier iets halen. Sigaren, likeur, wijn, noem maar op. Van alles het beste. En dan krijgt papa een bonnetje, dat hij kan inleveren om aan zijn geld te geraken. Maar het is altijd iets met die bonnetjes; ik denk niet dat hij al veel van zijn centen gezien heeft. Excuseer, Marken zijn het nu. Zo zie je maar: zij vinden de weg naar de winkel, onze vroegere klanten niet meer. Benieuwd hoe lang deze toestand nog gaat duren. Soms denk ik dat het voor altijd is. Wat denk jij?

Cécile

Jozef Simons, 2 mei 1915

Oorlog in zijn volle betekenis

De beschieting van Poperinge is sinds enige dagen stilgevallen. De Duitsers sparen hun granaten zeker op voor de frontlinie … Gisteren en eergisteren keerden heel wat Poperingenaars terug naar hun huizen. Vandaag, zondag, leest een priester om 8 uur de mis in de Sint-Bertinuskerk en ik besluit er ook heen te gaan. Ik geniet van mijn wandeling, het is mooi weer, maar nog een beetje koel, zo vroeg in de ochtend.

In de getroffen stad zie ik daken zonder pannen en gebroken ruiten. In de Pottestraat kom ik langs een granaatput van zo’n 3 meter diep en met een omtrek van wel 30 stappen. De Grote Markt heeft weinig geleden, hoewel van een van de grotere huizen alleen nog een muur recht staat waartegen een bordje hangt: ‘vaccinatiebureel’. In de Sint-Bertenskerk zijn de pas herstelde ramen nog intact. Ze waren op 12 maart, bij een aanval met een Taube, aan diggelen gegooid.
Na de mis loop ik verder rond in de stad. Ze heeft minder schade opgelopen dan de Engelse pers liet uitschijnen. Vooral de Veurnestraat en de stationsbuurt zijn zwaar getroffen. Misschien moet het ergste nog komen?

Aan een pas heropende herberg troepen wat jonge mannen samen om een pint te pakken. Ze zijn tussen de 18 en de 25. Ze moeten zich voor 15 mei aanmelden en kijken ernstig. Ze zijn zich hier, zo dicht bij de frontlijn, maar al te goed bewust van de volle betekenis van dat vreselijke woord: ‘oorlog’.

 

Naar J. Simons, Schetsen en verhalen van een kanonnier, Excelsior Brugge, 1926. Deel I Brieven uit de oasis, p. 28-30

JOZEF SIMONS, 28 april 1915

Poperinge onder vuur

Oorlogsnieuws verwacht u van ons, uit Vrij België, van achter het front, uit de hoppestreek die nu lijkt op een reusachtig legerkamp waarin verschillende huids- en uniformkleuren in elkaar overlopen? Steeds moeilijker wordt het: mijn laatste brief, vol met interessante wetenswaardigheden over plaatsnamen, militairen en legeroversten is door de censuur verticaal geklasseerd. Ik onderneem nu een nieuwe poging, in de hoop dat dit bericht u wel bereikt.

Het belangrijkste nieuws van de week is voor ons een kwestie van leven en dood: sedert vorige vrijdag slaagt Frits erin om ons onder vuur te nemen. Dagelijks komen, met Duitse stiptheid, vier Oostenrijkse marmieten van kaliber 305 voorbij om drie kilometer verder neer te vallen, met een gekmakend gebulder te ontploffen en Poperinge te ‘vermoorden’. Gisteren en vandaag zijn er geen mensenlevens te betreuren. De stad is verlaten en in de vernielde Veurnestraat is de hop van de zolders op straat geslingerd.

Helemaal anders ging het er zondag aan toe. Toen viel de eerste bom op het gasthuis dat nog niet was ontruimd. De granaat scalpeerde een ziekenzuster, terwijl de vrouw die ze te drinken gaf, helemaal werd verpletterd. In diezelfde zaal vonden nog drie andere zusters en zes zieke burgers de dood…

 

Naar J. Simons, Schetsen en verhalen van een kanonnier, Excelsior Brugge, 1926. Deel I Brieven uit de oasis, p. 25-26

Remi, 7 april 1915

Ik heb Marie van onze Gust gezien, Stan! Heel even maar. Het gebeurde nogal stommelings; ik botste bijna tegen haar op in de Kloosterstraat, net toen ik van bij Cécile kwam. Marie werkt nu bij bakker Borgelioen op de Markt in Beveren. Hard werk, zei ze, maar wel plezant. Ik vroeg haar wanneer ze eens bij moeke en vake langskwam, maar daar antwoordde ze niet op. En toen ik haar vroeg of ze iets wist van onze Gust kon ze ook al niks zeggen. ‘Als ik iets weet, laat ik het je horen,’ beloofde ze, en toen ging ze vlug naar de bakkerij.

Hoe ze daar nog brood kunnen bakken is me trouwens een raadsel. De Duitsers nemen alles voor zich. Zo goed als na elke mis wordt er voorgelezen hoeveel kilo graan er die keer ingeleverd moet worden. En anders laten ze het uitbellen of afroepen. Overal hoor ik de boeren zeggen dat ze bijna niks meer in voorraad hebben; ze zijn niet eens zeker of ze wel kúnnen leveren. Nochtans… In Melsele (ook dat heb ik van horen zeggen) hebben de boeren onlangs meer dan 25 000 kg aardappelen aan Louis Franck kunnen leveren – dat is die schepen van Antwerpen, die zich nu bezig houdt met het Komiteit. Ik weet niet wat ik daar van moet geloven.

De laatste dagen is het hier nogal stormachtig weer. Bij jou ook? Er zijn telefoondraden afgeknakt. Dat zal wel weer een hoop gedoe geven, we zullen ze wel weer “gesaboteerd” hebben.

Fabrice zit in een lastige situatie, Stan. Zijn naam staat op de lijst met mannen die om de twee weken afgeroepen wordt op het dorpsplein. De Duitsers doen dat om te zien of ze er nog zijn en niet naar Nederland zijn vertrokken om zo naar het leger achter de IJzer te kunnen – iets waar Fabrice het ook wel eens over heeft. Het is nu zover gekomen dat mannen tussen 18 en 45 jaar geen pas meer krijgen om naar Nederland te gaan. Niet dat dat hen tegenhoudt; dan steken ze te voet de grens over, er zijn er genoeg die de achterafwegen kennen. Maar nu met dat Meldeamt is alles weer anders geworden. Als je naam afgeroepen wordt en je bent er niet, dan wordt je vader opgepakt, zeggen ze. En in jouw plaats naar Duitsland of Rusland gestuurd. Welke zoon doet zijn vader zoiets aan? Zoals je ziet, Stan: het is niet simpel om hier weg te geraken. Straks moet ik nog blij zijn dat jij al weg bent.

Cécile, 30 maart 1915

Dag zus,

ze willen dat ik winkeljuffrouw word. Of bakkersknecht. Nonkel Henri kwam daarmee af. Ze hebben de handen vol met werk voor het Komiteit, en wat extra hulp zou van pas komen. Dat begrijp ik best, maar waarom ik? Ik zie het mezelf nog niet doen. Ze hebben nochtans iemand nieuw, een zekere Marie, een knap ding. Die zal de klanten nogal doen toestromen! Straf is dat. Bij ons komt niemand meer. Om niet alles te laten beschimmelen – of stelen door die pinhelmen – eten we het allemaal zelf op. Eerder deze maand is er in het ziekenhuis een eetwarenwinkel van de gemeente geopend. Niet zo’n goede zaak voor ons. De burgemeester zelf had ons uitgenodigd voor de plechtige opening. Beleefdheidshalve zijn maman en papa ernaartoe gegaan. Ik niet. Ik heb daar niks te zoeken, al zou een verzetje misschien wel deugd gedaan hebben. Ik moet terug naar school, wist je dat al? Het is te zeggen: volgens onze nieuwe, grote baas, gouverneur-generaal Von Bissing. Verplicht onderwijs voor iedereen tot veertien jaar. Dat beslist die opperpin zomaar. Niet slecht eigenlijk, maar hoe dat praktisch geregeld moet worden? De scholen zitten vol soldaten. ’s Nachts slapen ze in de klaslokalen, de refter, de turnzaal. Overdag hangen ze rond op de speelplaats, in de refter, in de turnzaal. En dat met al die kinderen… Wat moet daar van komen? Je ziet wat er in Haasdonk is gebeurd, met dat zesjarige meisje. En dan heb ik het nog niet over het gevaar dat oudere meisjes lopen met al die mannen in de buurt. Dat is de reden waarom maman en papa besloten hebben me niet terug naar het pensionaat te sturen, vermoed ik. We zijn er gaan kijken, maar toen ze al die mannen zagen, wisten ze genoeg. Verplicht of niet, ik ga dus niet meer naar school. Ja, ik pleeg verzet! Met het medeweten en de goedkeuring van maman en papa. Het klinkt misschien stom, maar het geeft een goed gevoel. En op die paar maanden zal het wel niet aan komen zeker. Wat geen goed gevoel gaf, Eléonore, was wat we in Melsele zagen. De pinhelmen zijn daar loopgraven aan het aanleggen. Ze kappen alle hoge bomen, halen wijmen weg en graven de weiden af tot zo’n 20 cm diep. Verwachten ze soms een inval? Het maakte me wat zenuwachtig. Het was wel weer een perfect voorbeeld van hoe tegenstrijdig die kerels kunnen zijn: wij in Beveren mogen net géén bomen meer vellen, heggen en afsluitingen slopen. En geen enkel stuk land ligt er hier nog onbenut bij. Elk grasveld, elk plein, zelfs het kleinste strookje gras wordt omgeploegd om er aardappelen te planten. En de boeren moeten hun rapen van de velden halen en er koren en kolen planten. Zelfs dat beslissen we niet meer zelf. Hoor mij nu, ik begin al als een echt boerinnetje te klinken. Waar moet dat heen? Ik zal maar vlug mijn schildergerief boven halen. Een beetje tegengewicht bieden. Verras jij me een van deze dagen met een briefje of zo? Ik kijk er zo naar uit…

Veel liefs,

Cécile

Remi, 9 maart 1915

Het is waar, Stan: ze hebben ons opgedeeld. Er loopt nu ook een grens tussen de dorpen, met prikkeldraad en wachtposten en al. Ik heb het gezien. Fabrice heeft me meegenomen naar Vrasene, en dat moest allemaal in ’t geniep. Eerst zijn we gaan kijken naar zo’n wachtpost, aan ’t Zillebeek. Er is daar een smid, Alois Van Hoeyweghen, zijn vrouw Julia baat er een herbergje uit. Dichter zijn we niet geraakt en dat was niet nodig ook. Die smid en zijn vrouw hebben 37 Duitsers ingekwartierd gekregen. 37! Ik vroeg me af hoe dat gaat, zo’n hele dag tussen de moffen, maar ik durfde het niet te vragen. Zo op het eerste gezicht vielen ze wel mee; het waren al wat oudere mannen. Ik durf het bijna niet te zeggen, maar die vallen meestal wel mee. De gewone soldaten, bedoel ik, niet de officieren, die voelen zich te goed voor Jan en alleman. We zijn niet lang gebleven bij Alois en Julia. Daarna heeft Fabrice me meegenomen naar zijn broer. Met een hele grote omweg. Via wegels, over de velden, zelfs door tuinen – hij kent de mensen daar goed. ‘In de zomer zal het gemakkelijker zijn,’ zei hij. ‘Dan staat alles groen en staan de gewassen op de velden hoog.’ Ik was de hele tijd bang dat we gezien zouden worden door patrouilles. Die ulanen met hun speren en dat zotte ding op hun kop, ik moet er niet veel van hebben. Maar alles is goed verlopen. Ik ben ook bij Marie van onze Gust langs geweest; ze was niet thuis. Misschien probeer ik het later nog eens. Als ik tijd heb. Als ik wil, kan ik terug op het kasteel gaan werken. Mijn job van vroeger. Ik weet niet of ik wel voor de Duitsers wil werken. Of moet ik dat anders zien? Als ik het park blijf onderhouden, doe ik dat dan voor meneer, voor als hij terugkomt? Ik weet het niet. Misschien is het wel een kans. Er is nog maar heel weinig werk. Alleen de blokmakers kunnen het werk niet bijhouden; die moeten massa’s klompen maken voor het Komiteit, ze kunnen ze niet eens behoorlijk afwerken. Maar hoeveel dokwerkers, handwerkers, timmerknechten, metseldienders, zitten niet met hun duimen te draaien? Ze krijgen hulp van het Komiteit, maar een vetpot is dat ook niet. In ruil moeten ze helpen met het kuisen van de beken en het ophopen en onderhouden van de straten. Een paar dagen per week maar. Ze worden dan betaald door de gemeente. Daar komt nog bij dat de pinhelmen hen extra streng in het oog houden. Vooral de dienstplichtigen. Om de twee weken worden hun namen afgeroepen voor het gemeentehuis, om te zien of ze er nog zijn. Er willen er te veel naar Holland, en zo naar het front. Fabrice is er ook bij. Ik hoop dat hij hier blijft, Stan. Hij komt soms wat grof uit de hoek, maar ik heb veel aan hem. Maar jouw raad zou ik ook nog steeds goed kunnen gebruiken. Want gemakkelijk is het allemaal niet.

 

Cécile, 23 februari 1915

Beste Eléonore,

eindelijk eens goed nieuws! Onze logés gaan weg; ze zijn aan het pakken. Hopelijk nemen ze alleen hun eigen spullen mee – zeker weet je dat nooit met die kerels – maar toch: het voelt alsof we een stukje vrijheid terugkrijgen. Zolang we maar geen nieuwe moffen in de plaats krijgen natuurlijk. Voor de rest is de vrijheid hier ver te zoeken. Het is altijd wat. Nu is het weer dat alle mogelijke bijeenkomsten verboden zijn. Zelfs vastenavond mocht niet gevierd worden, niemand mocht zich verkleden. (Maar de verjaardag van hun Kaiser, 27 januari, die moesten we wel vieren, willen of niet!) Ik ben nooit zo tuk geweest op carnaval en zo, dat weet je, maar nu het niet meer mag werd het opeens heel aanlokkelijk. Ik heb het toch maar niet gedaan. Al goed, want een week later liet burgemeester Pypers weten dat de gemeente veroordeeld was tot een boete van 5 000 frank. Niet weinig, hè. Geen idee waarom. En passant maande hij ons aan om ons “te onthouden van daden tegenover de bezetter”. Zo zie je maar. Veel moeten we niet doen om ons “Duitsvijandig” te gedragen. Maar zij? Zij mogen wel met ons sollen! Moet je horen hoe ze burgemeester Verstockt van Vrasene aan het lijntje houden. Hij stuurde de commandant in Sint-Niklaas 31 bons voor betaling van geleverd vee door inwoners van Vrasene. Een week later komen die bons gewoon terug bij hem; ze moeten naar de Etappenkommandantur in Lokeren gestuurd worden. Hij doet dat. Weer een week later komen die bons weer terug. Deze keer moeten ze rechtstreeks naar Gent gestuurd worden. Wat zullen ze daar verzinnen? Zo blijf je bezig. En of die boeren ooit hun geld gaan zien… Zo gaat het er hier aan toe, Eléonore. Wat kan ik je nog vertellen? Elvire, die vriendin van maman, zit haar steeds maar te porren om mee te werken aan het liefdadigheidscomité hier. Het valt onder het Provinciaal Comité van Antwerpen, niet dat van Sint-Niklaas of Oost-Vlaanderen. Dat heeft met die verdeling in Etappengebied en Gouvernementsgebied te maken. Omdat Beveren binnen de vroegere fortengordel rond Antwerpen ligt, horen we tot de Vesting Antwerpen, en daarom tot het Gouvernementsgebied. Je moet het maar weten. En ik? Wat doe ik hele dagen lang? Niet veel. Ik lees wat, ik schrijf brieven, ik probeer wat te schilderen, ik verveel me. We zien weinig mensen. Van tijd tot tijd de buren, en die jongen van Ter Saksen – Remi heet hij, geloof ik – die komt nog wel eens een bloemstuk brengen. En af en toe loop ik binnen bij nonkel Henri en tante Virginie. Het gaat goed met hen, met de nichten ook. Neef Florent zit aan het front, hij is sergeant. Misschien kun jij hem eens opzoeken? Heb jij soms nieuws? Dan hoor ik het graag – en snel!

Tot gauw,

je zusje Cécile

 

Remi, 16 februari 1915

Dag Stan. Vandaag is het de verjaardag van ons moeke. Dat was je toch niet vergeten? Zij niet hoor. Het is haar gewoonte niet om er veel drukte rond te maken, maar deze keer hoopt ze zo dat je haar komt verrassen. Dat zou wel plezant zijn. We zien hier bijna niemand meer. Het is ook helemaal niet meer zo eenvoudig om ergens te geraken. De Duitsers hebben een grens getrokken dwars langs onze dorpen heen. Doel, Kieldrecht, Verrebroek, Vrasene, Velle en Nieuwkerken schijnen allemaal aan de andere kant te liggen. Zij horen tot het Etappengebied, wij tot het Gouvernementsgebied. Geen idee wat het wil zeggen, maar die grens steek je niet zomaar over. Zelfs vee niet! Alleen de vogels geraken er zonder problemen over. Overal staan wachtposten en je hebt pasjes en zo nodig. Daarom denk ik dat er niet veel zullen komen vandaag. Zo zie je maar. Vijf kilometer verderop en je bent van elkaar afgesneden. En die langs onze kant… Op Hortense moeten we niet rekenen, en Marie van onze Gust… Nee, die verwacht ik hier ook niet. Misschien moet ik maar eens bij haar langs gaan, vragen of ze iets weet van hem. Ik heb horen zeggen dat hij in Nederland zit, hoe of wat weet ik niet. Dat moet dan wel al een tijdje zijn, want weerbare mannen mogen de grens met Nederland niet meer over. Weerbare mannen, dat zijn die tussen 18 en 45 jaar. En ieder ander heeft een pas nodig. Die pinhelmen met hun passen en hun grenzen ook… Weet je wat Fabrice zegt? Dat die grenzen zo lek zijn als een zeef. Geregeld gaat hij naar Vrasene, naar zijn broer die daar boer is. Die heeft het ook niet gemakkelijk. Zijn akker op Bevers grondgebied kan hij niet gaan bewerken. Voortdurend wordt hij gecontroleerd om te zien hoeveel hooi hij in voorraad heeft, de Duitsers eisen het allemaal op, ook zijn stro. Hij mag niet verkopen wat hij wil, aan lijnzaad voor de eerste zaaitijd geraakt hij niet. Hij weet zelfs niet meer wat hij zijn koeien nog te eten kan geven. Fabrice zegt dat hij me wel eens mee zal nemen. Ik weet niet of dat wel een goed idee is. Langs de andere kant: wat zit ik hier hele dagen te doen? Het kasteel zit vergeven van de moffen, daar heb ik niks meer te zoeken. Ons spaargeld is bijna op; hier en daar klus ik wat bij een boer, maar veel brengt dat niet op. Maar goed, eerst moeke haar verjaardag. Zorgen dat ze zich niet al te alleen voelt vandaag. Misschien springt iemand van de buren wel binnen, Eufrasie of zo. Gelukkig is het weer wat gekalmeerd. Niks dan wind, regen en natte sneeuw hebben we al gehad. Er zijn nogal wat telefoon- en telegraafdraden losgerukt. Al een geluk dat de pinhelmen van tijd tot tijd zelf omver geblazen werden, of ze gaven ons weer de schuld. Morgen naar Cécile. En even langs Marie? Ik zie nog wel. Tot de volgende keer, Stan. Ik wacht nog steeds op bericht van jou.

Cécile, 12 januari 1915

Liefste zus,

ik kom er wat laat mee aanzetten, maar ik wens je alsnog het allerbeste voor dit nieuwe jaar: een goede gezondheid, brave kinderen, warme handen en voeten en een vol bord driemaal daags. Ik hoop dat je gezellige feestdagen hebt doorgebracht, daar ver weg van ons. Dit was de eerste keer dat we kerst en oudejaar niet samen hebben gevierd, en ik vond het maar niets. Ik heb je gemist, temeer omdat ik ziek was en niemand had om tegen te klagen. Heb jij mij ook gemist? Nochtans: wees blij dat je niet hier was. Je weet wel, met die Duitsers in huis. Geloof het of niet, maar ze hebben een echte spar in papa zijn bureau gezet. En die hebben ze volgehangen met vergulde appels en peren, gouden ballen en strikken, slingers en kaarsen. Vooral die kaarsen stonden maman niet aan; zij zag ons huis al in vlammen opgaan. Maar veel valt er niet te zeggen aan die kerels, al hebben ze, toen ze merkten hoe overstuur maman was, beloofd dat ze die kaarsen niet zouden aansteken. Ze lachten ermee, het ging al spottend, denk niet dat ze het deden uit voorkomendheid of respect voor ons, maar goed, ze hielden zich aan hun belofte. En dat is al heel wat. Ze maken me ziek, Eléonore. Zo dikwijls ontvlucht ik het huis en sluit ik me op in mijn schuilhol dat ik ei zo na een longontsteking heb opgedaan in dat tochtige bouwval. Ik ben goed ziek geweest. Het begon de dag voor kerst en het heeft geduurd tot enkele dagen geleden. Even zag het ernaar uit dat het de verkeerde kant opging, maar nu gaat het beter. Dit is de eerste dag dat ik weer op ben. Waarschijnlijk klinkt het gek, maar eigenlijk kwam het wel goed uit dat ik net nu zo ziek was. Het bespaarde me heel wat heildronken en Duitse kerstliederen en vette worst – want zo vieren zij kerst, onze geëerde gasten, en ze waren zo gastvrij ons te betrekken bij hun feestelijkheden. Omdat maman en papa me niet alleen wilden laten, wilden ze niet naar nonkel Henri en tante Virginie – die hadden het trouwens ook heel druk, hun bakkerij blijft het meer dan goed doen. Er zat voor hen dus niets anders op dan thuis te blijven, bij onze Duitsers. Ik weet niet hoe ze het er vanaf brachten, maar gemakkelijk zal het niet geweest zijn, bang als ze zijn om beschuldigd te worden van “Duitsvijandig gedrag” of “daden tegenover de bezetter”. Gelukkig kon maman zich van tijd tot tijd uit de voeten maken om mij te komen verzorgen, want al die tijd lag ik in bed, rillend van de koorts, denkend aan hoe het vroeger was. En aan hoe jij in alle vrijheid – zo stel ik me dat voor – aan het feestvieren was, ver weg van ons. Die vrijheid benijd ik je. Ze is ons vurigste verlangen in deze sombere tijden. Niet alleen voor ons, maar ook voor jou, zodat je naar huis kan terugkeren – of op zijn minst iets van je kan laten horen.

Hopend op een beter jaar dan het vorige,

je zusje Cécile