Ik had geen keuze, Stan. Ik moest wel meedoen. Hoe kan ik op tegen Fabrice? En tegen Marie? Die avond, nadat Fabrice me alles had opgebiecht en me die postkaarten van jou had gegeven, heeft zij het me allemaal nog eens uitgelegd. Heel kalm en heel duidelijk. En toen zag het er toch wel wat anders uit. Misschien hebben ze wel gelijk. In elk geval: ik hoor er nu ook bij. Niet dat ik veel doe. Ik ga naar ons huis, breng er iets heen of haal er iets vandaan en geef het aan Marie. Dat bespaart Fabrice heel wat loopwerk. Maar mijn hart, dat ziet af! Het begeeft het bijna elke keer. Zo bang ben ik als ik iets vervoer. Ze hebben me uitgelegd hoe ik iets moet verstoppen – in de zoom van mijn jas (Marie heeft me leren naaien), of tussen het oude krantenpapier dat ik onder mijn onderhemd stop om het warmer te hebben. Ze gaan me ook nog een smokkeltas bezorgen, een met een dubbele bodem. En smokkelschoenen. En ze hebben me opgedragen wat ik moet doen of zeggen als ik ooit betrapt word. Niet dat ik het wil, Stan, maar nogmaals: ik heb geen keuze. Daar was Fabrice heel duidelijk in.
En dan die briefkaarten van jou, Stan. Wat heb je allemaal meegemaakt! Niet dat ik heel veel wijzer ben geworden, veel krijg je niet op zo’n kaart, maar ik heb toch min of meer kunnen volgen waar je allemaal geweest bent voor je in Ieper terechtkwam. En je bent op bezoek geweest bij gravin Maria en graaf Jozef, die zijn daar ook, in Proven! Wat een toeval! Heb je Eléonore, de zus van Cécile, van Delicatessen Borgelioen uit de Kloosterstraat, misschien ook al ontmoet? Die moet daar ook ergens zijn, achter het front. Als je haar ziet, zeg dan dat met Cécile alles goed gaat – ik zie haar soms van ver, ze werkt met haar moeder voor het Komiteit. Tenminste: als je daar nog bent, Stan. Je laatste postkaart is al meer dan een half jaar oud. Toch ga ik je een brief schrijven, ik zit er klaar voor. Ik heb nu een adres, en ik weet nu dat het kan, post van en naar het front. Daar hebben Marie en Fabrice alvast gelijk in: het maakt de mensen gelukkig. Als je het zo bekijkt is het inderdaad wel een goede zaak dat er mensen zijn die er hun leven voor willen riskeren.
Niemand mag nog in het bezit zijn van geschreven documenten, handelspapieren of catalogi, dat stond onlangs nog op een affiche. En brieven, kranten en bonnenboekjes mogen al helemaal niet! O, ik vloekte. Maar ik was ook bang. Ik ben naar huis gehold, naar Marie, en heb haar gevraagd om Fabrice zo vlug mogelijk naar me toe te laten komen. Fabrice, ja, want hoe meer ik erover nadacht hoe zekerder ik was dat hij het was geweest. En Marie weet hoe ze hem moet contacteren, hij komt hier op geregelde tijden over de vloer. Met een boodschap van zijn moeder, al zie ik nooit iets wat op een boodschap lijkt. Ik heb er ook nog nooit op gelet; ik ga niet met mijn neus bovenop hen zitten! Ik zit nu op hem te wachten, en eerlijk gezegd: ik voel me niet op mijn gemak. Eens benieuwd wanneer hij zal opduiken. En wat hij me dan te zeggen heeft.
Ze wonen daar zo ver, aan de andere kant van het dorp, over die fameuze grens met het Etappengebiet. En dat terwijl ik elke dag naar Beveren moet; ik wil mijn job niet verliezen. Nee, ik ga wel bij Marie wonen. Het is klein, haar huisje, maar gerieflijk. En dichter bij het werk. Dan moet ik niet met pasjes en controleposten enzo beginnen, veel moet ik daar allemaal niet van weten. Zodra je denkt: nu heb ik het door, veranderen ze alles weer! De gewone controles op straat zijn zo al lastig genoeg. Maar ik ga wel proberen om ons moe zo dikwijls mogelijk te bezoeken. En af en toe zal ik langs ons huis passeren. Gewoon. Om te zien hoe het er mee is. Het zal zo goed als leeg zijn (de meubels verhuizen we mee), maar een leeg huis, alleen… Je weet nooit wat daarmee gebeurt. En als dit alles achter de rug is, moeten we er toch naar kunnen terugkeren, niet? En als jij plots naar huis zou komen… dan weet je ons wel te vinden, hè? Weet je, ik zal hier een briefje achterlaten. Voor het geval dat. Zodat je niet verloren loopt als het zover is.




