Remi Meerschaert

Fictief personage gecreëerd door Karen Dierickx

Remi, 13 februari 1917

Liefste Cécile,

uit de grond van mijn hart hoop ik dat deze brief je bereikt, al besef ik dat de kans daarop eerder klein is. Ik schrijf het, omringd door ik weet niet hoeveel andere mannen en jongens, in een kamp ergens in Duitsland. Ze hebben me opgepakt, Cécile. Hoe ik ook protesteerde en volhield dat ik als knecht werkte voor je oom Henri, het bracht niks op. Ze luisterden niet eens. Ze stampten ons gewoon in een ijskoude veewagon en daar gingen we. Drie dagen en nachten duurde de treinreis. Onderweg stopten ze ons af en toe iets te eten of te drinken toe, maar voor de rest was het behelpen. We hadden geen emmer voor onze behoeften, geen stro om op te slapen, niks om ons te verwarmen. Je kunt je voorstellen hoe sommigen eraan toe waren toen we eindelijk uit die wagon mochten. Over mij moet je je geen zorgen maken; ik kan tegen een stootje en de gedachte aan jou houdt me overeind. Waar ik ben, weet ik niet. Ergens in Duitsland, ja. Ik hoor zeggen dat ze ons gaan sorteren en dat we dan verspreid gaan worden. Gelukkig kan ik van een van de mannen hier een velletje papier en een stompje potlood gebruiken. Er wordt gezegd dat ze onze brieven zullen versturen. Ik hoop het maar, Cécile. Hopelijk bereiken deze woorden jou in Beveren, waar mijn hart is achtergebleven.

Jouw Remi

Remi, 7 november 1916

Het is waar, Stan. Ze roepen mannen op en verplichten hen om voor hen te werken.ca_object_representations_media_66726_lowresdownload Een paar weken geleden hing er een affiche uit, met een oproep voor alle onderstandstrekkers van Sint-Gillis, Vrasene, De Klinge, Meerdonk, Verrebroek en Kieldrecht om zich op 25 oktober om 11 u aan het station van Sint-Gillis-Waas aan te melden, klaar voor een “reis”. Ze zouden weggevoerd worden om voor de Duitsers aan de spoorwegen in het Etappengebied te gaan werken. Op die affiche stond dat een vrije arbeider 40 pfennig per uur zou gaan verdienen, een geschoolde ambachtsman 60 pfennig per uur. Per dag wordt er van hun loon wel 1,50 Mark afgetrokken voor hun eten: 250 gram vlees, 750 gram brood en groenten per dag. Voor een dak boven hun hoofd en een gevulde strozak wordt kosteloos gezorgd. Om de zoveel tijd mogen ze op zondag naar huis komen; ook die reis wordt betaald. Toch gul van de moffen, niet? Wie weigert te vertrekken, krijgt volgende straffen: 3 jaar gevangenis en tot 10.000 Mark boete.

Je kunt je de verbijstering voorstellen. En ook wat de gevolgen zijn. Ik moest meteen aan Fabrice denken; ik heb hem niet meer gezien. Het kan goed zijn dat hij bij de groep werkweigeraars zat die de volgende dag (de 26e) al opgepakt werd en onder gewapende escorte naar Sint-Gillis-Waas werd overgebracht. Ik zie hem nog niet zomaar vertrekken! Of misschien is hij net als veel anderen naar Holland gevlucht, via Doel en Ouden Doel.

Waar dit gaat eindigen, Stan? Ik weet het niet. Soms vrees ik dat dit alleen nog maar een begin is en dat ze binnenkort ook hier jongens en mannen komen opeisen.

En wat ze van plan zijn hier een eindje verderop, daar waar vroeger de Belgische linies lagen, weet ik ook al niet. Maar ook daar is iets op til, Stan. En veel goeds zal het wel niet zijn.

Remi, 5 september 1916

Het was weer even slikken, Stan. Naast de smokkel van brieven en kranten, is nu ook het vervoeren of het bij zich hebben van foto’s verboden. Bovendien worden alle fietsen en fietsbanden inbeslaggenomen; vanaf 20 september mogen alleen bedienden en werklieden, belastingambtenaren, politieagenten, tolbeambten, dokters en veeartsen zich nog met de fiets verplaatsen als ze daarvoor de toelating krijgen. En Lokeren is veroordeeld tot een boete van 10 000 Mark omdat een deel van de bevolking vrijwillige arbeiders voor Duitsland uitgejouwd heeft toen die op het punt stonden te vertrekken. Het werkt allemaal zo beklemmend, Stan. Zeker dat van die vrijwilligers – binnenkort zijn die op, zegt Fabrice, en dan gaan ze mannen verplichten om voor hen te gaan werken. Ik moet zeggen dat Fabrice niet de enige is die er zo over denkt en daar voor vreest. Stel je voor. Ik mag er niet aan denken dat ze mij oppakken en naar Duitsland voeren. Het zou zo verkeerd zijn. Hoe kun je nu voor de vijand werken? Ik begrijp de reacties in Lokeren dus wel, al is het niet verstandig om zo duidelijk je mening te uiten. En ik wil Cécile niet kwijt net nu we naar elkaar aan het toegroeien zijn. Het was zo plezant om met haar door de velden te wandelen en te praten. Raar, dat ook. We begrepen elkaar zo goed. Het was net of ik daar met jou liep, Stan – nee, zo was het niet. Het was heel anders, maar net zo plezant. Ik hoop maar dat het weer nog een tijdje goed blijft, zodat we die wandeling nog eens kunnen overdoen.

Remi, 8 augustus 1916

Ze zijn ons park aan het afbreken, Stan. 77749_ca_object_representations_media_37797_preview430Met het kasteel valt het nog mee, ook al lopen die pinhelmen er in en uit of het daar allemaal van hen is. Maar wat ze met het park aan het doen zijn… het is onherkenbaar. Duitsers op de trappen van kasteel Hof ter SaksenBomen gerooid, smalspoor aangelegd, loodsen gebouwd – het ziet er niet uit. En ik maar tegen Cécile zeggen dat ik schone plekjes kende, dat ik haar wel eens wilde meenemen als ze er behoefte aan had om eens buiten het dorp te zijn. “Je voelt je er niet zo verstikt,” zei ik, en zo is het ook, al moet je goed uitkijken waar je loopt. Het kwam omdat ze zei dat het dorp haar soms zo beklemde; vroeger ging ze in augustus altijd op reis, maar nu kon dat niet meer en ze miste het. Vandaar dat ik over de veldwegels en de holle paden begon. Hoe zij reageerde? Op haar manier. “Ik zal erover nadenken,” zei ze. Niet afkerig, maar toch wat terughoudend en uit de hoogte. Misschien heb ik het wat te direct gezegd; misschien moet je met zulke meisjes omzichtiger te werk gaan. Nou ja, het is gebeurd, en de klok kan ik niet terugdraaien. Anders deed ik het meteen! Dan ging ik terug naar – pakweg – mei 1914; toen was alles nog normaal. Je hebt de groeten van ons moeder; vorige week ben ik bij haar langsgegaan. Gezien de omstandigheden gaat het goed met haar. Ook Gust stelt het wel. En jij? Zolang geleden weeral dat ik nog van je gehoord heb.

Remi, 4 juli 1916

Ik ben er niet meer gerust in, Stan. Onlangs zijn in Haasdonk twee personen veroordeeld voor verboden briefvervoer. Drie en vier weken gevang. Dat is niet niks, hè. Ik ken hen niet; ik wist niet dat zij zich hier ook mee bezig hielden. Zo zie je maar met hoeveel we zijn en hoe slecht we elkaar kennen. Wie weet werken we voor hetzelfde netwerk; dat kan best. In elk geval: ik zal extra voorzichtig moeten zijn nu. Ermee stoppen kan ik niet; eens je erin zit, kan je er niet meer uit. En ik doe het graag. Omdat ik iets goeds doe voor de mensen. Omdat het zo bevrijdend werkt om langs die wegels en die prachtige polderwegen van ons te lopen. Onder de bomen, tussen de zingende vogels en de ritselende diertjes op de grond, zou je haast vergeten dat het oorlog is. Het leven lijkt er zo simpel.suiker voor confituur 28 juni 16 Neem nu vorige week, toen Marie confituur wilde maken. Ze heeft een rode bessenstruik op haar koertje en die hing vol. Nu moet het lukken dat burgemeester Pypers op datzelfde moment een bekendmaking liet uithangen voor het aanvragen van suiker voor het maken van confituur. Wij blij toen we het hoorden natuurlijk – tot we die affiche lazen. Toen dachten we: laat maar zo; het was de eerste keer dat Marie confituur wilde maken, dus aan de eerste voorwaarde konden we al niet voldoen. Waarom maken we het elkaar toch zo moeilijk, vraag ik me dan af. Nou ja, ik weet wel waarom, rantsoenering enzo, maar toch. Dat zijn van die zaken die door mijn hoofd spoken als ik langs onze sluiproutes wandel en zie hoe schoon onze velden en paden en bossen erbij liggen deze zomer – zolang er geen moffen in de buurt zijn tenminste. Ook aan Cécile denk ik dan, en hoe het zou zijn om daar met haar te lopen. Vind je dat gek? Misschien moet ik haar eens vragen of ze mee wil; wie weet stemt ze toe.

Remi, 13 juni 1916

Brieven afgeven. Meer wilde ze niet. Zoals ik al had gedacht. Ik ben de postbus niet, had ik moeten zeggen. Maar ze zag er zo verlegen uit. Zo schoon ook. Wat kon ik anders doen dan de brieven aannemen en zeggen dat ik ervoor zou zorgen dat ze op hun bestemming geraakten? Het is te zeggen: tot in Holland. En ik zou het haar nog laten weten ook. Toen begon ze zo te blozen. Ik? Nee, ik niet. Maar ik voelde me heel wat, dat wel, daar moet ik niet over liegen. De moffen, die houden ons dan weer klein. Zo klein als maar kan. Vorige week nog werd een veehandelaar uit Melsele beboet – 1000 Mark! – omdat hij vee had verkocht in het Etappengebied. Mag dus niet. Ook de oogst van dit jaar mag niet vóór half september vervoerd, verkocht of verbruikt worden. De broer van Fabrice sakkert nogal. En de andere boeren ook. Je zou voor minder. En dan verschieten ze ervan dat we van alles in het geniep beginnen te doen. Maar wat willen ze dan? We moeten toch iets doen om te overleven. Als we hen laten doen, versmachten ze ons allemaal. Straks ga ik nog eens naar ons moe proberen te gaan. Daar achter de grens met het Etappengebied. Ik ken ondertussen nieuwe wegeltjes en sluikwegjes. Sluipwegjes, beter gezegd. Ik ga ze eens uitproberen. Kan altijd van pas komen. Ik zal haar de groeten doen. En zeggen dat alles goed met je gaat. Al weet ik dat niet zeker, het is zo lang geleden dat je nog geschreven hebt. Wel gek eigenlijk: ik maak anderen blij door brieven door te geven, maar zelf krijg ik er geen meer. Ontvang jij de mijne?

Remi, 24 mei 1916

Ik denk dat ik iets stoms gedaan heb. Het is te zeggen: iets dat slecht kan aflopen. Voor ons allemaal. Waarom wilde ik Cécile ook per se die brieven persoonlijk afgeven? Ik weet dat het beter is dat niemand weet wie het doet. En toch deed ik het. Zo fier als een gieter. “Hier, voor jou. Ik hoop dat je er blij mee bent.” En dat je me eindelijk ziet staan. Vind je me nu geen ferme kerel? Nee dus. Ik ben dom geweest. Ja, ze ziet me staan nu. Iets te veel naar mijn zin zelfs. Ze achtervolgt me. En ze houdt vol. En ik maar mijn best doen om haar te ontlopen. Omdat ik bang ben dat ik anders mijn mond voorbij praat. Omdat ik weer indruk op haar zal willen maken. En hoe kan ik weten of ze te vertrouwen is? Fabrice en Marie hebben het er zo ingehamerd: vertrouw niet zomaar iedereen. Beter nog: wantrouw iedereen. Wees steeds op je hoede. Zeker voor wie je het minst verwacht dat ze je zullen verklikken moet je uitkijken. Je weet maar nooit. Och, Stan, het is allemaal zo ingewikkeld. En zo moeilijk. Ik moet nog zoveel leren. Waarschijnlijk wil Cécile alleen maar brieven terugsturen. Maar ik ben geen postbus. Ik ben alleen maar bezorger. Hoe weten de anderen eigenlijk wie de postbus is? Ik weet het zelf niet. Dat moet ik Marie toch eens vragen. En ondertussen blijf ik Cécile uit de weg gaan. Zij een volhouder? Dan ik ook. Nog even.

Remi, 4 april 1916

Ik heb je net weer een brief geschreven, Stan. Hopelijk komt deze aan. Op mijn vorige heb ik geen antwoord gekregen. Misschien is het daar nog te vroeg voor, sommige brieven doen er een paar maanden over. Ze moeten ook zo’n lange omweg maken. Ik geef ze nu soms ook door. Het is plezant werk, mensen gelukkig maken. Al geef ik ze meestal niet persoonlijk af; het is beter dat ze me niet zien. Zeker als ik de ontvanger in kwestie niet persoonlijk ken, schuif ik de brief gewoon onder de deur of zo, zonder dat iemand het merkt. Hoe minder mensen ervan weten, hoe beter. Soms, als ik zo’n brief in mijn handen houd, denk ik wel eens: wat zou erin staan? Goed nieuws? Slecht nieuws? Zijn er tranen op gedrupt? In welke omstandigheden is deze geschreven? Het zijn klompjes goud die ik dan in handen heb, Stan. Nooit, maar dan ook nooit, mogen de moffen te weten komen hoe we het doen. En nooit mogen ze die brieven in handen krijgen. Wat er dan allemaal kan gebeuren… ik heb al van alles gehoord. Staan er beledigingen aan de Duitsers in – en die schrijf je vlug hoor, zelfs zonder het te weten – dan krijgt de ontvanger of de schrijver een boete van 500 Mark. En dikwijls vliegt die nog de gevangenis in ook. Maar daarvoor moeten er niet eens slechte dingen over de moffen in staan. Een gesmokkelde brief ontvangen of schrijven volstaat al.

Straks ga ik naar een voetbalwedstrijd van het Rode Kruis kijken. De opbrengst is voor de Belgische krijgsgevangenen in Duitsland. We kennen er heel wat, dus ik geef graag een beetje van het weinige dat ik heb om hen te helpen. Ook wielerwedstrijden organiseert het Rode Kruis soms om geld in te zamelen voor de krijgsgevangenen; spijtig dat wij in Beveren geen velodroom hebben. Met dat geld worden dan kleren gekocht en opgestuurd naar de Belgen in de kampen. Het zou ook van pas komen voor de soldaten die geïnterneerd zijn in Nederland, zoals onze Gust. Alleen al in dat kamp van Harderwijk zitten er meer dan honderd uit Beveren en omgeving. Maar benefietacties voor de geïnterneerden laten de pinhelmen niet toe. Wat er dan opgestuurd wordt, kunnen ze niet controleren natuurlijk, terwijl ze dat met spullen voor Duitsland wel kunnen. En controle, daar draait alles om bij hen. Gelukkig zit jij in vrij België, Stan. Laat ons hopen dat wij dat binnenkort ook kunnen zeggen.

Remi, 7 maart 1916

Ik had geen keuze, Stan. Ik moest wel meedoen. Hoe kan ik op tegen Fabrice? En tegen Marie? Die avond, nadat Fabrice me alles had opgebiecht en me die postkaarten van jou had gegeven, heeft zij het me allemaal nog eens uitgelegd. Heel kalm en heel duidelijk. En toen zag het er toch wel wat anders uit. Misschien hebben ze wel gelijk. In elk geval: ik hoor er nu ook bij. Niet dat ik veel doe. Ik ga naar ons huis, breng er iets heen of haal er iets vandaan en geef het aan Marie. Dat bespaart Fabrice heel wat loopwerk. Maar mijn hart, dat ziet af! Het begeeft het bijna elke keer. Zo bang ben ik als ik iets vervoer. Ze hebben me uitgelegd hoe ik iets moet verstoppen – in de zoom van mijn jas (Marie heeft me leren naaien), of tussen het oude krantenpapier dat ik onder mijn onderhemd stop om het warmer te hebben. Ze gaan me ook nog een smokkeltas bezorgen, een met een dubbele bodem. En smokkelschoenen. En ze hebben me opgedragen wat ik moet doen of zeggen als ik ooit betrapt word. Niet dat ik het wil, Stan, maar nogmaals: ik heb geen keuze. Daar was Fabrice heel duidelijk in.

En dan die briefkaarten van jou, Stan. Wat heb je allemaal meegemaakt! Niet dat ik heel veel wijzer ben geworden, veel krijg je niet op zo’n kaart, maar ik heb toch min of meer kunnen volgen waar je allemaal geweest bent voor je in Ieper terechtkwam. En je bent op bezoek geweest bij gravin Maria en graaf Jozef, die zijn daar ook, in Proven! Wat een toeval! Heb je Eléonore, de zus van Cécile, van Delicatessen Borgelioen uit de Kloosterstraat, misschien ook al ontmoet? Die moet daar ook ergens zijn, achter het front. Als je haar ziet, zeg dan dat met Cécile alles goed gaat – ik zie haar soms van ver, ze werkt met haar moeder voor het Komiteit. Tenminste: als je daar nog bent, Stan. Je laatste postkaart is al meer dan een half jaar oud. Toch ga ik je een brief schrijven, ik zit er klaar voor. Ik heb nu een adres, en ik weet nu dat het kan, post van en naar het front. Daar hebben Marie en Fabrice alvast gelijk in: het maakt de mensen gelukkig. Als je het zo bekijkt is het inderdaad wel een goede zaak dat er mensen zijn die er hun leven voor willen riskeren.

Remi, 22 februari 1916

Daarnet heb ik Fabrice gesproken. Het heeft even geduurd, hij had het druk, zei hij. Nu begrijp ik waarom. Ook waarom hij ons lege huis gebruikt. Hoe het ermee is, weet ik niet, ik durf er niet meer te komen. Misschien maar goed ook. Het is een doorgeefluik. Fabrice zit namelijk bij het ondergrondse verzet. Een smokkelbende. Naar ik kon opmaken zijn hij en zijn broer, die boer uit Vrasene, de kopstukken. Ze smokkelen etenswaren, maar ook kranten en brieven. Om dat te bewijzen – en om me mild te stemmen – gaf hij me enkele briefkaarten die jij naar ons hebt gestuurd. In de gauwte keek ik ernaar; er waren er bij van twee jaar geleden! Hoe lang hij die al bij zich droeg en voor me achterhield weet ik niet. Eerst werd ik boos, maar ik was ook zo blij. Eindelijk nieuws van jou! Ik zit nu op mijn strozak, met die kaarten in mijn handen. Ik ga ze lezen, maar ik ben ook bang voor wat erin staat. Daarom zal ik eerst dat van Fabrice verder vertellen. “We kunnen niks doen tegen de pesterijen van de Duitsers,” zei hij. “Al die opeisingen, dat verdomde passensysteem dat elke dag verandert, die grens tussen Beveren en Vrasene en het grensgebied, al die controles – als mijn broer zijn koeien melkt, zit er zo’n mof naast hem om te controleren hoeveel hij melkt! Die inlichtingskaart voor landbouwers, nog zoiets. Hij verbouwt niet zomaar wat hij wil, het staat allemaal op die kaart, ook wat zijn maandelijkse aandeel is. Pleegt hij een inbreuk tegen de graanverordeningen – ja, ze kunnen het mooi zeggen, die pinnen – dan riskeert hij een gevangenisstraf tot vijf jaar, of geldboetes tot 100 000 Mark. Of beide tegelijk! Dat is toch niet menselijk? En dan heb je die paardenschouwingen om de zoveel tijd, om de beste paarden nadien op te eisen. Maar wat kunnen we doen? Openlijk niet veel, daar zijn de straffen te zwaar voor. Maar in het geniep kunnen wij hen wel een hak zetten.” “Wat doe je dan?” vroeg ik, want ik begreep het niet echt. Toen legde hij uit dat ze ’s nachts de grens oversteken naar Nederland, door de draad. Ook tussen het Etappengebiet en het Generaal-Gouvernement smokkelen ze. En ze fixen van alles. Als iemand een pasje nodig heeft, of een ander officieel papier, dan zorgen zij daarvoor. “Dat zijn die spullen in ons huis,” zei ik, want het begon me iets duidelijker te worden. “En daar bewaren we ook verboden kranten enzo.” Ik werd wel even dooreengeschud, moet ik zeggen. Ik was kwaad, ja. Hij had het eerst moeten vragen! “Je zou nooit ‘ja’ gezegd hebben,” zei hij toen. Dat is waar. Eigenlijk wil ik er niks mee te maken hebben. Maar toen zei Marie, die er ook bij zat: “Op die manier maken we heel wat mensen gelukkig. We helpen de mensen.” “We?” vroeg ik als de eerste de beste onnozelaar. Natuurlijk. Dat ik dat niet eerder had doorgehad. Al die bezoekjes, al die boodschappen. “Ik ben koerier,” zei Marie. “Een soort postbus. Ik geef brieven door. Meer niet.” Meer niet!? En toen kwamen ze dus aanzetten met die kaarten van jou, Stan. “Ben jij nu niet blij?” Stomme vraag. Ik wilde ze meteen gaan lezen. Op mijn eentje – ik kon die twee even niet om me heen verdragen. Maar voor ik weg stoof, hield Fabrice me tegen. “Nu je dit alles weet,” zei hij, “rekenen we op jou.” Daarbij keek hij me zo doordringend aan dat ik er bang van werd. “Wat bedoel je?” mompelde ik. “Dat weet je best,” zei hij, weer met zo’n blik die door je heen snijdt. “Laat hem nu maar,” zei Marie toen. “Later praat ik nog wel eens met hem.” Toen mocht ik gaan. En nu zit ik hier. Zij zitten nog beneden, wie weet wat te bekokstoven. Ik vertrouw het niet. Ik voel me hier ook helemaal niet meer op mijn gemak. Wat moet ik hiervan denken, Stan? Wat moet ik doen? Toch maar eerst jouw postkaarten lezen. Dan zie ik wel.