Ik wens je een gelukkig nieuw jaar, Stan. Waar je ook bent. Het is 1915, en ik hoop maar dat dit nieuwe jaar beter zal verlopen dan het oude. En dat heel dit gedoe vlug gedaan mag zijn, dat wens ik ook. Gisteravond dachten we even dat het gedaan was met ons. Om elf uur waren er opeens overal luide knallen te horen. Bleek dat de manier te zijn waarop de pinhelmen nieuwjaar vieren. Een uur te vroeg natuurlijk, met dat Duitse uur. Ze schoten in de lucht en nadien hoorden we hen zingen. Rond die versierde sparrenboompjes die ze overal neergepoot hebben. Zij mogen dat. Bij elk schot moest ik denken aan dat zesjarige meisje dat per ongeluk werd doodgeschoten toen ze gewoon in haar schoolbank zat. Maria Van Acker, heet ze, je kent haar van ziens. Haar familie ook. Wat moet haar arme moeder wel niet gedacht hebben toen ze al die schoten hoorde. Ik moet ook alsmaar aan Cécile denken. Naar het schijnt is ze heel erg ziek. Om alles nog erger te maken hebben de Borgelioens Duitsers ingekwartierd gekregen. Die voelen zich daar nu de koning te rijk. Ach Stan. Ze doen maar op, die pinhelmen. En wij moeten ons maar schikken. Hoe dan ook: het allerbeste voor het komende jaar. En kom vlug terug bij ons.
Brieven WOI
JOZEF SIMONS, 26 DECEMBER 1914
Kerstavond in het kasteel de Lovie. Het vriest dat het kraakt. Voorbij Ieper bulderen de kanonnen. Bij de stallingen en de buitengebouwen zingen de ingekwartierde Lotharingse soldaten van het Franse XXste korps wondermooie meerstemmige kerstliederen. In het kasteel heerst een hectische drukte: tijdens de middernachtmis doen Caroline en Louis hun eerste communie. Het feest vindt plaats in de grote zaal op de eerste verdieping. Tegen de muur hangt een Belgische vlag met een hoek vastgemaakt aan het kruisbeeld. De tafel doet dienst als altaar. Daarvoor is een trede getimmerd en aan weerszijden staat een kerststal opgesteld. De zaal is versierd met tapijten, palmen en winterbloemen. De grote kinderen komen aanzetten met extra lichten, stoelen en banken. Gravin Maria kijkt toe en speelt scheidsrechter.
Vanaf half twaalf is het een aan en af rijden van wagens met hoge gasten: vooral officieren die in de loop van de voorbije drie maanden in de Lovie ingekwartierd zijn geweest. Om middernacht zit de zaal eivol. Monseigneur Ruch, hulpbisschop van Nancy, gaat de plechtigheid voor. Twee aalmoezeniers assisteren hem. Op de bank zitten, helemaal in het wit, de twee communicantjes. De twee oudsten houden hen het communiekleed boven het hoofd. Rechts in de zaal hebben de familieleden, de huisgenoten en enkele buren van het gehucht vlakbij plaatsgenomen. Links zitten de officieren met vooraan generaal Balfourier gevolgd door de onderofficieren en ten slotte de manschappen. Ze staan tot op de trappen. Aan het harmonium zingt een Frans priester-soldaat. Na het evangelie houdt mgr. Ruch een korte toespraak over het vredesfeest terwijl honderdduizenden christenen elkaar beschieten.
De plechtigheid is ontroerend en indrukwekkend. De gelovigen bidden voor hun dierbaren, alle soldaten en een spoedige vrede.
Even later rijden de wagens weer af en aan. De familie en de huisgenoten trekken zich terug op hun kamers. Om 2u houdt het Duits geschut plots op: de start van een grootscheepse infanterieaanval.
Stille nacht, heilige nacht.
Naar J. Simons, Schetsen en verhalen van een kanonnier, Excelsior Brugge, 1926. Deel I Brieven uit de oasis, p. 21-24
Cécile, 22 december 1914
Eléonore,
moet je nu wat weten!? Het is verschrikkelijk! We hebben Duitsers in huis. Jawel, we zijn uitverkoren voor inkwartiering. Daarnet zijn ze hier toegekomen; ze waren met twee. Hoe ze heten, welke rang ze hebben, waar ze vandaan komen… ik weet het niet, en ik wil het niet weten ook. Ik kon hen niet eens aankijken. Ze zijn hier teveel, en dat is het enige wat telt. Ze hebben jouw kamer ingenomen, en de logeerkamer. En papa zijn bureau. Zonder te vragen! Onbeschoft vind ik zoiets. Maar wie ben ik? Ik moet zo oppassen, Eléonore, met wat ik doe, met wat ik zeg, met wat ik niet zeg. En dat valt me zwaar, je kent me. Sinds ze hier zijn, heb ik me opgesloten in dat oude bureau van papa op de bovenverdieping van het vroegere opslagmagazijntje achterin de tuin, je weet wel, dat overwoekerd schuurtje. Dit wordt nu mijn schuilhol. Van mij alleen. Hier kan ik denken wat ik wil, het gezicht trekken dat ik wil. Als het hier niet zo kil was, zou het hier zelfs gezellig zijn – daar moet ik nog wat op vinden. Wat ik hier wel al gevonden heb, is een prima plaatsje om de brieven die ik naar je schrijf te verbergen; ik kan ze toch niet versturen, de post is in handen van de pinhelmen en ze lezen alles na. Die weg is dus niet te vertrouwen. Misschien vind ik ook daar nog wel een oplossing voor. Dus Eléonore: als je hier een van deze dagen onverwachts voor de deur zou staan – om samen kerst te vieren bijvoorbeeld – schrik dan niet van die geüniformeerde bruten hier in huis. En mij zul je vinden in dit schuilhol. Hou de exacte locatie voor jezelf, en zorg ervoor dat niemand je volgt! Maar natuurlijk hoop ik dat ze hier zo snel mogelijk weer weg zullen zijn. En dat alles weer normaal kan worden.
Cécile
Cécile, 15 december 1914
Beste Eléonore,
ik ben zo in de war. Ik begrijp er steeds minder van. Vier dagen geleden hing er een ZEER BELANGRIJK BERICHT aan de pomp en aan het gemeentehuis. Ja, weer zo’n affiche, drukker Strybol uit de Vrasenestraat doet gouden zaken. Het was er een volgestouwd met kleine lettertjes. Je had wel een uur nodig om alles te lezen, en dan begreep je er nog niets van. Ik loop er al dagen over te piekeren. Ze hadden het over standstapelplaatsen van het Duitse leger, en over de grenslijn van het krijgsgrondgebied en de omtrek van die standstapelplaatsen. Geen idee wat ze daarmee bedoelen. Ik hoop maar dat het niet iets heel erg belangrijks is, want “geen kennis hebben van het bovenstaande bevrijdt niet van de straf”. Wat ik wel begrijp is dat het verboden is om ons te verplaatsen per automobiel of motorfiets – als we die nog hadden. Met de gewone fiets, te paard of met een rijtuig mogen we wel nog rijden, maar om buiten onze eigen gemeente te reizen hebben we dan weer een paspoort en een bijzondere toelating nodig. Er bestaan tegenwoordig ook vrijedoorgangspassen, al heb ik nog niet helemaal door waar je die voor nodig hebt. Je moet ze aanvragen bij de Duitsers, en daarvoor moet je in het bezit zijn van een eenzelvigheidskaart met portret, waarop vermeld staat dat je te vertrouwen bent. Zo’n vrijedoorgangspas is enkel geldig met stempel van de Duitse overheid en in combinatie met je eenzelvigheidskaart, en er staat op aangeduid hoelang je reis zal duren, de plaats waar je naartoe gaat, en de weg die je dient te volgen. Volg je die aangeduide weg niet, reis je op een andere dag of met een ander doel, dan zal de Duitse overheid weigeren nog langer vrijedoorgangsbewijzen af te leveren aan de ganse gemeente. En dat is niet alles. In zo’n geval zal de gemeente bijkomende straffen opgelegd krijgen: “hongersnood of beroving van werk”. Kun je dat nu geloven? En dan moet je weten dat er fijntjes bij stond dat de Duitsers al het mogelijke doen opdat we geen honger lijden en opdat de handel en het werk gewoon voortgezet kunnen worden. Grove leugens zijn het. Hoe moeilijk maken ze het ons niet om te werken of handel te drijven. En ons eten, dat eisen ze allemaal op. En dan durven ze te beweren dat als we honger hebben het onze eigen schuld is! Maar goed, daarmee was het nog niet gedaan. Vandaag, ten laatste om 12 uur deze middag (hun uur), moeten alle munitie en wapens ingeleverd worden. Wie dat niet doet, of wie verzwijgt waar er wapens verstopt zitten, krijgt de doodstraf! Worden er na vanmiddag nog wapens gevonden, dan zullen de gemeente, alle inwoners van het huis waar de wapens verstopt zaten, en zelfs de buren!, voor het krijgsgerecht gedaagd worden. Met andere woorden: we worden ertoe gedwongen onze buren te bespieden en te verklikken. Laat ons hopen dat Polidoor of Miel zich niets in het hoofd halen… Wat de winkel betreft: het zal heel moeilijk worden om nog aan waren te geraken. Papa kan niet eens naar Nederland. Daar heb je nu een speciale reispas voor nodig, en die wordt natuurlijk niet zomaar uitgereikt. Bovendien is de grens afgesloten. Vraag me niet hoe ze dat hebben klaargespeeld, maar blijkbaar kun je nog maar op een paar plaatsen de grens over en de dichtstbijzijnde overgang voor ons is die op de weg van Kemzeke naar Hulst, of via het spoor over De Clinge. Hoe moet papa daar ooit geraken? Je geraakt amper weg uit Beveren. We zitten dus opgesloten, Eléonore. Wij mogen niet weg, en niks raakt tot hier. Geen waren voor de winkel, geen post, geen kranten, niks. Ik weet niet eens hoe het met jou gaat. Of met Jozef. En met al die andere kerels die voor ons aan het vechten zijn. Het is om moedeloos van te worden… Tot later, Eléonore. Als het God belieft.
Cécile
Remi, 8 december 1914
Het is koud geworden, Stan. Het heeft al enkele nachten fel gevroren, het heeft zelfs al gesneeuwd. Bij jou ook? Ik moest denken aan hoe we daar vroeger zo van genoten, van de eerste sneeuw. Aan hoe we zelfs het dunste laagje bijeen schraapten om er ballen van te maken en ze tussen elkaars kraag te steken! En hoe Boris dan rond ons sprong! Dat was plezant, hè. Dit jaar zal het er niet van komen. En weet je, dit jaar vind ik er ook niks aan. We hebben zogoed als geen kolen meer, zelfs in huis is het om te bevriezen. Kou als deze kruipt gewoon in je botten. Moeke en vake bibberen zowat uit hun vel. Het gaat niet goed met hen, Stan. Ik doe wat ik kan, maar het is precies nooit genoeg. Ze missen je al net zo erg als ik. Wat doe jij, zo hele dagen lang? Ik niet veel meer. Nu met die Duitsers in het kasteel, weet ik niet of ik er nog moet gaan werken. Niemand heeft me iets gezegd. Ik hang er wat rond, doe hier en daar een klusje, houd een oogje in het zeil, voor zover dat gaat. Fabrice ook. Nu jij er niet meer bent, trek ik meer op met hem. Hij is de kwaadste niet. Hij heeft me verteld dat ze tussen Kieldrecht en Nieuw-Namen hele rollen prikkeldraad hebben gelegd. Pal op de grens en over de hele lengte. Gewoon in het midden van de straat en tussen de huizen door. Om de Belgen in België te houden, naar ‘t schijnt. Er zullen er dan wel veel naar Nederland proberen te ontkomen. Waarom zouden ze dat anders doen? Ik vind het nogal dom. Ik begrijp ook niet waarom ze per se willen dat we hier blijven. Als je hen bezig ziet, zou je denken dat ze niets anders dan last met ons hebben. En het is net andersom. Ze zijn zo moeilijk, Stan! Niets kan, niets mag. En als zij iets zeggen, moet het. Meteen. Of anders zwaait er wat. En alles nemen ze ons af. Nu het zo koud is, eisen ze onze wollen dekens en mantels op. Onze kolen. Ons eten ook. In Beveren zou er voedselhulp georganiseerd zijn, voor werklozen en weduwen en wezen enzo. Niet dat wij elke dag onze buik rondeten, maar ik hoop dat we daar nooit naartoe hoeven! We krijgen zelfs geen post meer. Of je ons al een brief hebt geschreven of niet, doet er eigenlijk niet meer toe: er komt toch niets door. Niemand hier weet van iets. Alleen wat zij willen dat we weten. En nergens kunnen we nog op ons gemak zijn, overal hebben ze oren en ogen. Voor je het weet verstrek je verkeerdelijke inlichtingen of verspreid je valse geruchten. En ook dat wordt natuurlijk zwaar bestraft. Over geruchten gesproken: in Sint-Niklaas zou je niet meer mogen fluiten of zingen, en met meer dan drie mensen tegelijk staan praten op straat zou ook verboden zijn. Als dat waar is, komen wij er nog goed vanaf. Voor zolang het duurt. Je ziet, Stan, het is hier niet alles. Waar dat naartoe moet, weet ik niet. En het ziet er niet naar uit dat het vlug voorbij zal zijn. Het enige wat me nog pleziert zijn mijn bezoekjes aan de Borgelioens. Elke week steek ik iets in elkaar en breng ik het hen. Net als vroeger. Ze zijn er nog. Boris heb ik niet meer teruggevonden. Ik denk dat ze hem hebben meegenomen, die vuile dieven. Ik kijk dikwijls naar onze foto, jij en ik in ons schoonste kostuum en Boris tussen ons in. Toen was alles nog zoals het moet. Hoor vake toch eens hoesten. Het had allang gedaan moeten zijn. Heel die stomme oorlog! Ik ga slapen, Stan. Dan voel ik de kou niet zo. En dan moet ik niet meer nadenken. Houd je warm, Stan. Tot later.
Cécile, 17 november 1914
Liefste zus,
kom maar vlug naar huis, alles is hier rustig. Tenminste, dat beweert onze nieuwe burgemeester, de heer Pypers. Jawel, Richard Pypers, de gemeentesecretaris. Het stond op een affiche, en als het op een affiche staat, is het waar! Zo gaat dat hier tegenwoordig. Ze hangen die aan het gemeentehuis en op de pomp op de Markt; sommige zijn niet alleen in het Nederlands maar ook in het Duits. Wat niet meer mag, wat er moet en wat de straffen zijn als we “wanorde” veroorzaken, het staat er allemaal op. Handig hoor. Een voorbeeld: na negen uur ’s avonds mag je de straat niet meer op; drankhuizen en herbergen moeten dan gesloten zijn. Ze mogen daar geen sterke dranken meer schenken (in het Duits staat er dat wijn en bier toegelaten zijn, maar in de Nederlandse tekst is dat weggelaten – toeval?). Wie gestolen goederen bezit, wanorde verwekt of niet meteen gehoorzaamt aan een bevel zal aan de Duitse krijgsoverheid overgeleverd worden. En door de wanordelijkheid van een of meerdere personen zal de gehele gemeente moeten lijden. Wat zeg je daarvan? Post wordt niet meer rondgedeeld. Hoeveel brieven heb je al verstuurd? Hoeveel heb je er van mij ontvangen? Deze zal je waarschijnlijk ook niet bereiken. Ik schrijf hem toch, het lucht op. En straks verscheur of verbrand ik hem, ik kan maar beter oppassen. Voor je het weet krijgt een van hen deze brief in handen, en dat zou een ramp zijn. Kritiek kunnen ze niet verdragen. Ze hebben ook een veel scherper gehoor dan wij. Onlangs hing er een affiche waarin ze beweerden dat er om vijf uur ’s ochtends in het noorden, het westen en het zuiden van de gemeente (lach niet!) geweerschoten gehoord waren – niemand van ons die ook maar iets had gehoord – en daaruit leidden ze af dat er nog steeds vuurwapens in omloop waren. Die moesten natuurlijk meteen ingeleverd worden. In die affiche werd trouwens opgeroepen om desnoods je buren te verklikken; onze “plicht”, zo verwoordden ze het. Wat ik je ook nog wil vertellen: ik ga niet meer naar school. De scholen zijn terug open, maar maman en papa zagen het niet zitten om me daar tussen de soldaten achter te laten; die zijn daar ingekwartierd. Naar de schilderlessen bij meester Staut mag ik ook niet meer. Niet zo erg, zonder Jozef is er niet veel aan. Wat nog? O ja, we hebben onze telefoon moeten afgeven, dat heb je misschien al gemerkt. En de winkel is zo goed als leeg. De Duitsers zijn met het meeste gaan lopen, zonder ervoor te betalen natuurlijk, al laten sommigen voor de vorm een bonnetje achter. Maar meestal “eisen” ze het gewoon op. En geven we het niet, dan nemen ze het gewoon. Zoals in het kasteel Bosdam, nog niet zo lang geleden. Het moet daar een ware strooptocht geweest zijn; de schade zou oplopen tot 14 000 frank! Dat arme dametje Van Male de Ghorain heeft het al zwaar te verduren gekregen. Nee, ze schamen zich voor niets, die pinhelmen. Nieuwe waar voor de winkel komt niet binnen. Alles ligt plat, ook de haven. Door de blokkade van de Britten. Ze blokkeren Duitsland, en daar horen wij nu bij. Straf, hè! Het is al zover gekomen dat veel gezinnen honger lijden. Daarom is er een liefdadigheidscomité opgericht, dat zorgt voor voedselbedeling. Elvire, de vriendin van maman, is een van de oprichters. Die heeft weeral iets omhanden. En ik? Ik zit hier met mijn vingers te draaien. En brieven te vullen met mijn verwarde gedachten. Kun jij het wat stellen met de kinderen? Wat zou ik ervoor geven om je terug te zien. Schrijf je vlug?
Je zusje Cécile
Remi, 10 november 1914
Stan, waarom laat je niks van je horen? Zit jij ook aan de IJzer? Ik wist niet eens waar dat lag, ik heb het moeten opzoeken in een oude atlas. Geloof je wel dat we het gebulder van de kanonnen daar soms tot hier horen? Vooral in de namiddag; dan moet het daar erg zijn. En staat het daar echt allemaal onder water? Hier ook nog steeds, sommige stukken. Of ben jij ook naar Nederland gevlucht? Ik heb horen zeggen dat er daar zo’n 30 000 Belgische soldaten in kampen opgesloten werden. Door de Nederlanders dan nog wel! Daar begrijp ik niks van. Of ben je gevangengenomen door de Duitsers en naar kampen in Duitsland gevoerd? In dat geval had je evengoed hier kunnen blijven. Hier is het al Duitsland wat de klok slaat. Overal zitten ze. In Haasdonk alleen al een paar honderd. In het Fort, maar ook in leegstaande huizen (van mensen die gevlucht zijn en niet zijn teruggekomen) en zelfs in huizen die nog bewoond zijn. Ook in het klooster en in de pastorij verblijven er; ze hebben er alles overhoop gehaald, meneer pastoor kon er niet om lachen. En in het kasteel zitten er ook. Meneer heb ik al even niet meer gezien. De laatste keer vroeg hij me om een kist te begraven in het park, niemand mocht het zien of weten; ik heb ze begraven, die kist, onder de beuk achter de oranjerie waar we zo graag onze boterhammen opaten. Hij was heel boos, meneer, weet je nog, omdat er zoveel Belgische soldaten bij hem ingekwartierd werden. Hij zou het nu eens moeten zien… De Duitsers zijn hier nu heer en meester. Op elk gebied. En ze zijn niet gemakkelijk, Stan. Nee, ze hebben geen huizen in brand gestoken en zomaar lukraak mensen gedood, het is niet gegaan zoals Fien heeft verteld. Maar ze doen moeilijk voor het minste. Het uur bijvoorbeeld. Dat is aangepast. Alle klokken moesten een uur vooruit gezet worden. We leven nu volgens de Duitse tijd. Dat willen ze toch. Natuurlijk doen wij dat niet. In stilte blijven we ons eigen uur gebruiken. In stilte, jawel. Als ze horen dat je het Belgische uur gebruikt, krijg je een boete. Kun je dat nu geloven? Je wordt voor alles gestraft tegenwoordig. Als je weigert Duits geld te gebruiken – dat moet nu – krijg je “ernstige moeilijkheden”. Als je met een zaklamp schijnt, denken ze dat je lichtsignalen geeft – aan wie of wat, weet ik niet. Ook dan word je gestraft “volgens de krijgswetten”. Duiven mag je ook al niet meer hebben; ze mogen niet meer uitvliegen en iedereen die er bezit, moet ze aangeven. Anders: gestraft volgens de krijgswetten. Wapens in huis hebben: zware straffen. (Al kan ik dat nog begrijpen.) Ook voor wie hout, bouwmateriaal of gereedschap meeneemt uit de loopgraven die de Belgen nog hebben aangelegd, zijn ze niet mals. Wie het vrijwillig terugbrengt binnen de opgelegde termijn, zal gespaard worden; dat beloven ze. Maar daarna mogen ze zomaar je huis doorzoeken, en o wee als ze iets vinden. En wie ze betrappen aan de loopgraven, wordt gewoon doodgeschoten. Dat staat allemaal op de affiches die ze aan het gemeentehuis ophangen. Ook wat we hen moeten komen brengen, staat daarop. Want ze hebben van alles nodig! Hooi, stro, noem maar op. En ze moeien zich met alles. Zo mogen boeren hun graan en aardappelen niet meer verkopen zonder toestemming. En hun vee mag geen roggemeel meer eten. Ja, Stan, zover gaat het. Niet moeilijk dat we niet meer op ons gemak zijn. Soms durf ik amper de deur uit. Boris is weggelopen, hoe of wat weet ik niet, hij lag altijd aan moeke haar voeten, met zijn snuit op haar tenen, en opeens was hij weg. Ik ben hem gaan zoeken, de hele streek heb ik afgelopen – tenminste, dat was ik van plan. Ik werd weggejaagd toen ik bijna aan Melsele-polder was (die staat nog steeds onder water, je weet wel, om de fortengordel rond Antwerpen dicht te maken) en sindsdien durf ik niet goed meer. Maar morgen ga ik naar de Borgelioens, een herfstboeket wegbrengen. Niemand heeft het me gevraagd, maar ik doe het toch maar. Dan weet ik of ze er nog zijn, en of alles goed gaat met Cécile. Laat jij me iets weten van jou?
Marie en Marguerite Waterschoot, 15 oktober 1914
De Lovie, 15 oktober 1914
Lieve mama en zusje
We zijn gelukkig jullie te kunnen melden dat wij nog steeds in Proven zijn. Hier is nog alles rustig. Maar we maken ons heel veel zorgen over jullie. Wonen jullie nog in Lokeren? Wij hebben hier gehoord dat vele mensen uit Lokeren zijn weggevlucht. Staat het huis in de Zelestraat er nog? Is er andere schade in Lokeren?
Lieve mama en zusje, wij omhelzen jullie innig en hopen jullie snel in goede gezondheid terug te zien.
Marie en Marguerite
Cécile, 13 oktober 1914
Eléonore,
het is zover. Antwerpen is gevallen. En ze hadden nog zo gezegd dat dat niet kon! Je kunt je niet inbeelden hoe bang ik was toen we het hoorden. Al hadden we natuurlijk allang door dat er iets niet klopte. Eerst vertrokken alle Belgische soldaten uit het dorp, toen kwamen er hele colonnes voorbij op de baan en langs het spoor, uit Antwerpen weg. Na hen kwam een ellenlange sliert van burgers op de vlucht. En nog wilde pa niet weg. Die stomme winkel altijd! Maar omdat we zo hard aandrongen stuurde hij maman en mij uiteindelijk toch weg. We moesten naar oom Hilaire, in Gent. Veel te laat natuurlijk. Treinen reden niet meer – het is te zeggen: niet voor ons, en auto’s waren opgeëist. Begin er maar aan. Het was gewoon geen doen. De straten zaten overvol, zowel van soldaten als van gewone mensen. Je kon bijna geen stap voor de andere zetten. En dan al dat lawaai… Maman was zo overdonderd dat ze na een half uur gewoon rechtsomkeert maakte! Wat kon ik anders dan haar terug naar huis te volgen? We hebben ons dan maar in de kelder verschanst. Op het moment zelf dacht ik daar niet over na, maar achteraf bekeken vind ik het wel dom van ons. Wie gaat er nu uit eigen beweging in de val zitten? Maar goed, het was niet het moment voor weldoordachte keuzes of filosofische overwegingen. We dachten gewoon niet meer. Alleen doodsangst voelden we. En zo zaten we daar te luisteren naar de geluiden van buitenaf. Het was heel verwarrend allemaal. En beangstigend. We wisten echt van niets. Maar nu zijn ze hier, de Duitsers. Ze komen en gaan. Eerst hoor je het gestamp van laarzen, dan enkele geweerschoten, wat geblafte bevelen en een lied. Jawel, ze zingen, in mooie rijtjes op de Markt. Met die stomme pinhelmen op hun kop! Maar al met al blijft alles vrij rustig. Ze brengen hier de nacht door – waar, dat weet ik niet; wij sluiten ons op in huis. En de volgende dag marcheren ze weer weg. Maar ’s middags komen er nieuwe. En ook die marcheren de volgende dag verder. En zo gaat het maar door. Al die tijd zijn maman en ik niet meer buiten geweest; je moet het nu ook niet gaan zoeken. En blijkbaar komen wij er goed vanaf, want bij de zussen Van den Berghe, de kleermaaksters in de Zandstraat, hebben ze hemden, jassen, hoeden, wijn enzovoort gestolen, en ook in de kippenkwekerij van kasteel Bosdam hebben ze een veertigtal hanen en kippen meegenomen. En burgemeester Van Raemdonck is ervandoor. Dat heeft papa horen zeggen toen hij even zijn kop buiten stak. Ik denk dat wij een heel goede engelbewaarder moeten hebben; misschien heeft het er ook mee te maken dat papa het bord Delicatessen van de gevel heeft weggehaald en de vitrine heeft leeggehaald, ook al is die nog steeds dichtgetimmerd. Wie weet. Dat is hoe het er hier nu voorstaat, Eléonore. Bij een zwak kaarsje zit ik deze brief vol bibberige letters te schrijven. Ik heb geen glazen bol, ik weet niet hoe het verder moet. Ik weet niet eens of deze brief je ooit zal bereiken. Het enige wat ik hoop is dat onze beschermengel, die tot hier toe zo’n goed werk heeft geleverd, ons niet in de steek laat. En dat ik jou vlug terug mag zien.
Cécile
Remi, 6 oktober 1914
Ik ben terug thuis, Stan. Ik heb ons Fien en haar kleintjes en schoonouders een eindje weggebracht. Een mens is een raar beestje. Na alles wat ze meegemaakt hebben, wilden ze naar huis. Kun je dat nu geloven? Ik wilde helemaal niet dat ze gingen. Fien heeft me hier geweldig geholpen; na de eerste schrik was ze weer terug dat potige vrouwmens geworden dat we kennen. ‘En als we nu eens allemaal weggaan,’ probeerde ik nog. ‘Naar Nederland?’ Daar gaan ze allemaal naartoe, Stan. ‘Ik ga nergens heen,’ baste va. ‘En ik ga naar huis,’ zei Fien. Ik kon er niks tegenin brengen. Ik zal haar missen, ik voel me nu weer zo alleen. Wat hoopt ze daar toch te vinden? Wat zal er daar met hen gebeuren? Ik ben bang voor hen, Stan, dat mag je wel weten. Niet dat hier alles zo rustig is. Een komen en gaan is het hier. Hele hordes vluchtelingen komen dagelijks voorbij, op weg naar Nederland. Met alles wat ze kunnen dragen of meeslepen of voortduwen. Gisteren vond ik er in het park van het kasteel. Ik heb hen weggejaagd. Ik dacht dat meneer dat wel zou willen, maar ik weet niet of ik daar goed aan heb gedaan. Het gaf zo’n slecht gevoel. Ook op het kasteel zelf is het druk. Overal zowat eigenlijk. Niet alleen in het fort zitten soldaten. Ook in boerenschuren in de buurt slapen ze – en ’s anderendaags breken ze diezelfde schuur misschien af. Want het gaat gewoon door, Stan, het afbreken en platbranden en spitten. Al die mooie dreven en boomgaarden, al die mooie plekjes in onze polders… Eén afgebrande vlakte maken ze ervan, met rollen pinnekensdraad. Mooi kun je dat echt niet noemen. Om te wenen is het. En het zijn niet alleen soldaten die dat doen (doe jij dat ook, Stan?), ook mannen uit het dorp. Dat moet hen toch zeer doen? Je zou de boeren moeten horen. Op sommige plekken mag je zelfs niet meer door. Dan staan er wagens dwars over de baan, of er liggen boomstammen of takken. Alleen als je het wachtwoord kent, of het juiste pasje hebt, mag je nog door. En de laatste dagen horen we steeds vaker een dof gedreun, als onweer in de verte, en soms begint de grond onder onze voeten dan zelfs te daveren. Echt waar! Dat komt door de beschietingen van de forten rond Antwerpen. Meer weten we niet. We worden er heel zenuwachtig van. Bij elke dreun slaat moeke haar handen voor haar oren en begint te jammeren. Ik weet niet wat we daar allemaal van moeten denken. Zit jij in een van die forten, Stan? Als ik dat gebulder hoor, hoop ik haast van niet. Ik bid voor je, Stan. En ook voor ons.
