Beveren Bezet

Daniël Frans Struyf, 25 december 1914

25 december 1914. Het is dus Kerstmis. Vorig jaar nog zo‘n vrolijke feestdag, dit jaar weemoedig en droevig hier op het akelige oorlogsveld. Het sneeuwt en het is bitter koud, zo koud dat wij ons stro niet durven verlaten. We zingen samen het kerstlied ‘het is middernacht’ maar vallen terug stil wanneer wij denken aan onze familie in bezet België. Ook daar vieren ze Kerstmis, misschien zonder vuur in de kachel, wenend van honger en koude. De alomtegenwoordige stilte weegt zwaar op ons gemoed en hier en daar hoor ik diep gezucht en treuren. Om 10 uur gaan wij naar de kerk van de Paters Oblaten in de Panne om de Kerstviering bij te wonen. Vol godsvrucht zien wij de koninklijke familie de misgebeden volgen. ’s Middags krijgen wij enkele kleine geschenken aangeboden door onze vorstin, koningin Elisabeth. s’ Avonds rond 6 uur trekken wij opnieuw naar de eerste linie tussen St. Georges en Nieuwpoort en werken wij vlijtig door om de bijtende koude niet te moeten voelen. Rond vier uur ‘s morgens keren wij terug zonder ongelukken of gewonden. Wat een geluk.

 

Cécile, 22 december 1914

Eléonore,

moet je nu wat weten!? Het is verschrikkelijk! We hebben Duitsers in huis. Jawel, we zijn uitverkoren voor inkwartiering. Daarnet zijn ze hier toegekomen; ze waren met twee. Hoe ze heten, welke rang ze hebben, waar ze vandaan komen… ik weet het niet, en ik wil het niet weten ook. Ik kon hen niet eens aankijken. Ze zijn hier teveel, en dat is het enige wat telt. Ze hebben jouw kamer ingenomen, en de logeerkamer. En papa zijn bureau. Zonder te vragen! Onbeschoft vind ik zoiets. Maar wie ben ik? Ik moet zo oppassen, Eléonore, met wat ik doe, met wat ik zeg, met wat ik niet zeg. En dat valt me zwaar, je kent me. Sinds ze hier zijn, heb ik me opgesloten in dat oude bureau van papa op de bovenverdieping van het vroegere opslagmagazijntje achterin de tuin, je weet wel, dat overwoekerd schuurtje. Dit wordt nu mijn schuilhol. Van mij alleen. Hier kan ik denken wat ik wil, het gezicht trekken dat ik wil. Als het hier niet zo kil was, zou het hier zelfs gezellig zijn – daar moet ik nog wat op vinden. Wat ik hier wel al gevonden heb, is een prima plaatsje om de brieven die ik naar je schrijf te verbergen; ik kan ze toch niet versturen, de post is in handen van de pinhelmen en ze lezen alles na. Die weg is dus niet te vertrouwen. Misschien vind ik ook daar nog wel een oplossing voor. Dus Eléonore: als je hier een van deze dagen onverwachts voor de deur zou staan – om samen kerst te vieren bijvoorbeeld – schrik dan niet van die geüniformeerde bruten hier in huis. En mij zul je vinden in dit schuilhol. Hou de exacte locatie voor jezelf, en zorg ervoor dat niemand je volgt! Maar natuurlijk hoop ik dat ze hier zo snel mogelijk weer weg zullen zijn. En dat alles weer normaal kan worden.

Cécile

Cécile, 15 december 1914

Beste Eléonore,

ik ben zo in de war. Ik begrijp er steeds minder van. Vier dagen geleden hing er een ZEER BELANGRIJK BERICHT aan de pomp en aan het gemeentehuis. Ja, weer zo’n affiche, drukker Strybol uit de Vrasenestraat doet gouden zaken. Het was er een volgestouwd met kleine lettertjes. Je had wel een uur nodig om alles te lezen, en dan begreep je er nog niets van. Ik loop er al dagen over te piekeren. Ze hadden het over standstapelplaatsen van het Duitse leger, en over de grenslijn van het krijgsgrondgebied en de omtrek van die standstapelplaatsen. Geen idee wat ze daarmee bedoelen. Ik hoop maar dat het niet iets heel erg belangrijks is, want “geen kennis hebben van het bovenstaande bevrijdt niet van de straf”. Wat ik wel begrijp is dat het verboden is om ons te verplaatsen per automobiel of motorfiets – als we die nog hadden. Met de gewone fiets, te paard of met een rijtuig mogen we wel nog rijden, maar om buiten onze eigen gemeente te reizen hebben we dan weer een paspoort en een bijzondere toelating nodig. Er bestaan tegenwoordig ook vrijedoorgangspassen, al heb ik nog niet helemaal door waar je die voor nodig hebt. Je moet ze aanvragen bij de Duitsers, en daarvoor moet je in het bezit zijn van een eenzelvigheidskaart met portret, waarop vermeld staat dat je te vertrouwen bent. Zo’n vrijedoorgangspas is enkel geldig met stempel van de Duitse overheid en in combinatie met je eenzelvigheidskaart, en er staat op aangeduid hoelang je reis zal duren, de plaats waar je naartoe gaat, en de weg die je dient te volgen. Volg je die aangeduide weg niet, reis je op een andere dag of met een ander doel, dan zal de Duitse overheid weigeren nog langer vrijedoorgangsbewijzen af te leveren aan de ganse gemeente. En dat is niet alles. In zo’n geval zal de gemeente bijkomende straffen opgelegd krijgen: “hongersnood of beroving van werk”. Kun je dat nu geloven? En dan moet je weten dat er fijntjes bij stond dat de Duitsers al het mogelijke doen opdat we geen honger lijden en opdat de handel en het werk gewoon voortgezet kunnen worden. Grove leugens zijn het. Hoe moeilijk maken ze het ons niet om te werken of handel te drijven. En ons eten, dat eisen ze allemaal op. En dan durven ze te beweren dat als we honger hebben het onze eigen schuld is! Maar goed, daarmee was het nog niet gedaan. Vandaag, ten laatste om 12 uur deze middag (hun uur), moeten alle munitie en wapens ingeleverd worden. Wie dat niet doet, of wie verzwijgt waar er wapens verstopt zitten, krijgt de doodstraf! Worden er na vanmiddag nog wapens gevonden, dan zullen de gemeente, alle inwoners van het huis waar de wapens verstopt zaten, en zelfs de buren!, voor het krijgsgerecht gedaagd worden. Met andere woorden: we worden ertoe gedwongen onze buren te bespieden en te verklikken. Laat ons hopen dat Polidoor of Miel zich niets in het hoofd halen… Wat de winkel betreft: het zal heel moeilijk worden om nog aan waren te geraken. Papa kan niet eens naar Nederland. Daar heb je nu een speciale reispas voor nodig, en die wordt natuurlijk niet zomaar uitgereikt. Bovendien is de grens afgesloten. Vraag me niet hoe ze dat hebben klaargespeeld, maar blijkbaar kun je nog maar op een paar plaatsen de grens over en de dichtstbijzijnde overgang voor ons is die op de weg van Kemzeke naar Hulst, of via het spoor over De Clinge. Hoe moet papa daar ooit geraken? Je geraakt amper weg uit Beveren. We zitten dus opgesloten, Eléonore. Wij mogen niet weg, en niks raakt tot hier. Geen waren voor de winkel, geen post, geen kranten, niks. Ik weet niet eens hoe het met jou gaat. Of met Jozef. En met al die andere kerels die voor ons aan het vechten zijn. Het is om moedeloos van te worden… Tot later, Eléonore. Als het God belieft.

Cécile

Remi, 8 december 1914

Het is koud geworden, Stan. Het heeft al enkele nachten fel gevroren, het heeft zelfs al gesneeuwd. Bij jou ook? Ik moest denken aan hoe we daar vroeger zo van genoten, van de eerste sneeuw. Aan hoe we zelfs het dunste laagje bijeen schraapten om er ballen van te maken en ze tussen elkaars kraag te steken! En hoe Boris dan rond ons sprong! Dat was plezant, hè. Dit jaar zal het er niet van komen. En weet je, dit jaar vind ik er ook niks aan. We hebben zogoed als geen kolen meer, zelfs in huis is het om te bevriezen. Kou als deze kruipt gewoon in je botten. Moeke en vake bibberen zowat uit hun vel. Het gaat niet goed met hen, Stan. Ik doe wat ik kan, maar het is precies nooit genoeg. Ze missen je al net zo erg als ik. Wat doe jij, zo hele dagen lang? Ik niet veel meer. Nu met die Duitsers in het kasteel, weet ik niet of ik er nog moet gaan werken. Niemand heeft me iets gezegd. Ik hang er wat rond, doe hier en daar een klusje, houd een oogje in het zeil, voor zover dat gaat. Fabrice ook. Nu jij er niet meer bent, trek ik meer op met hem. Hij is de kwaadste niet. Hij heeft me verteld dat ze tussen Kieldrecht en Nieuw-Namen hele rollen prikkeldraad hebben gelegd. Pal op de grens en over de hele lengte. Gewoon in het midden van de straat en tussen de huizen door. Om de Belgen in België te houden, naar ‘t schijnt. Er zullen er dan wel veel naar Nederland proberen te ontkomen. Waarom zouden ze dat anders doen? Ik vind het nogal dom. Ik begrijp ook niet waarom ze per se willen dat we hier blijven. Als je hen bezig ziet, zou je denken dat ze niets anders dan last met ons hebben. En het is net andersom. Ze zijn zo moeilijk, Stan! Niets kan, niets mag. En als zij iets zeggen, moet het. Meteen. Of anders zwaait er wat. En alles nemen ze ons af. Nu het zo koud is, eisen ze onze wollen dekens en mantels op. Onze kolen. Ons eten ook. In Beveren zou er voedselhulp georganiseerd zijn, voor werklozen en weduwen en wezen enzo. Niet dat wij elke dag onze buik rondeten, maar ik hoop dat we daar nooit naartoe hoeven! We krijgen zelfs geen post meer. Of je ons al een brief hebt geschreven of niet, doet er eigenlijk niet meer toe: er komt toch niets door. Niemand hier weet van iets. Alleen wat zij willen dat we weten. En nergens kunnen we nog op ons gemak zijn, overal hebben ze oren en ogen. Voor je het weet verstrek je verkeerdelijke inlichtingen of verspreid je valse geruchten. En ook dat wordt natuurlijk zwaar bestraft. Over geruchten gesproken: in Sint-Niklaas zou je niet meer mogen fluiten of zingen, en met meer dan drie mensen tegelijk staan praten op straat zou ook verboden zijn. Als dat waar is, komen wij er nog goed vanaf. Voor zolang het duurt. Je ziet, Stan, het is hier niet alles. Waar dat naartoe moet, weet ik niet. En het ziet er niet naar uit dat het vlug voorbij zal zijn. Het enige wat me nog pleziert zijn mijn bezoekjes aan de Borgelioens. Elke week steek ik iets in elkaar en breng ik het hen. Net als vroeger. Ze zijn er nog. Boris heb ik niet meer teruggevonden. Ik denk dat ze hem hebben meegenomen, die vuile dieven. Ik kijk dikwijls naar onze foto, jij en ik in ons schoonste kostuum en Boris tussen ons in. Toen was alles nog zoals het moet. Hoor vake toch eens hoesten. Het had allang gedaan moeten zijn. Heel die stomme oorlog! Ik ga slapen, Stan. Dan voel ik de kou niet zo. En dan moet ik niet meer nadenken. Houd je warm, Stan. Tot later.

Remi en Stan Meerschaert (fictief)

Daniël Frans Struyf, 1 december 1914

Sinds enkele dagen vreest men voor een epidemie hier aan het front. Zeventig procent van onze troepen klaagt over hevige kolieken in de buik. Uit noodzaak zijn wij verplicht om het water uit de beken te gebruiken. Dit water komt van de IJzer dat door lijken besmet is geworden. In alle geval zien wij veel af en vandaag zijn er 48 mannen van onze compagnie die niet kunnen gaan werken. Wij blijven op ons stro liggen en vervloeken de Duitsers die de oorzaak zijn van alle miserie. Dagelijks wordt het getal zieken groter. Men is zelf verplicht geweest om enkele strijdmakkers naar het gasthuis over te brengen.

E.H. De la Croix, 27 november 1914

De Duitsers hebben zich meester gemaakt van de toren van de kerk! Alle uren van de dag en van de nacht moeten zij toegang hebben.

De toren is via telefoon- en telegraafdraden verbonden met het fort en alle burelen van de Duitsers. Wat zij daar uitrichten, kan niemand zeggen. Zeker is dat zij van daar de omgeving bespieden en in observatie nemen. Staan er kanonnen of andere oorlogstuigen op? Vragen die niet kunnen beantwoord worden, want de toegang tot de toren is zeer streng verboden voor Belgen – dus ook voor mijzelf! -. Bovendien dragen zij vooral in de nachtelijke uren allerlei geheime zaken naar boven. En op de vier kanten van de spits hebben zij openingen gemaakt, om hun werk beter te kunnen verrichten. Op die manier hebben de Duitsers de mooie naald van de toren zwaar geschonden en beschadigd …

Voorstelling Petrus en den Doodendraad – LAATSTE TICKETS

Vrijdag 20 februari 2015 – 20u – OC Ermenrike, Kieldrecht. Reserveren via http://www.beveren.be/tervesten of tel. 03 750 10 00


Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de grens tussen België en Nederland door de Duitsers hermetisch afgesloten met een elektrische draad. Leefgemeenschappen werden daardoor abrupt van elkaar gescheiden. De oude Petrus (Jo De Meyere) blikt terug op zijn leven en liefde van toen. Hoe komt een man zoveel gruwel door? De liefde is sterker dan 2.000 volt. Waar kun je beter deze tragische love story bekijken dan op de grens in Kieldrecht, de plaats waar ooit den draad stond die dorpen in tweeën sneed en waar smokkelaars aan bleven plakken? “Dit zou de zoveelste voorspelbare tearjerker over ‘liefde in oorlogstijd’ kunnen zijn. Maar Stefan Perceval bezorgt het stuk glans.” (Knack Focus)
Met: Jo De Meyere & Sofie Palmers / regie: Stefan Perceval / tekst: Guido Van Meir / scenografie: Niek Kortekaas / kostuums: Chris Snik
gratis inleiding om 19.30u
www.hetgevolg.be


Alfons, Emerence en Achiel Dierickx-Stoop

20 november 1914, vier uur in de namiddag. Mathilde Van de Velde, vroedvrouw in Melsele, komt aangifte doen bij burgemeester Joseph ’S Heeren van de geboorte van een jongen twee uur daarvoor. De baby heet Achiel Franciscus. Zijn moeder is Maria Emerentia Stoop – Emerence of Ranske in de dagelijkse omgang – geboren in Melsele op 5 december 1891 als zevende kind van Petrus Stoop, fabriekswerker, en Ludovica Francisca Engels, vroeger kantwerkster, nu huishoudster. Ze woont aan de Statie van Melsele; op de geboorteakte vult men landwerkster in als haar beroep.

De vader van de baby is (Hendrik) Alfons Dierickx, geboren in Nieuwkerken op 27 juni 1893, tweede zoon van Frans Leopold Dierickx, fabriekswerker, en Maria Clementina Vergauwen, huishoudster, eerder dat jaar verhuisd van Nieuwkerken naar de Ponjaard in Melsele, later naar de Statiestraat. Hij is niet aanwezig bij de geboorte van zijn eerste kind, en dat heeft alles te maken met de oorlog, die die zomer is uitgebroken.

Antwerpen 1913, Alfons Dierickx (privé-collectie Karen Dierickx)

Antwerpen 1913, Alfons Dierickx (privé-collectie Karen Dierickx)

Net als duizenden andere jonge mannen is Alfons eind juli 1914 onder de wapens geroepen. Volgens het bevolkingsregister is zijn stamnummer 190/8520 en behoort hij tot de militieklas 1913, 2de legerkorps, 1ste regiment van de etappentroepen, 3de bataljon, 10de compagnie. Waar hij terechtkomt en wat hij meemaakt tijdens die eerste maanden is niet precies geweten. Een prentkaart die hij verstuurt naar Emerence doet vermoeden dat hij in het fort van Borsbeek is gekazerneerd. Helpt hij daar mee aan de verdedigingswerken rond het fort – bomen rooien, struiken afbranden, huizen en boerderijen opblazen, loopgrachten aanleggen? Maakt hij daar het zeppelinbombardement op Antwerpen in de nacht van 24 op 25 augustus mee? En de daaropvolgende slag om Antwerpen? Is hij daar nog steeds als Antwerpen op 8 en 9 oktober wordt opgegeven door het Belgische leger? De kans is groot. Wat vaststaat, is dat hij niet met het gros van de troepen tot achter de IJzer geraakt. Vrijwel zeker is hij één van de circa 35 000 manschappen die achterblijven in en om Antwerpen om de aftocht van het Belgische leger te dekken. Hen wordt opgedragen stand te houden tegen de oprukkende Duitsers tot het niet langer kan, en dan uit te wijken naar Nederland – liever internering in het neutrale Nederland dan krijgsgevangenschap in Duitsland.

Zo gebeurt het ook. Met de Duitsers op hun hielen vluchten zo’n 33 000 Belgische soldaten, waaronder Alfons, naar Nederland, waar ze volgens internationaal oorlogsrecht worden ontwapend en opgesloten, aanvankelijk in geïmproviseerde tentenkampen, leegstaande fabrieken en kazernes, later in barakkenkampen. Ook Alfons. Het is niet duidelijk waar en wanneer hij de grens oversteekt. Voor zover we weten komt hij eerst terecht in de kazerne van Assen, dan in het kamp van Oldebroek, vervolgens dat van Harderwijk. We kunnen aannemen dat hij vier jaar lang met duizenden andere Belgische soldaten opgesloten zit achter prikkeldraad op een stoffig of net zompig terrein, opeengepakt in ongezonde houten barakken. Vier jaar lang moet hij honger, kou, onzekerheid en verveling verdragen – of mag ook hij na verloop van tijd overdag buiten het kamp gaan werken? Vier jaar lang ontvangt hij geen nieuws van thuis.

Of wel? Zelf stuurt hij minstens twee foto’s, maar slaagt Emerence er ook in nu en dan een foto of een brief vanuit het bezette België tot bij hem te krijgen, iets wat helemaal niet vanzelfsprekend is? Geregeld laat ze foto’s van zichzelf en de kleine Achiel nemen, dat wel. Op een van die foto’s laat ze Alfons erbij monteren. Maar bereiken die prentkaarten hem? En wat schrijft ze op de achterkant? Geen woord is overgebleven. Hoe zwaar heeft zij het als jonge, alleenstaande moeder te verduren onder de Duitse bezetting? Hoe en waar precies komt ze die vier jaar door? En Achiel? Mist hij zijn vader, die hij niet eens kent? Kan hij het vinden met de Duitse Landsturmers die in zijn school ingekwartierd zijn, of is hij bang van hen?

Op 11 november 1918 komt er een einde aan de oorlog. Achiel, net geen vier jaar oud, heeft nooit anders gekend dan de Duitse bezetting, maar nu ziet hij al die soldaten vertrekken uit Melsele. Te midden van de verwarring van de aftocht van de Duitsers rijpt wellicht het besef: het is voorbij, het is vrede. Op 20 november, op zijn vierde verjaardag, vindt de intrede van koning Albert in Antwerpen plaats. De koning is terug. Maar een vader krijgt Achiel er nog niet meteen bij. Ook Emerence moet nog even wachten op haar man. Pas in de loop van 1919 worden de Belgische geïnterneerden in Nederland vrijgelaten. Wanneer komt Alfons aan in Melsele? Wat voelt hij als hij na meer dan vier jaar zijn dorp inloopt? Hoe is het weerzien met Emerence? Hoe verloopt de kennismaking met zijn zoon? Wat denkt en voelt Achiel als hij zijn vader voor het eerst ziet? De antwoorden op deze vragen zijn niet meer te achterhalen, maar het ziet ernaar uit dat alles nogal snel in de plooi valt.

Het is 1919, de heropbouw van België komt op gang, Emerence, Alfons en Achiel beginnen aan een nieuw leven.

Alfons kan aan de slag in de haven van Antwerpen, later in het fort van Zwijndrecht; daar zal hij de rest van zijn leven als burger blijven werken. Met zijn gezin gaat hij aan de Statie van Melsele wonen. In 1920 komt er gezinsuitbreiding: een dochter wordt geboren, Esther. Zij zal sterven in 1943 in haar eerste kraambed. Na haar dood vertrekt haar man met de baby, een jongen, naar het verre Gent. Dit kleinkind zien Alfons en Emerence niet opgroeien, op een jaarlijks bezoek na, hun twee andere kleinzonen wel. Zelfs van heel dichtbij: Achiel trekt met zijn gezin bij hen in. Tot aan hun dood zullen ze aan de Statie in Melsele blijven wonen. In 1964 sterft Alfons, in 1970 Emerence, in 1996 Achiel (zijn vrouw Gabriëlle is al in 1973 gestorven).

En nog eens zoveel jaren later ontdekt hun (achter)kleindochter oude foto’s en prentkaarten, die (een deel van) dit verhaal vertellen.

(Karen Dierickx)